Waarom het heel goed is om in dialect te praten

 

Ik spreek heel saai, gewoon simpel, normaal Nederlands. Ik woon al heel wat jaren in Amsterdam, maar om nou te zeggèh da ik met un plat akzentie lekker Mokums prâht? Neuh.

 

Toch had ik mij beter wél kunnen focussen op die dialecten, want het zou best goed zijn voor je brein, blijkt. Mensen die meer talen beheersen, hebben een flexibeler brein en zijn beter bestand tegen het ontwikkelen van alzheimer. Dat was al langer bekend, maar onlangs is ontdekt dat dit dus óók geldt voor mensen die in een streektaal praten. Dat boerse Brabants of dat nukkige Fries: het is zo onhandig nog niet. Al verstaat geen hond in de Randstad je: jouw brein is tenminste fit. En dat allemaal door je eigen, lieve taaltje uit je hometown.

 

Mensen die twee of meer talen beheersen óf dus in dialect praten, hebben betere ‘executieve functies’. Dat is een begrip uit de neuropsychologie, maar die functies houden in dat je beter bent op het gebied van aandacht vasthouden, het vermogen impulsen te onderdrukken, het maken van plannen, problemen oplossen en het onthouden van dingen. Je beheerst namelijk het vermogen om je te verwoorden in een andere taal dan waarin je denkt of droomt. Toch niet geheel onbelangrijk in je carrière en je privéleven, toch? Tweetalige kleuters scoren al beter op allerlei IQ-testjes en en ouderen worden maar liefst vier jaar later dement als ze een dialect of een vreemde taal vloeiend spreken. Het komt door wat ze noemen ‘code switching’: je wisselt eigenlijk in je hoofd steeds tussen die talen. Gebeurt ook als je ergens bent en Engels praat, zeg maar. Je vertaalt en zoekt razendsnel naar woorden in je brein, meestal wordt daar Boca’s gebied voor gebruikt, waar je taalvermogen in zit. Als je jezelf dit ongemerkt aanleert, wordt je brein met de dag fitter en sneller.

 

Ik vind het juist wel eens leuk, want in dialect spreken staat niet zo hoog in aanzien. We lachen er een beetje om. We stamelen: ‘Wat zeggie?’ als we iemand uit het oosten van het land horen raaskallen. We snappen uitdrukkingen niet van de Brabanders als ‘agge mar leut het’ of ‘Da’s een skon plaaike’, en nou ja, we vinden dat vooral grappig als het carnaval is, maar de rest van het jaar niet zo. We drammen door dat we allemaal braaf Hollands moeten spreken, zodat we in twaalf provincies keurig begrepen worden. Nou, niet dus: omarm je roots. Praat met je moeke of je pake lekker plat.

 

En als je nou net als ik heel boring totaal geen enkel dialect hebt: niet getreurd. Je kunt altijd nog een lesje Latijn nemen, al zal al helemaal niemand je begrijpen als je daarin hardop praat. Zelfs niet in Brabant.

 

Bron: De Kennis van Nu

 

 

Door: Tessa Heinhuis