Ik weet dat ik vast weer de ‘kritische tante’ ben. Die ene die altijd ergens iets van vindt. En misschien ben ik dat ook wel. Maar als we eerlijk zijn, zijn er toch gewoon grenzen? Grenzen aan wat we normaal vinden in de manier waarop kinderen zich gedragen, zeker in gezelschap. En elke keer als ik bij mijn schoonfamilie ben, word ik daar weer pijnlijk aan herinnerd.
Mijn schoonzus Marloes heeft twee kinderen. Allebei pubers, de een 12, de ander 16, en al jaren volkomen vergroeid met hun telefoons. En nee, ik overdrijf niet. Ik bedoel echt: áltijd. Tijdens verjaardagen, kerstdiners, familiebijeenkomsten, een simpele lunch bij oma… het scherm is hun universum. Als ze binnenkomen, zeggen ze niemand gedag. Geen blik, geen hand, geen “Hoi tante Eva, leuk je te zien.” Ze schuiven naar binnen alsof ze onzichtbaar zijn, ploffen neer op de dichtstbijzijnde stoel, trekken hun hoodie over hun hoofd en verdwijnen. Scrollend. TikTok, YouTube, WhatsApp, wie zal het zeggen. Alles lijkt interessanter dan de mensen om hen heen. En Marloes? Die zegt er niets van. Helemaal niets. Sterker nog: als ík iets probeer te zeggen, al is het maar een grapje als “Zijn jullie er ook nog?” of “Even een telefoontje neerleggen voor het eten misschien?”, dan krijg ik een ongemakkelijke blik van haar. Soms zelfs een snauw. Alsof ík de sfeer verpest door iets te zeggen over het feit dat haar kinderen zich gedragen alsof ze in een parallel universum leven.
Mijn schoonmoeder zwijgt ook. Ze is een lieve vrouw, echt waar, maar ze durft niets te zeggen. Bang om “de rust” te verstoren. Dus het blijft stil. Alsof we allemaal met z’n allen hebben afgesproken dat dit normaal is: kinderen die niet groeten, niet meepraten, geen contact maken. Alsof we het allemaal moeten accepteren, want “zo zijn kinderen tegenwoordig”. Maar ik kan het niet. Ik kán het niet normaal vinden dat je als kind een kamer vol familie binnenloopt en niemand groet. Dat je aan tafel gaat zitten en niet eens een poging doet om deel te nemen aan een gesprek. Dat je geen dankjewel zegt als iemand speciaal je lievelingstaart heeft gebakken. Ik ben opgevoed met het idee dat je anderen respecteert. Dat je je best doet om sociaal te zijn, vooral als mensen moeite voor je doen. Dat je oog hebt voor je omgeving.
Ik weet heus wel dat tijden veranderen. Natuurlijk zijn er nieuwe gewoontes, technologie hoort erbij, kinderen groeien anders op. Maar het excuus “ja, dat is nu eenmaal zo” gaat me te makkelijk. Dat is geen opvoeding, dat is loslaten. En als ik eerlijk ben, en dat moet ik hier maar even zijn, dan denk ik dat het Marloes gewoon makkelijk uitkomt. Want als je niets zegt, is er ook geen strijd. Als je toestaat dat je kinderen zich volledig afsluiten, heb je geen discussies over schermtijd, geen boze blikken, geen deuren die dichtgesmeten worden. Rust in huis. Maar tegen welke prijs? Want wat leren die kinderen nou echt? Hoe leren ze omgaan met ongemakkelijke gesprekken? Met beleefdheid, empathie, sociale codes? Hoe leren ze ooit dat het leven niet alleen draait om hun comfortzone?
Laatst hadden we een verjaardagsfeestje voor mijn schoonvader, die 75 werd. Een grote mijlpaal. We zaten met z’n allen aan een lange tafel in een restaurant. De serveerster kwam langs, zette eten neer. Mijn neefje keek nog geen seconde op van zijn telefoon. Toen ik voorzichtig zei: “Zeg, zouden jullie opa niet even feliciteren?” kreeg ik een zucht en een “ja straks” als antwoord. Ik voelde mijn wangen rood worden. Niet van schaamte, maar van woede. En verdriet misschien ook. Want dit is niet zomaar onbeleefd gedrag. Dit is wat er gebeurt als we onze verantwoordelijkheid als opvoeders laten varen. Als we kinderen geen spiegel meer voorhouden. Als we bang zijn om de ‘strenge ouder’ te zijn.
Ik ben me ervan bewust dat ik niet de moeder ben. Dat het niet mijn taak is om haar kinderen op te voeden. Maar ik ben wel familie. En als we als familie elkaar niet meer mogen aanspreken, wat zijn we dan aan het worden? Na het etentje liep ik even met mijn schoonmoeder naar de auto. Ze keek me aan en zei zacht: “Je bedoelt het goed, dat weet ik wel. Maar je moet ze gewoon laten.” Ik knikte. Voor de lieve vrede. Maar vanbinnen dacht ik: misschien is het probleem juist dat iedereen elkaar alleen nog maar ‘laat’.







