Hoofdstuk 48
Om 11 uur was de witte wijn op en om 12 uur hadden we de eerste fles rood uit Hugo’s voorraad soldaat gemaakt. ‘Lekker wijntje Brittie,’ giechelde Jeanny. Waarop Lieke de Vivino-app opende om de wijn te keuren. ‘What the fuck! Zien jullie dit bedrag?’ We lachten zoals we vroeger al lachten. Een lachen waarvan we dachten dat we dat verleerd waren. Na die eerste fles van een voornaam chateau in de Bordeaux hadden we er nog een opengemaakt. Om 2 uur ’s morgens had Lieke Saturday Night Fiver op standje hysterisch opgezet. Nadat we drie keer dansend en gillend de kamer op en neer waren geshuffled voelde ik me alsof ik weer veertien was, mijn ouders met vakantie waren en ik bezig was hun huis af te breken. Het was al licht toen ze vertrokken. ‘Godverdomme, we kúnnen het nog,’ lalde Jeanny. Waarop Lieke zei dat ze bralde en we alle drie zo verschrikkelijk de slappe lach kregen dat ik zeker wist dat de buren ervan wakker waren geworden.
‘Godverdomme, we kúnnen het nog,’ sprak ook ik tegen mijn spiegelbeeld toen ik met veel pijn en moeite de trap naar boven had gehaald en een poging deed mijn tanden te poetsen. Daarna moest ik overgeven. Niet één keer maar net zo lang totdat het acht uur was en de dinsdag definitief is begonnen. Om half 9 meldt Jeanny zich op onze app om te zeggen dat ze hondsberoerd is (‘Britt! Weten we zeker dat die wijn van je ex geen bocht was??’) en even later komt Lieke erbij om ons te vertellen dat we vrijdag gaan stappen. ‘Na vrijdag zal het nog lang onrustig blijven in de binnenstad! Guys! We komen eraan!’
En dan gaat mijn mobiel. Makelaar Marc belt. ‘Hi Britt! Alles goed met jou? Ik heb denk ik geweldig nieuws voor je. De verkopers van je appartement moeten eerder naar het buitenland dan verwacht en dat betekent dat de overdracht vroeger kan en jij en je dochter niet meer hoeven te overbruggen. Wat denk je?’
Wat ik denk? Ik denk dat ik mijn Volendamse aannemer als de wiedeweerga moet bellen en dat ik hem heel lief moet aankijken. Ik denk dat ik haast moet maken met het uitkiezen van sanitair, van tegels, dat ik een kleur moet kiezen voor de muren en iets moet verzinnen voor de vloeren en voor het foeilelijke behang en de donkerbruine jaren zeventig lambrisering in het trappenhuis. Ik schakel in de vijfde versnelling en begin te zweten en te bellen. Aan het einde van de dag sta ik bij de aannemer op de kalender, is de notaris geregeld voor de overdracht van het huis en de bank geïnformeerd. Tussen de bedrijven door belt Ruud, mijn hoofdredacteur, om te vragen of ik interesse heb in een nieuwe rubriek die een hoog culigehalte moet krijgen. Voor de details spreken we af voor een lunch op woensdag – zijn idee van een vruchtbare briefing. Als ik tegen etenstijd voor dood in een stoel in de serre lig belt Chrissy. Ze hebben het hartstikke tof en pappa is super vrolijk.
‘Dat heeft met Saar te maken, mam. Zij en pappa zitten de hele tijd aan elkaar en pappa en ik doen niets meer zonder haar en Josje.’
Met de prettige gedachte dat Saar inmiddels de plek van ‘haar’ heeft ingenomen stort ik om acht uur in bed om vervolgens het klokje rond te slapen. Op woensdag sta ik als nieuw op. Stuiterend van de energie en klaar om de wereld te veroveren. De lunch met Ruud brengt me voorlopig inkomenszekerheid en alsof dat nog niet genoeg goed nieuws is, ligt er bij thuiskomst de brief op de mat waarin de echtscheiding wordt bekrachtigd. Ik aarzel even om Hugo erover te appen. Besluit eerst om dat niet te doen en kan het dan toch niet laten. Ik maak een foto van de brief en stuur deze door met de tekst:
‘Het is officieel.’
Even later belt hij me.
‘Gefeliciteerd. Toch gek.’
‘Gek? Het zou nog gekker zijn als het niet officieel zou worden.’
‘Ja.’
‘Jullie hebben het goed, toch?’
‘Heel goed.’
‘Leuk? Is ze leuk, die Saar?’
‘Ze is oké.’
‘Doe je een beetje voorzichtig?’
‘Waarmee?’
‘Met de harten van de vrouwen om je heen.’
‘Nou ja zeg! Bij jou ook alles goed?’
Ik praat hem bij over de makelaar en de aannemer en mijn nieuwe rubriek en het weekend bij mijn ouders en Jeanny en Lieke.
