wieke over ontplofte sigaren, bommetjes maken en Nijlpaarden

 

‘Ik gooide mezelf over mijn eigen grenzen heen het bad in. Jemig, wat deed dat zeer aan mijn neus.’

 

Mijn eerste bommetje in dit leven ontplofte op mijn dertiende verjaardag in de brugklas (vroeger de eerste klas geheten). Toen trakteerde je nog als je jarig was, iets wat je in de tweede klas niet meer in je hoofd haalde. Mijn vader bracht me met de auto, omdat het onhandig fietsen was met een dienblad vol lolly’s. Hij zou me ook ophalen. Sigaren mee voor de leraren (die vroeger nog rookten in de klas). In de pauze bedachten we dat het geinig zou zijn om een klappertje in de sigaar voor Goofy, de geschiedenisleraar, te stoppen. Hoe we aan het klappertje kwamen weet ik niet meer, maar Fred, de leukste jongen van de klas had er eentje en wurmde het in de sigaar. En Goofy die sigaar maar niet aansteken tijdens ons laatste lesuur. Zo jammer, nu zouden we de ontploffing niet meemaken. De bel ging. Mijn vader kwam de school inlopen (het was vroeger ook zijn school). Goofy stond op de gang en knoopte een praatje aan met mijn vader. En mijn vader, hel en verdoemenis, gaf hem een vuurtje. Na een paar trekjes: BOEM. Goofy schrok, gooide de sigaar op de grond en trapte hem dood. Mijn vader gaf me in het bijzijn van Goofy en klasgenoten bulderend op mijn donder en trok mij en het dienblad mee de school uit. Zaten we in de auto, ik voor mijn doen nogal timide, proestte mijn vader het ineens uit: ‘Hahahaha, dat gezicht van meneer Bovenberg! Maar dit flik je nooit meer hè?’ Nee pap, tuurlijk niet.

 

Afgelopen zaterdag deed ik mijn tweede bommetje. Laat ik nog nooit een bommetje hebben gemaakt in het water? Ik voelde noch de aanvechting, noch de noodzaak. Bommende jongens vond ik hinderlijk. Wij hebben een stokoud zwembad. Heel bejaard Mook schijnt er vroeger zwemles te hebben gehad. Wij zaten echt niet op dat bad te wachten, maar het was er al. Nu denken we vaak: wat een kreng. Na elke winter moet het schoongemaakt worden.

 

We laten het leeglopen in de tuin en halen daarna emmers vol blubber naar boven, want ons bad ligt onder een rij beukenbomen. Beuken spugen het hele jaar door dingen uit: vliesjes, beukennootjes, bladeren, takken. Daarna moet het bad worden geschrobd. Vervolgens is er altijd iets kapot. De thermostaat, de pomp, de zus en de zo. Je hebt meer last dan gemak van dat bad, maar het opdoeken kost goudgeld. 

 

De kinderen en kleinkinderen kwamen en dat maakte alle inspanningen weer goed. Iedereen sprong het water in. Ik wilde ook, maar toen was het trapje weg. Man stond dat te repareren (trapje kapot). ‘Spring er toch in mam, hoe moeilijk kan het zijn!’ riepen de kinderen. En scandeerden: bóm-me-tje, bóm-me-tje! Ik gooide mezelf over mijn eigen grenzen heen het bad in. Jemig, wat deed dat zeer aan mijn neus. Dat was eens maar nooit weer. Al zou je kunnen zeggen dat 71 jaar het nieuwe 21 is. Want ik vind het wel erg jong staan, een bommetje maken. Weten jullie wie fantastische bommetjes maken met hun gemiddelde 1500 kilo? Nijlpaarden. Ik laat het voortaan graag aan hen over.

 

 

Door: Wieke Biesheuvel

Wieke Biesheuvel werkte en woonde zes jaar in Zambia, is nu voorgoed terug en probeert het Nederlandse leven weer onder de knie te krijgen. Waarbij ze beurtelings verbaasd, boos, dolgelukkig, verward of blij is.

Afbeelding van Wieke Biesheuvel