Hoofdstuk 42
Het trappenhuis is nogal Amsterdams: 32 treden, met een kleine onderbreking in de vorm van een bordes halverwege, leiden linea recta naar de tweede verdieping. De muren van het trappenhuis zijn bekleed met een foeilelijk behang en de lambrisering achter de trapleuningen is in jaren zeventig donkerbruin. Makelaar Marc ziet me kijken. ‘Tja,’ murmelt hij. ‘Dit is inderdaad wel een iets andere entree dan je gewend bent.’
Ik heb afgelopen weekend wel tien keer voor het pand gestaan om omhoog te kijken. Zittend op het bankje van de bakker op de hoek heb ik zondag wel een half uur naar de gevel zitten staren en het viel me vooral op hoe lelijk die is vergeleken met de rijkere bouw van de tempel waarin ik nu woon. Verschillende keren sprak ik mezelf toe om geduldig te zijn, niet teveel verwachtingen te hebben en de lat niet te hoog te leggen. Maar eerlijk gezegd zonk de moed me al een beetje in de schoenen tijdens de uitputtende klim naar boven en de ontvangst in het smalle gangetje boven. De deur bovenaan de trap geeft toegang tot een smal gangetje.
Maar dan gaat Marc me voor naar de keuken die uitkijkt op de tuinen. De deuren naar het balkon met de uitpuilende bloembakken staan wagenwijd open. De zomerzon wordt gefilterd door een hoge berk en verderop links staat een uit de kluiten gewassen rode beuk te pronken met zijn dichte bladerdek. ‘Wow!’ Ik loop als eerste het balkon op. Zet mijn handen op de balustrade en doe even mijn ogen dicht. Dan terug de keuken in. Die is groot en lijkt in niets op waar ik vandaan kom. Dit is een woonkeuken, tikje Oudhollands, met vitrinekasten in zachtgrijs, een uitgesleten marmeren aanrechtblad en een diepblauw hoogglans geschilderde houten vloer. ‘En dan hebben we hier de pièce de résistance,’ zegt Marc wijzend op een open haard met een beetje oubollige schouw. Ik vraag of die het doet, veilig is, en dat schijnt ie te zijn. ‘Wow,’ hoor ik mezelf weer. In mijn gedachten zie ik mezelf hier al zitten. Samen met Chrissy aan de zondagochtend-kaascroissants, aan de maandagavond-spinazieschotel met gegratineerde kaas – haar lievelingsgerecht sinds jaar en dag. ‘Kom!’ Marc gaat me voor. Terug naar het smalle gangetje en door naar de woonkamer die weliswaar spuuglelijk is ingericht maar waar verder niets mis mee is en waar ik alle kanten mee uit kan. Het Franse balkonnetje aan de straatkant ziet uit op het bankje van de bakker dat nu wordt bezet door de bakkers die zwetend hun ochtendkoffietje zitten te slurpen. Op de twee zitvensterbanken aan weerszijden van de balkondeuren liggen fluffy kussens. En weer zie ik mezelf al zitten. Samen met Chrissy glurend naar het posh zaterdagpubliek in de winkelstraat.
Marc weer: ‘Niet verkeerd toch?’
‘Niet verkeerd!’ Ik zeg nog net niet dat het liefde op het eerste gezicht is tussen mij en dit veel te dure optrekje. Maar het is wel zo. En het is een verliefdheid waar de aftandse badkamer boven niets aan afdoet. Daarbij maakt de slaapkamer boven de keuken, die ook een schouw heeft – en waar ook een open haard gerealiseerd kan worden, hoor ik naast me zeggen – weer alles goed. Ik heb de kamer in mijn hoofd al aan Chrissy toegewezen en dan draai ik me om naar Marc.
‘Dit huis is voor mij!’ Hij lacht, geeft me een hand, noemt de prijs, telt er een bedrag bij op wat ik minimaal nodig heb om een beetje te verbouwen en zegt dat hij het gaat regelen. Er is alleen één maar: deze mensen gaan er pas over drie maanden uit dus ik zal even moeten overbruggen tussen het opleveren van wat opeens ‘mijn oude huis’ is en ‘dit nieuwe huis’ waar ook nog even verbouwd moet worden. Maar daar verzinnen we wel wat op, als ik Marc mag geloven.
Thuis in mijn ‘oude huis’ loop ik mijn bekende rondje door de woonkamer. Hand op de marmeren schouw, blik op de foto van het meisje in het roze balletpakje, omdraaien, langs de salontafel, door de en-suite-deuren, naar de eetkamer, rondje om de eettafel, rechtervoet op het opstapje van de serre, langs de open keuken, omkeren en opnieuw. Met mijn handen op de schoorsteenmantel blijf ik staan. In mijn hoofd maak ik een vergelijking met de schouw in mijn nieuwe woonkeuken. Het contrast kan bijna niet groter zijn. Hoe lang zochten we destijds niet naar dit model in deze kleur marmer? Hugo had het heel scherp voor ogen, wist precies wat hij wilde. De dag dat we deze joekel eindelijk op de kop tikten, was een donkergrijze januaridag. We waren de polder ingereden, naar een groothandel van antieke bouwmaterialen waar de mist nóg dichter was dan in de stad. Die mist was er al dagen aan een stuk. Alsof ik onder een stolpje leefde waar geen ontsnappen aan was. Hugo was goed te spreken op de terugweg, blij dat die verdomde schouw eindelijk van zijn to do lijstje kon worden afgevinkt.
‘Blij?’ vroeg hij toen we de A2 weer opdraaiden. Maar dit was Hugo’s schouw. Zijn keuze, zijn smaak, zijn geld en het huis, – óns huis – zijn project. Ik had van mijn spaarrekening alleen een fors uitgevallen antieke vogelkooi gekocht die ik per se in de serre wilde hebben en het was nog geen sinecure geweest om die erdoorheen te drukken. De kleuren die ik voorstelde voor de muren, waren stuk voor stuk afgeschoten. Hij had voor ogen om er ‘een ziekenhuis’ van te maken, zoals hij dat noemde. Ons huis werd wit, steriel, strak, leeg en ik vroeg me nooit af wat ik daar van eigenlijk vond. Al weet ik bij voorbaat dat mijn nieuwe huis heel anders gaat worden. Kleurrijk, knus en uitpuilend van de vrouwelijke energie.
Ik bel mijn moeder. ‘Ik heb een huis!’ Daarna bel ik mijn zusje, Claire, Suzan, Ruud van de redactie. Telkens opnieuw draai ik in staat van euforie mijn verhaal af en tot slot bel ik Hugo. ‘Er is alleen één maar,’ zeg ik. De overdracht kan op z’n vroegst over drie maanden zijn dus ik zal even moeten overbruggen tussen hier en daar.
‘Daar vinden we wel wat op.’ Hugo en Makelaar Marc zijn het roerend eens. ‘Jullie kunnen natuurlijk altijd even bij mij terecht ter overbrugging.’
Benieuwd hoe het begon?
Klik dan hier voor deel 1.//klik hier voor deel 2.// klik hier voor deel 3. // klik hier voor deel 4. // klik hier voor deel 5. // klik hier voor deel 6. // klik hier voor deel 7. // klik hier voor deel 8. // klik hier voor deel 9. // klik hier voor deel 10. // klik hier voor deel 11. // klik hier voor deel 12. // klik hier voor deel 13. // klik hier voor deel 14. // Klik hier voor deel 15. // Klik hier voor deel 16. // klik hier voor deel 17. // klik hier voor deel 18. // klik hier voor deel 19. // klik hier voor deel 20. // klik hier voor deel 21. // klik hier voor deel 22. // klik hier voor deel 23. // klik hier voor deel 24. // klik hier voor deel 25. // klik hier voor deel 26. // klik hier voor deel 27. // klik hier voor deel 28. // klik hier voor deel 29. // klik hier voor deel 30. // klik hier voor deel 31. // klik hier voor deel 32. // klik hier voor deel 33. // klik hier voor deel 34. // klik hier voor deel 35. // klik hier voor deel 36. // klik hier voor deel 37. // klik hier voor deel 38. // klik hier voor deel 39. // klik hier voor deel 40. // klik hier voor deel 41.
‘We moeten praten,’ is een semi autobiografisch verhaal over radeloos verdriet en verlies, over verlaten worden en bedrogen uitkomen; kortom een verhaal over een huwelijk dat gedoemd is om te stranden. Het is ook een verhaal over opkrabbelen, opnieuw beginnen, fouten maken en vergissingen begaan, onderuitgaan en uiteindelijk over healing. Iedereen die ooit heeft geleden aan een gebroken hart door een verloren liefde zal zich in het verhaal kunnen herkennen en er troost uit kunnen putten. Want hoewel geen enkele scheiding hetzelfde is, zijn de worstelingen en het verdriet wel degelijk universeel.
Geschreven door: Britt Bottelier