‘We hebben je wijnvoorraad geplunderd.’
‘Welke voorraad?’
Typisch Hugo om dat niet te weten.
Op de vrijdag van deze beste-week-sinds-misschien-wel-jaren kan ik weinig bedenken om nog over in te kunnen zitten en besluit ik mezelf te trakteren op iets wat ik beslist niet nodig heb en daarvoor loop ik richting de winkels even verderop. Ik ga als eerste voor gaas voor een paar loafers die ik al tig keer heb zien staan maar steeds te duur vond. Daarna open ik de jacht op iets voor vanavond als ik ga stappen met Jeanny en Lieke – ik kan niet wachten! Mijn oog valt een zwarte satijnen top en op het moment dat ik die uit het rek trek klinkt er achter me een stem die ik zo snel niet kan thuisbrengen maar waarvan mijn nekharen onbewust overeind gaan staan. Als ik me omdraai kijk ik recht in haar schijnheilige smoel.
‘Lekker aan het shoppen?’ Ze lacht maar haar ogen lachen niet mee. Ik antwoord niet. Kijk haar alleen vragend aan.
‘Heb jij nog iets van ze gehoord?’ Natuurlijk snap ik donders goed waar ze op doelt.
‘Ze?’ Ik trek mijn wenkbrauwen op.
‘Nou ja. Ik kan Hugo maar niet te pakken krijgen.’
‘Dat ken ik. Vervelend is dat hè?’ Het was eruit voordat ik er erg in had. Ze knippert met haar ogen. Uit het veld geslagen. ‘Als je het niet heel erg vindt moet ik weer verder. Succes ermee verder.’ Ik stap om haar heen. Met de zwarte satijnen top in mijn ene hand en de tas met mijn nieuwe loafers in de andere. In de paskamer haal ik een paar keer heel diep adem want ik kom lucht tekort. Had ze nou echt gedacht dat ze het uitgerekend met mij over Hugo kon hebben? Zou ze echt zo onnozel zijn? Ik trek de top aan en meteen ook weer uit. Als ik terugkom in de winkel is ze nergens meer te bekennen. Ik loop naar de kassa en trek de pas van de en/of rekening om mee te betalen – nu het nog kan. Buiten gekomen pak ik mijn telefoon.
‘Ik werd net aangeklampt door je vriendin. Ze probeert contact met je krijgen begrijp ik.’
Ik druk op verzend en loop terug naar huis. Als ik onder de douche sta hoor ik mijn mobiel pingen.
‘Waar?’ vraagt Hugo. Ik schiet in de lach.
‘Waar ik haar tegenkwam?’ app ik terug en daarna een nieuwe app met een rits van de emoji’s met het gezicht dat huilt van het lachen.
Benieuwd hoe het begon?
Klik dan hier voor deel 1.//klik hier voor deel 2.// klik hier voor deel 3. // klik hier voor deel 4. // klik hier voor deel 5. // klik hier voor deel 6. // klik hier voor deel 7. // klik hier voor deel 8. // klik hier voor deel 9. // klik hier voor deel 10. // klik hier voor deel 11. // klik hier voor deel 12. // klik hier voor deel 13. // klik hier voor deel 14. // Klik hier voor deel 15. // Klik hier voor deel 16. // klik hier voor deel 17. // klik hier voor deel 18. // klik hier voor deel 19. // klik hier voor deel 20. // klik hier voor deel 21. // klik hier voor deel 22. // klik hier voor deel 23. // klik hier voor deel 24. // klik hier voor deel 25. // klik hier voor deel 26. // klik hier voor deel 27. // klik hier voor deel 28. // klik hier voor deel 29. // klik hier voor deel 30. // klik hier voor deel 31. // klik hier voor deel 32. // klik hier voor deel 33. // klik hier voor deel 34. // klik hier voor deel 35. // klik hier voor deel 36. // klik hier voor deel 37. // klik hier voor deel 38. // klik hier voor deel 39. // klik hier voor deel 40. // klik hier voor deel 41. // klik hier voor deel 42. // klik hier voor deel 43. // klik hier voor deel 44. // klik hier voor deel 45. // klik hier voor deel 46. // klik hier voor deel 47
‘We moeten praten,’ is een semi autobiografisch verhaal over radeloos verdriet en verlies, over verlaten worden en bedrogen uitkomen; kortom een verhaal over een huwelijk dat gedoemd is om te stranden. Het is ook een verhaal over opkrabbelen, opnieuw beginnen, fouten maken en vergissingen begaan, onderuitgaan en uiteindelijk over healing. Iedereen die ooit heeft geleden aan een gebroken hart door een verloren liefde zal zich in het verhaal kunnen herkennen en er troost uit kunnen putten. Want hoewel geen enkele scheiding hetzelfde is, zijn de worstelingen en het verdriet wel degelijk universeel.
Geschreven door: Britt Bottelier







