Hoofstuk 33
Het is vandaag 4 juni en dat maakt dat het vandaag op de kop af vijf maanden geleden is dat we moesten praten. Als makelaar Marc voor elkaar bokst wat hij vermoedt – minimaal de vraagprijs scoren – dan hoef ik minder wakker te liggen vanaf nu. De nieuwe foto’s heeft hij zwijgend in ontvangst genomen. Maar wel met de belofte dat hij binnen een paar dagen met een gelikte verkoopbrochure komt. Als we willen kan het huis dan volgende week de markt op. Willen we dat? Ik overleg met Hugo. Ja we willen. Nu de knoop eenmaal is doorgehakt krijg ik haast en mijn fling met Bobby maakt dat ik snak naar een plek waar ik niet meer gestoord kan worden. Een plek van mezelf, blanco en zonder herinneringen. Zonder sporen van een leven dat geweest is. Ik voel me met de dag minder op mijn gemak in deze tempel. Minder veilig en meer op mijn hoede. Ik gebruik alleen de woonkamer/keuken, mijn slaapkamer en de badkamer nog. En nog voel ik me verloren.
Op zoek naar de eigendomsakte en wat andere stukken waar makelaar Marc om vroeg, kom ik in de kast met oude foto’s. Albums uit mijn jeugd, albums van Chrissy ’s eerste jaar, van mijn zwangerschap, van onze eerste vakantie met haar. Ik zie hoe jong we waren en hoe hoopvol ik. Hugo, Chrissy en ik samen op een hotelbed met tussen ons in een cadeau voor haar eerste verjaardag en een cup cake van het dessertbuffet van de avond ervoor met daarop één kaarsje. Te groot en te lomp voor dat kleine cakeje, maar toch. Mijn mond lacht, mijn ogen lachen niet mee. ik herinner me maar al te scherp dat Hugo de avond voor haar verjaardag boos was weggelopen na het eten. Hij voelde zich gevangen, zei hij. Hier had hij geen zin in. Hij had erop aangedrongen om Chrissy op de hotelkamer te laten zodra ze sliep en dan samen de bar van het hotel in te duiken. Dat voelde niet goed voor me. Ik wilde haar niet alleen laten en ik wilde slapen in plaats van aan de bommel te moeten. Hugo voeldezich tekort gedaan Ik dacht dat hij het niet trok om mij te moeten delen met zijn eigen dochter. Toen ik hem ernaar vroeg had hij me aangekeken. Uit de hoogte en onbewogen. ‘Hier heb ik geen zin in!’ Dat was het enige geweest wat er kwam en daar had ik het mee moeten doen. Toen hij eindelijk naar de kamer kwam – de laatste keer dat ik mijn horloge had gekeken was het bijna half 2 geweest – had ik me slapend gehouden. Dat was iets waar ik in de loop van ons huwelijk steeds bedrevener in was geworden. Doen alsof ik sliep terwijl de adrenaline nog volop door mijn lijf gierde en ik vooral hoopte dat hij niets van mij wilde, niets van me moest. Als hij me niet aanraakte, niet tegen me aankroop, ik geen hand op mijn borsten of tussen mijn benen voelde, kwam ik tot rust. Daarna kwam het wachten op zijn regelmatige ademhaling en kon ik eindelijk écht opgelucht ademhalen en gaan slapen.
Hier in die hotelkamer met z’n drietjes gebruikte ik Chrissy als excuus om me hem van het lijf te houden en als ik mezelf toestond daar over na te denken bekroop me een gevoel van onbehagen. Hij toonde zelden genegenheid, liet me nooit genoeg voelen dat hij van me hield. Geen zachtheid, weinig respect. Geen brengen, alleen maar halen. Hij maakte me niet begerig. Nam wat hij nodig had en dat was al gauw meer was dan ik wilde geven of kon missen.
Wat was het moment dat ik me voor het eerst realiseerde dat ik er afkerig van werd om mezelf steeds te moeten pushen om te doen wat er van me werd verlangd? En wanneer was het tot me doorgedrongen dat hij me niet meer geloofde? Dat deze schijnvertoning zo lek als een mandje was geworden en dat het geen zin had om het toneelstukje van ‘ik ook op jou’ nog langer op te voeren?
