Hoofdstuk 26
‘Hi Hugo, Ik denk dat het goed is om de boel te gaan regelen, maar nu echt. Dit huis past me niet meer. De ziel is eruit. Ik ben toe aan een plek voor mezelf. Toe aan een nieuwe start. Zal ik de makelaar eens bellen voor een taxatie? En wat ons tweeën betreft, hoop ik dat we er met een mediator uitkomen. We hebben het er binnenkort wel even over. Britt’
Hij leest de app per direct, maar hij antwoordt niet. Zoals hij ook sinds zaterdag niets meer liet horen nadat ik geappt had dat ik het ook fijn had gevonden, wat aan de ene kant een stomme zet was en aan de andere kant de dingen ook maar weer eens duidelijk maakte. Ik wacht zijn antwoord niet af en bel Makelaar Marc die zo enthousiast reageert dat het bijna gênant is.
‘Ja, ik had al wat opgevangen, maar het is dus echt. Verdrietig voor je, joh, maar goed dat je me belt. Jullie gaan dus verkopen? En moet er ook iets nieuws worden aangekocht? Ik ga sowieso heel erg mijn best voor jullie doen. Zal ik snel even langs wippen voor een globale taxatie? Morgen zou me prima uitkomen. Uur of half 10? Ja? Echt hartstikke goed dat je me gebeld hebt. En sterkte.’
Daarna bel ik het kantoor van de strottenbijter-van-een-advocaat-die-pas-loslaat-als-er-geen-leven-meer-in-zit die Suzan aan me doorgaf. Ik zeg dat het vooralsnog een oriënterend gesprek is en dat ik eigenlijk hoop dat we er met een mediator uit kunnen komen.
‘Dat willen ze allemaal,’ zegt ze afgemeten. ‘Ik laat mijn secretaresse een afspraak met je maken. Je krijgt onze algemene voorwaarden op de mail nadat de afspraak is gemaakt.’
Daarna ga ik aan het werk. Mijn hoofd is ongekend helder en mijn hersens staan op scherp. De woorden vloeien met een snelheid die mijn vingers op het toetsenbord amper bij kunnen houden. Hier krijg ik energie van. En zelfvertrouwen. Zo moet het. Zo wil ik het en zo zal het zijn. Ik werk door totdat Chrissy uit school komt.
‘Thee?’
‘Nee.’
‘Iets anders?’
‘Als ik iets wil hebben pak ik het wel.’
Ik ga door met mijn tekst. Rond het concept af, lees het terug, ben content. Nog even een nachtje laten besterven en dan kan ik er morgen een klap op geven. Goed bezig!
Die nacht slaap ik zo diep dat ik de volgende ochtend even oprecht niet meer weet waar ik ben. Ik kan me niet herinneren hoe lang het geleden is dat ik zo goed geslapen heb. Nadat ik Chrissy naar school heb geholpen en mijn koffietje snel achterover heb geslagen, spring ik onder de douche. Ik ben amper aangekleed als Makelaar Marc aanbelt die meteen weer begint te kirren hoe blij hij is dat ik hem gebeld heb. We doen een rondje door het huis. Van de tweede etage waar ik vooral kom om de was te doen en waar verder alleen twee logeerkamers zijn die zelden gebruikt zijn, zakken we af naar de eerste etage. Chrissy ’s slaapkamer, onze slaapkamer die nu mijn slaapkamer is. De inloopkast, het Franse balkonnetje aan de straatkant, de ingebouwde boekenkasten aan weerszijde van de schuifdeuren met de glas in lood raampjes. Terwijl Marc de ene na de anders foto maakt en af en toe iets in een boekje krabbelt, dwaal ik af naar de dag dat we hier kwamen wonen en de verf van de boekenkasten amper droog was. Telkens streek ik met mijn wijsvinger heel licht over de planken om te voelen of ik al kon beginnen met inruimen. Ik had me er al zo vaak een voorstelling van gemaakt hoe ik vanuit mijn bed alle titels zou kunnen zien, dat ik amper kon wachten. De balkondeuren in Chrissy ’s kamer klemmen een beetje als ik ze opentrek. De loungebank is groen uitgeslagen van de algen en de plantenbakken staan vol water. Het is er nooit van gekomen om hier te gaan zitten. Te heet want pal op het zuiden en vol in zon en te onhandig met de keuken een etage lager.
‘Fan-tas-tisch!’ vind Marc de marmeren schouw bij de open haard op de bel etage. ‘Tjezus! Wat is dat goed gedaan.’
Naarmate de tour vordert bekijk ik mijn eigen huis steeds meer door de ogen van een vreemde. Ik zie de ruimte, de hoge plafonds met de oude ornamenten van gips, de nieuwe strakke keuken, de eettafel met veel te veel stoelen, de luie stoelen in de serre en de kruin van de lijsterbes in de tuin die zijn eerste witte pluimen al laat zien. Elk najaar, als de vogels zich en masse tegoed komen doen aan de overdaad aan rode besjes, zit Teddy het schouwspel vanaf de vensterbank met een heen en weer zwiepende staart te aanschouwen. Het besef dat het nog maar de vraag is of we er komend najaar nog zullen zijn, dringt langzaam door. Het idee dat er dan misschien al andere mensen wonen treft me onaangenaam. Niet aan denken. Niet doen. Het is maar een huis. Er komt wel iets anders. Ik schrik op van mijn telefoon.
Benieuwd hoe het begon?
Klik dan hier voor deel 1.//klik hier voor deel 2.// klik hier voor deel 3. // klik hier voor deel 4. // klik hier voor deel 5. // klik hier voor deel 6. // klik hier voor deel 7. // klik hier voor deel 8. // klik hier voor deel 9. // klik hier voor deel 10. // klik hier voor deel 11. // klik hier voor deel 12. // klik hier voor deel 13. // klik hier voor deel 14. // Klik hier voor deel 15. // Klik hier voor deel 16. // klik hier voor deel 17. // klik hier voor deel 18. // klik hier voor deel 19. // klik hier voor deel 20. // klik hier voor deel 21. // klik hier voor deel 22. // klik hier voor deel 23. // klik hier voor deel 24. // klik hier voor deel 25.
‘We moeten praten,’ is een semi autobiografisch verhaal over radeloos verdriet en verlies, over verlaten worden en bedrogen uitkomen; kortom een verhaal over een huwelijk dat gedoemd is om te stranden. Het is ook een verhaal over opkrabbelen, opnieuw beginnen, fouten maken en vergissingen begaan, onderuitgaan en uiteindelijk over healing. Iedereen die ooit heeft geleden aan een gebroken hart door een verloren liefde zal zich in het verhaal kunnen herkennen en er troost uit kunnen putten. Want hoewel geen enkele scheiding hetzelfde is, zijn de worstelingen en het verdriet wel degelijk universeel.
Geschreven door: Britt Bottelier







