Hoofdstuk 46
Het is voor het eerst in jaren dat ik een weekend in mijn eentje bij mijn ouders ben. In het begin was Hugo er nog meestal bij en sinds Chrissy er is, ging ik nooit meer zonder haar en bleef Hugo steeds vaker thuis. Altijd was er die onrust over waar hij was en wat hij deed. Altijd die ongrijpbare onzekerheid, dat knagende gevoel dat steeds nadrukkelijker ging knagen naarmate hij langer niets liet horen. En dan sloeg, als de radiostilte maar lang genoeg duurde, de paniek toe. Die probeerde ik ten einde raad ondanks mezelf en tegen beter weten in te sussen door hem zelf te gaan bellen. Voicemail. Niet inspreken. Mezelf voornemen om het niet meer te proberen, om vervolgens toch weer voor gaas te gaan en weer zijn voicemail te krijgen die me tussen de regels door vertelde dat Hugo geen enkele behoefte had om mij te spreken.
‘Wisten jullie het? Dat hij vreemdging als ik bij jullie was met Chrissy en geen contact met hem kon krijgen?’ We zitten op het terras aan de rosbief met aardappels, veel jus en bloemkool, een menu dat mijn moeder die middag voor me heeft gemaakt in de veronderstelling dat dit na al die jaren nog steeds mijn lievelingseten is, wat ik steeds maar zo laat omdat het me zo ontroert. Mijn moeder neemt even een pauze die ze vult met het opscheppen van meer bloemkool.
‘Nou ja weten.’
‘Dat heeft me altijd veel pijn gedaan,’ komt mijn vader tussenbeide. ‘Ik zag het wel, dat je constant op je telefoon zat te kijken en dat hij niet thuis gaf. Bah!’
‘Weten is een groot woord,’ gaat mijn moeder verder. ‘Maar vermoeden wel.’
‘Mijn vader legt zijn bestek neer en neemt een grote slok van zijn rode wijn. ‘Echt verschrikkelijk vond ik dat altijd.’ Zijn stem breekt voor de tweede keer die dag. Hij staat op en verdwijnt naar binnen.
Buiten worden de paarden onrustig. De schimmel hinnikt een zet het op een rengalop. De pony volgt zijn voorbeeld. Aan de horizon klinkt het gesis van de branders van een luchtballon. ‘Daar hebben we de boosdoener,’ wijst mijn moeder met een knik naar de paarden en haar blik op de luchtballon. ‘Ze gaan helemaal door het lint van luchtballonnen.’
‘Rustig maar jongens!’ Mijn vader neemt weer plaats maar aan eten heeft hij geen zin meer. ‘Hebben we nog iets van Chrissy gehoord?’ Hij wil het gesprek een andere wending geven. Ik pak mijn telefoon en app Chrissy of alles goed is. En daarna nog een met de tekst ‘Effe bellen?’ Ongeveer per omgaande meldt ze zich. Ze klinkt opgewekt, blij. Mijn adem ontsnapt langzaam aan mijn mond bij het horen van haar stem.
‘Vertel eens even, lieverd. Hoe hebben jullie het tot nu toe?’
‘Leuk mam. Super leuk. Pappa is aan het douchen en we gaan zo uit eten met die vriendin van hem, Saar heet ze, en haar dochter Josje die net zo oud is als ik. Vanmiddag waren we samen op het strand. Zo leuk mam! Echt blij mee. Maar nu moet ik ophangen want we gaan. Dag lieve mamsie. Hou van jou!’ En weg is ze. Ik breng verslag uit aan mijn ouders. Mijn moeder haalt haar neus op.
‘Dan kon het zo maar eens de laatste keer geweest zijn dat die juffrouw Hugo naar Schiphol heeft gereden.’ Ze lacht. ‘Saar zei je dat die mevrouw met haar dochter heet? Is het niet heel toevallig dat die ook net op Ibiza zit als Hugo daar met Chrissy is?’ Ik denk aan zijn juffrouw en hoe ze vanochtend voor mijn huis stond. Haar arm buiten het open raampje van haar auto. Haar hooghartige blik toen ze haar hand naar me opstak. ‘Kutwijf!’ Ik spreek het hardop uit. Mijn moeder lacht. Ik stel voor om straks even samen een biertje te halen op het terras van de herberg op het dorpsplein. Mijn vader is in. Mijn moeder vraagt of het goed is als zij vroeg gaat slapen – al weten we donders goed dat dit niet als een vraag maar als een mededeling is bedoeld.
