Bijna een jaar geleden verloor Maarten zijn dochter Sterre. Hoewel ze heel graag wilde, lukte leven haar niet. Vorig jaar werd haar de euthanasie “gegund”. Voor Franska schrijft hij over zijn onmetelijke liefde voor zijn dochter, haar leven en haar overlijden.
Maarten van der Starre
De zomer begint vroeg dit jaar, al in april is het aangenaam warm. Onze jongens hebben onlangs het achterterras opnieuw bestraat. Een fijne hoek in de tuin waar we tot rust komen. Op de loungeset is het daar heerlijk toeven. Liesbeth met een colaatje, ik met een goed glas wijn en een rijk gevulde borrelplank tussen ons in. Twee musjes laag in de boom kwetteren er op los. Dat één van onze poezen naar ze zit te loeren, daar trekken ze zich niets van aan. Vast lentekriebels. Hun drukke gekwebbel geeft de middag een aanstekelijke vrolijkheid. Die kunnen we wel gebruiken.
Liesbeth heeft het zwaar. Verdriet. Veel verdriet. Ze weet niet hoe ze verder moet. Zonder Sterre. Ze rouwt intens. Ik rouw ook. Het verdriet zien bij de ander is moeilijk. Je wilt het oplossen. Maar dat kun je niet. Er is weinig dat je hart zo breekt als iemand van wie je intens veel houdt te zien rouwen om iemand van wie je net zo intens veel houdt. Hoe vaak kan je hart eigenlijk breken? Valt het nog wel te lijmen? Zoveel scherven. Is daar wel genoeg lijm voor?
‘Ik zou zo graag een teken krijgen. Iets voelen. Dat ik weet dat het goed is met Ster,’ Liesbeth zegt het zacht. Op de laatste avond voor de euthanasie had Sterre symbolisch een vlinder benoemd. Maar dan wel een blauwe. En die zijn er zo verdomde weinig. Aan een aantal vriendinnen beloofde ze iets anders. Dat als ze iets stoms zouden doen er een vogel op hun hoofd zou poepen. Dan weten ze direct dat Sterre er iets van vindt. Net als dat ze in haar leven altijd ongevraagd advies gaf. Altijd ergens iets van vond.
Door de open tuindeur piept een ballon naar buiten. Bij Sterres levensgrote foto naast de tuindeur zweven drie heliumballonnen. Twee gouden hartjes en een grote gouden ster. De ballonnen stonden een week geleden op een lege stoel bij het huwelijk van Sterres broer Tom en zijn mooie Sophie. Die sterballon waait naar buiten. Het lint aan een gewichtje voorkomt dat hij kan gaan vliegen. Liesbeth loopt ernaartoe. Ze trekt de ballon weer naar binnen en strikt een extra knoopje. Voor de zekerheid.

Liesbeth komt weer naast me zitten. De borrelplank even opzij. ’Ik zoek te hard, denk ik. Dat hoor je toch altijd. Dat als je te hard zoekt, je het niet ziet. Wonderen gebeuren alleen als je het niet verwacht. Niet als je het te graag wilt.’ Liesbeth kijkt me vragend aan alsof ik weet hoe wonderen werken. ‘Kijk nou.’ Ik wijs naar de tuindeur. De sterballon schiet voor de tweede keer naar buiten. Liesbeth loopt er weer naar toe. Nu op een holletje. Net voordat ze bij de tuindeur is, raakt de ballon los. Ze probeert hem nog te pakken, maar het lint vlindert door haar vingers. De gouden ster is te vlug en schiet een boom in. Even aarzelt de ballon. Dan vliegt hij door. Nu de boom met de musjes in. Het lange lint verstrikt in de takken. Direct probeert de wind hem weer los te trekken. Maar de ballon zit vast. Het lijkt of hij nog geen afscheid wil nemen. Of zij? Ik neem Liesbeth in mijn armen. ‘Ik had hem echt heel goed vastgeknoopt,’ fluistert ze. Plots draait de ballon om zijn as. In één ruk schiet hij los. Vrolijk wiegend op de wind zweeft hij omhoog. Steeds hoger en hoger. Terwijl Sterres liefde ons hart voorzichtig heelt, verdwijnt de gouden ster langzaam in de geelrode gloed van de zon.





