Daar is hij weer, hoor!

 

En ik begin me er nu toch een beetje aan te storen.

 

Zou hij het niet weten of zo? Is het hem ontgaan dat hier iemand in quarantaine zit? Dat mijn dochter in het tuinhuis afgezonderd moet blijven en dat zelfs ík – haar bloedeigen moeder!! – nu niet bij haar mag, of met anderen contact mag hebben? Dat ik, met pijn in ‘t hart, de zorg voor haar heb moeten overlaten aan haar vriend, vanaf de allereerste dag dat ze in het tuinhuis zijn gaan slapen.  

 

Ik moet het toch maar weer een keer met hem gaan bespreken, denk ik als ik de deur opendoe en hem voor de zoveelste keer ontvang.  

 

‘Moet je nou elke keer zo vrolijk voor het raam staan?’ vraag ik hem net iets te pissig als ik hem weer binnenlaat. ‘Je weet toch dat jij de enige bent die nu bij haar mag! Kun je dan niet een klein beetje rekening houden met mijn gevoelens? Met mijn moederhart dat bloedt, omdat ik alleen maar door het raam met haar mag communiceren? Dat ik haar niet mag knuffelen als ze het weer heel erg benauwd heeft? Dat ik haar geen kopje thee mag brengen om haar te troosten, en dat ik geen koud washandje op haar voorhoofd mag leggen als de koorts weer stijgt! Het getuigt van weinig inzicht als je dan steeds zo vrolijk hier voor de ramen gaat staan hoor. Sorry dat ik het zeg.’ 

 

Maar hij trekt zich er niets van aan. Hij mompelt iets wat ik niet kan verstaan als hij langsloopt, en hij is vijf minuten later alweer klaar om te vertrekken. Ik weet niet precies wat hij steeds doet hier, en ik wil ook zijn privacy natuurlijk een beetje blijven respecteren, maar ik vind het wel heel lastig dat hij steeds tussen ons huis en het tuinhuis heen en weer hobbelt alsof dit alles hier zíjn eigendom is. Hij is de enige die hier nu op alle plekken mag komen, want hij is namelijk immuun, schijnt het! Hij is dus ook de enige die de poort door mag en in de buitenwereld mag gaan (en staan) waar hij wil. 

 

En het lijkt wel of hij dat er telkens weer een beetje in wil wrijven. Flauw. 

 

En we zijn dol op hem, hoor. Echt! Allemaal! Maar ik vind dit echt niet leuk van hem. Ik geleid hem dus met een zucht weer naar buiten, en roep hem nog iets na ook. Ik kan het toch niet laten.

 

‘Nu dan wel effies wegblijven, hè!’ roep ik hem na. ‘Ik wil je voorlopig nu even niet meer zien hier. Ga maar lekker knuffelen met mijn dochter, maar kom niet steeds laten zien dat jij wel lekker naar buiten mag, en wij niet. Niet steeds voor alle ramen langslopen om te laten zien dat jij mag komen waar je maar wilt, en de hele dag dus naar binnen, naar buiten, naar binnen, naar buiten wilt nu. Want écht… Ik word er nu echt een beetje heel erg moe van nu!’ (Ja, je gaat rare zinnen bouwen als je heel lang binnen zit.)

 

En ik krijg zowaar antwoord. ‘Mauw’, hoor ik als hij weer naar buiten hobbelt. Maar ik weet dat hij over vijf minuten weer voor het raam staat te zeuren dat hij er weer in wil. 

 

Dan wrijft hij het er wéér in dat hij dus lekker eropuit is geweest. Misschien toch tijd voor een kattenluikje dus. Want elke keer dat vrolijke koppie voor het raam dat zo graag naar binnen wil… ik begrijp er niets van. Ik wil juist zo graag naar buiten! 

 

Door: Tineke

Tineke is schrijfster van de boeken “Toch?” en “Stof Genoeg” en ze blogt ook zo nu en dan. Ze woont op het platteland met één (leuke) man, twee (lieve) kinderen, drie (onbespeelde) muziekinstrumenten, vier (wisselende) mantelzorgprojecten, een (bijna) vijfde boek, haar zesde (luie) kat, en (dus) ongeveer zeven muizen.

Afbeelding van Tineke