Geeltje en zijn huppeltje

Wieke organiseert zelf wel lol in de file.

 

Vorige week vrijdag stond ik in een enorme file, op weg naar huis vanaf de Libelle Zomerweek. Je kunt je opwinden over files, maar dat deden andere mensen vóór, naast en achter me al. Wat een opgefokte idioten rijden er zoal over onze prachtige, geasfalteerde wegen. Ik zou ze best voor straf een stukje van 100 kilometer over een met gapende kraters gesierde Zambiaanse weg willen laten rijden.

 

Ik had en heb me voorgenomen om me nooit meer gek te laten maken op de weg. Over een afstand waar ik normaal een uur en twintig minuten over doe, moest ik nu drie uur lang zingen en mezelf bezighouden. Zingen ja, want mijn autoradio is kapot. Dan moet je iets. Best leuk, want ik zong ineens liedjes die ik zestig jaar geleden op school leerde. Tot en met psalmen aan toe. Met dat zingen bezorg je jezelf zoiets als Andere Tijden, elk liedje bracht leuke herinneringen boven. Heel onderhoudend. Om me heen kijkend viel het me op dat er met dit mooie weer zoveel open sportauto’s verschijnen.  Met – echt – alleen kale ouwe kerels erin. Dan zetten ze een pet op, of ze hebben een toupet. Eén zo’n open auto vond ik het einde. (Wel even die bestuurder met toupet en een Trumpmondje weggedacht.) Knalgeel. Wat zou ik die graag hebben. ‘Wil je dat echt?’ vroeg ik mezelf. Ik moest dat zelf wel vragen, omdat er niemand anders in mijn auto zat om mee te praten. ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘niet echt’. ‘Waarom niet?’ ‘Omdat het instappen wel zal lukken, maar het uitstappen niet.’ Ik zweeg even en gaf mezelf gelijk.

 

 

Geeltje scharrelde ondertussen neurotisch van baan 1 naar 2 naar 3 en vice versa. Gevaarlijk. En rechts inhalen natuurlijk. Na 4 kilometer sukkelen, stonden we weer naast elkaar, Geiltje en ik. Pardon. Geeltje. Vergiste ik me zomaar. Naast Geeltje zat een veel jonger huppeltje, met zonnebril en sjaaltje, want het waait best hard in zo’n open auto. Ik opende mijn rechterportierraampje en riep: ‘Lekker opgeschoten hè, meneer?’ Hij stak zijn middelste worstenvinger op. Zijn andere worstenhand rustte op de dij van Huppeltje.

 

 

Zo’n gek verdient toch die leuke gele auto niet? Maar toen grepen de weergoden in. Van de ene minuut op de andere begon het keihard te regenen. Geeltje kreeg zo snel het dak niet omhoog, hahaha.  We stonden muurvast in drie dikke rijen. Daar zat hij dan met zijn verweekte toupet en Huppeltjes sjaaltje droop. Bij de eerste de beste opening manoeuvreerde hij zijn auto naar de vluchtstrook. En toen zag ik hem niet meer.  Zou het nog aan zijn met Huppeltje? 

 

 

Door: Wieke Biesheuvel

 

Wieke Biesheuvel werkte en woonde zes jaar in Zambia, is nu voorgoed terug en probeert het Nederlandse leven weer onder de knie te krijgen. Waarbij ze beurtelings verbaasd, boos, dolgelukkig, verward of blij is.