Na sluitingstijd komen we pas thuis. ‘Eieren?’ stel ik voor. Dat is wat we thuis gewoon zijn te doen na een avond in de kroeg. Een ingesleten patroon dat niets met honger of zelfs maar lekkere trek te maken heeft maar er gewoon bij hoort. Ik zet het oude gietijzeren braadpannetje op het gas, smelt er een royale klont boter in tegen het aanbakken en tik er de eieren van de kippen uit het kippenhok in stuk. Terwijl ze zacht sissend stollen, haal ik het Duitse roggebrood uit de broodtrommel die als sinds jaar en dag in de weg staat midden op het aanrecht. Sommige dingen mogen nooit veranderen. Mijn ouders, dit huis, de keukentafel met de eeuwige koffiepot en de asbak, het aftandse koekenpannetje en de eitjes uit het kippenhok. Ik ben zo intens blij om hier te zijn dat ik nu al weet dat ik morgen nog niet naar huis wil. Ik wil niet terug naar mijn de tempel zonder ziel waar ik moederziel alleen mijn dagen moet vullen totdat ik weer mag moederen. Als ik niets plan, is de kans groot dat de agenda leeg blijft. Want het leven dat vanzelfsprekend werd ingevuld en opgevuld met de dingen van alledag, is niet meer. Dat heeft plaatsgemaakt voor heel veel ruimte die ik naar believen kan vullen. Vanaf nu mag en kan ik alles zelf bepalen en dat lot heeft me vandaag op deze plek gebracht waar ik me mag wentelen in de comfortabele wetenschap dat ik hier altijd terecht kan. Als opvoeden niet meer is dan doorgeven wat jezelf hebt meegekregen, dan geef ik Chrissy voor de rest van mijn leven een plek om altijd thuis te komen. Een plek om aan te kloppen met al je bagage van dat moment. Een plek om te mogen zijn.
Benieuwd hoe het begon?
Klik dan hier voor deel 1.//klik hier voor deel 2.// klik hier voor deel 3. // klik hier voor deel 4. // klik hier voor deel 5. // klik hier voor deel 6. // klik hier voor deel 7. // klik hier voor deel 8. // klik hier voor deel 9. // klik hier voor deel 10. // klik hier voor deel 11. // klik hier voor deel 12. // klik hier voor deel 13. // klik hier voor deel 14. // Klik hier voor deel 15. // Klik hier voor deel 16. // klik hier voor deel 17. // klik hier voor deel 18. // klik hier voor deel 19. // klik hier voor deel 20. // klik hier voor deel 21. // klik hier voor deel 22. // klik hier voor deel 23. // klik hier voor deel 24. // klik hier voor deel 25. // klik hier voor deel 26. // klik hier voor deel 27. // klik hier voor deel 28. // klik hier voor deel 29. // klik hier voor deel 30. // klik hier voor deel 31. // klik hier voor deel 32. // klik hier voor deel 33. // klik hier voor deel 34. // klik hier voor deel 35. // klik hier voor deel 36. // klik hier voor deel 37. // klik hier voor deel 38. // klik hier voor deel 39. // klik hier voor deel 40. // klik hier voor deel 41. // klik hier voor deel 42. // klik hier voor deel 43. // klik hier voor deel 44. // klik hier voor deel 45.
‘We moeten praten,’ is een semi autobiografisch verhaal over radeloos verdriet en verlies, over verlaten worden en bedrogen uitkomen; kortom een verhaal over een huwelijk dat gedoemd is om te stranden. Het is ook een verhaal over opkrabbelen, opnieuw beginnen, fouten maken en vergissingen begaan, onderuitgaan en uiteindelijk over healing. Iedereen die ooit heeft geleden aan een gebroken hart door een verloren liefde zal zich in het verhaal kunnen herkennen en er troost uit kunnen putten. Want hoewel geen enkele scheiding hetzelfde is, zijn de worstelingen en het verdriet wel degelijk universeel.
Geschreven door: Britt Bottelier







