Hoofdstuk 30
Nadat Hugo en ik onze kaarten op tafel hebben gelegd, gaat de boel stromen en dat geeft lucht. Makelaar Marc weet niet hoe snel hij een fotograaf langs moet sturen zodat ons huis de markt op kan. Maar zijn fotograaf is een chagrijnig stuk vreten dat de boot voor de betere opdrachten vast gemist heeft waardoor er geen glimlach af kan en ze door mijn huis loopt te stampen alsof ze het net zelf heeft gekocht. Als we een paar dagen later haar foto’s krijgen keurt Hugo ze af omdat hij er geen fiducie in heeft dat haar werk hebberig maakt. De nieuwe fotograaf is door Hugo zelf gestuurd en als hij aanbelt en ik opendoe ben ik stantepede verkocht. Eén blik in zijn zwartbruine ogen en het is alsof de bliksem bij me inslaat. Ik voel hoe ik tot achter mijn oren dieprood kleur. Van de schrik zet ik het op een lullen dat kant noch wal raakt. Ik hoor mezelf ratelen dat het wel goed moet zitten met hem, met zijn professionaliteit, omdat hij natuurlijk niet voor niets door Hugo, mijn man, mijn bijna ex want heel lang zal die officiële scheiding nu wel niet meer op zich laten wachten, is gestuurd. Hij heeft vast al vaker opdrachten voor hem gedaan toch? Wat? Nog nooit. Nou zeg, dat is grappig, want ik zou gezworen hebben dat dat wel zo was. Wil hij trouwens koffie? Ja toch zeker?
Als hij vanaf zijn barkruk naar me zit te kijken hoe ik loop te prutsen met zijn koffie, voel ik me alsof ik naakt ben – zo kwetsbaar. En dan gebeurt wat er gebeuren moet. Hij staat op van zijn kruk, loopt om het keukeneiland heen en komt vlak voor me staan. Met zijn neus zowat op mijn voorhoofd gedrukt blijft hij even staan. Ik ruik hem, ik voel zijn adem, ik pak met mijn rechterhand zijn linker, druk er een zoen op en kijk hem nog een keer aan maar nu langer. Deze man veroorzaakt kortsluiting bij me. Ik ben degene die begint te zoenen en ik ben degene die hem zo ongeveer meesleurt de trap op naar mijn slaapkamer naar het keurig netjes opgemaakte bed met de sierkussens. Ik schop ze er een voor een af om ruimte te maken terwijl hij zijn trui over zijn hoofd uittrekt. Zijn torso is op zeker de mooiste die ik ooit heb gezien. Breed en gespierd maar niet al te overdreven.
‘Nou?’ hoor ik hem. Is dit het eerste wat hij zegt of heb ik zijn stem al eerder gehoord? Hij wacht mijn antwoord niet af. Begint mijn kleren uit te trekken. Snel maar beheerst. Wat er volgt duurt niet eens heel lang al me al. Maar de intensiteit is een voor mij ongekende sensatie. Nog nooit eerder voelde ik een aantrekkingskracht als deze. Er is geen gêne, er zijn geen remmingen, er is niets te verliezen. Er is alleen maar dit moment van gelukzalig samenzijn. Als het moment voorbij is blijven we heel stil liggen. Hij steunend op zijn ellebogenbovenop mij. Hij glimlacht. Ik glimlach terug. Als hij overeind komt om op de rand van het bed te gaan zitten draait hij zich naar mij terug.
‘Zou er een handleiding zijn voor dit soort situaties?’ Zijn ogen lachen als hij de woorden langzaam uitspreekt. Een betere tekst dan deze op een moment als dit is bij god onbestaanbaar.
We stellen geen vragen, maar kleden ons aan en lopen achter elkaar aan naar beneden de trap af. Alsof er niets is voorgevallen drinken we koffie. Dan vraagt hij me hem rond te leiden nadat hij zijn koffer met fotoapparatuur heeft geopend en eruit heeft gehaald wat hij nodig heeft. Ik vraag of ik erbij moet blijven of dat hij liever zijn gang gaat zonder op zijn vingers te worden gekeken.
‘Nee hoor, gezellig.’ Dat is al. Zou deze man is gouden oneliners grossieren? De volgende uren keuvelen we door het huis alsof we nooit anders gedaan hebben. Bij mijn bed aangekomen zegt hij dat het er waarschijnlijk lekkerder uitziet als ik het wat fatsoeneer.
‘Lekker?’
‘Heerlijk. Smaakte naar meer.’
Voordat we afdalen naar het souterrain nemen we nog een verse koffie. In de tuin staat de rododendron vol in bloei. Hij stopt zijn neus even in een van de bloemkelken voordat hij er een foto van neemt.
Bij het afscheid geeft hij zijn kaartje.
‘Dag Britt, mag ik je bellen?’
Hugo belt die avond om te vragen hoe het ging.
‘Wel goed denk ik. Ja. Goed.’
Benieuwd hoe het begon?
Klik dan hier voor deel 1.//klik hier voor deel 2.// klik hier voor deel 3. // klik hier voor deel 4. // klik hier voor deel 5. // klik hier voor deel 6. // klik hier voor deel 7. // klik hier voor deel 8. // klik hier voor deel 9. // klik hier voor deel 10. // klik hier voor deel 11. // klik hier voor deel 12. // klik hier voor deel 13. // klik hier voor deel 14. // Klik hier voor deel 15. // Klik hier voor deel 16. // klik hier voor deel 17. // klik hier voor deel 18. // klik hier voor deel 19. // klik hier voor deel 20. // klik hier voor deel 21. // klik hier voor deel 22. // klik hier voor deel 23. // klik hier voor deel 24. // klik hier voor deel 25. // klik hier voor deel 26. // klik hier voor deel 27. // klik hier voor deel 28. // klik hier voor deel 29.
‘We moeten praten,’ is een semi autobiografisch verhaal over radeloos verdriet en verlies, over verlaten worden en bedrogen uitkomen; kortom een verhaal over een huwelijk dat gedoemd is om te stranden. Het is ook een verhaal over opkrabbelen, opnieuw beginnen, fouten maken en vergissingen begaan, onderuitgaan en uiteindelijk over healing. Iedereen die ooit heeft geleden aan een gebroken hart door een verloren liefde zal zich in het verhaal kunnen herkennen en er troost uit kunnen putten. Want hoewel geen enkele scheiding hetzelfde is, zijn de worstelingen en het verdriet wel degelijk universeel.
Geschreven door: Britt Bottelier