Wanneer was dat geweest? Was dat al voor die eerste vakantie met z’n drietjes of misschien toch al toen ik zwanger was? Waarom was ik gebleven? Ik schrik ervan als ik mezelf dat hardop afvraag.
‘Waarom ben jij zelf niet weggegaan Britt? Waar ben je gebleven?’ Ik neem mezelf mee naar het moment dat ik Hugo voor het eerst ontmoette. Dat had ik al vaker gedaan als ik twijfelde. Het kost me geen enkele moeite om hem daar weer aan die bar te zien staan. Hoe hij bleef staan om naar me te kijken. Me aansprak met de vraag of ik de prins op het witte paard al was tegengekomen. ‘Nee? Als jij even blijft staan, haal ik dat paard.’ Ik hoorde pas later, later toen we onze tweede date al hadden gehad, dat hij geen onbekende was in de Amsterdamse kunstenaarsscene. Dat hij aanzien genoot en veel geld maakte. Nog weer wat later hoorde ik van zijn beste vriend, de vriend die naast hem had gestaan aan de bar op die bewuste avond dat ik hem tegenkwam, dat hij tegen hem had gezegd dat hij dat meisje – hij bedoelde mij – moest hebben.
‘Dat meisje moet ik hebben.’
Dit meisje liet zich inpakken. Onder de indruk van wat haar overkwam. Onder de indruk van een man van statuur die zich niets te goed voelde voor haar. Zonder morren en met haar hoofd in de wolken had ze zich het hof laten maken.
Binnen een half jaar waren we getrouwd. Het was een gedenkwaardige dag, een kanjer van een feest, een vrolijk en bij vlagen losgeslagen treffen tussen zijn en mijn vrienden, tussen mijn familie en zijn moeder: de enige bloedverwant die hem restte. Alleen de huwelijksnacht – in de honey moon suite van een spuugduur en verrukkelijk hotel op de Herengracht – was minder. Hij zou en hij moest het huwelijk inwijden zoals dat gebruikelijk is. Alleen was hij zo godsliederlijk bezopen dat het een eeuwigheid duurde voordat hij zich eindelijk op zijn zij liet vallen en me met rust liet. De vrolijkheid van die dag had was er niet meer. Die had plaatsgemaakt voor een onbestemd gevoel dat nog het meeste in de buurt van eenzaamheid kwam.
Benieuwd hoe het begon?
Klik dan hier voor deel 1.//klik hier voor deel 2.// klik hier voor deel 3. // klik hier voor deel 4. // klik hier voor deel 5. // klik hier voor deel 6. // klik hier voor deel 7. // klik hier voor deel 8. // klik hier voor deel 9. // klik hier voor deel 10. // klik hier voor deel 11. // klik hier voor deel 12. // klik hier voor deel 13. // klik hier voor deel 14. // Klik hier voor deel 15. // Klik hier voor deel 16. // klik hier voor deel 17. // klik hier voor deel 18. // klik hier voor deel 19. // klik hier voor deel 20. // klik hier voor deel 21. // klik hier voor deel 22. // klik hier voor deel 23. // klik hier voor deel 24. // klik hier voor deel 25. // klik hier voor deel 26. // klik hier voor deel 27. // klik hier voor deel 28. // klik hier voor deel 29. // klik hier voor deel 30. // klik hier voor deel 31. // klik hier voor deel 32.
‘We moeten praten,’ is een semi autobiografisch verhaal over radeloos verdriet en verlies, over verlaten worden en bedrogen uitkomen; kortom een verhaal over een huwelijk dat gedoemd is om te stranden. Het is ook een verhaal over opkrabbelen, opnieuw beginnen, fouten maken en vergissingen begaan, onderuitgaan en uiteindelijk over healing. Iedereen die ooit heeft geleden aan een gebroken hart door een verloren liefde zal zich in het verhaal kunnen herkennen en er troost uit kunnen putten. Want hoewel geen enkele scheiding hetzelfde is, zijn de worstelingen en het verdriet wel degelijk universeel.
Geschreven door: Britt Bottelier







