‘Waarom ben jij zelf niet weggegaan Britt?’

Lees hier deel 31 tot 40 van het feuilleton ‘We moeten praten’

we moeten praten feuillton

Hoofdstuk 31

‘Wat is er met jou aan de hand?’ vraagt Chrissy.

‘Wat zou er zijn? Niets. Hoezo vraag je dat?’

‘Je bent zo vrolijk.’

Sinds gisteren is alles anders. De mist van maanden is opgetrokken en ik kan me niet heugen wanneer de laatste keer was dat ik me zo goed voelde. Was ik ooit eerder in mijn leven net zo hotel de botel van iemand? Zo’n intens gevoel van verliefdheid dat ik nergens anders meer aan kan denken? Als ik mijn ogen dichtdoe kan ik hem nog steeds ruiken, voelen. Zijn handen op mijn rug en om me heen, hoe hij zoende, zijn ogen die me kalm en bijna nadenkend observeerden. Er was geen moment van ongemak, geen greintje schaamte. We waren. Samen. Zonder veel woorden, zonder opsmuk. Bij het weggaan had hij me nog een hand gegeven. ‘Ik ben Bobby by the way. Of had ik me wél aan je voorgesteld?’ Bobby. Behalve dat hij fotograaf is heb ik geen idee van Bobby. Dat hij jonger is dan Hugo staat vast, maar hoeveel precies en of hij ook jonger is dan ik? ‘Mag ik je bellen?’ had hij toch gevraagd.

‘Mamma! Jezus waar zit jij? Je hoort me niet eens!’

Ik zeg sorry en vraag wat er met haar is.

‘Zie je wel? je hebt er geen woord van gehoord. Echt waar mam!’

Ik zeg weer sorry en verzeker haar dat ik er weer ben.

‘Vakantie! Ik vroeg dus wat we gaan doen met de vakantie? Het is al bijna zo ver en we hebben nog niet eens plannen. Pappa wil een weekje met me naar Ibiza zegt hij.’

‘Ibiza? Goh. Leuk. En wanneer is dat?’

‘Dat moeten we dus nog boeken maar eerst wil ik weten wat wij gaan doen en wanneer we gaan.’

Het onderwerp vakantie spookt al ongeveer door mijn hoofd sinds de dag dat Hugo zei dat we moesten praten. Telkens als het weer oppopt druk ik het resoluut de kop in. Ik weet niet meer beter dan dat vakantie met z’n drieën is – of met z’n zessen als de reis richting de Alpen gaat. Een paar keer ben ik een lang weekend met Hugo alleen weggeweest maar als ik het voor het kiezen had was Chrissy er altijd bij. Chrissy werkte als katalysator. Door haar bleef Hugo betrokken, bleef hij deelnemen en was er altijd een gesprek, voor haar deed hij zijn best en door haar aanwezigheid op onze hotelkamer kon ik rustig gaan slapen in plaats van te moeten. Zijn niet te stillen honger naar seks en nóg meer seks en dat ik daar, hoe hard ik er ook mijn best voor deed, niet aan kon – en eigenlijk ook niet wilde – beantwoorden, was de eerste barst in onze relatie. Begonnen als een klein sterretje dat misschien nog wel gelijmd had kunnen worden, ontstond er uiteindelijk toch een scheurtje dat steeds verder omhoog kroop. Net zo lang totdat hij me steeds vaker en steeds langer met rust liet. Net zo lang totdat hij zijn heil buiten de deur zocht en hij mij niet meer nodig had om zijn honger nog meer te stillen. Zo moet het gegaan zijn en dat drong nog maar pas geleden tot me door toen ik ’s avonds in mijn bed stapte en voelde hoe fijn het was dat hij er niet meer is om me lastig te vallen.

‘Vakantie! Ja natuurlijk gaan we met vakantie. Ik zat te denken dat het misschien leuk is om naar een soort Club Med te gaan? Een club waar jij andere kinderen kunt ontmoeten? De Club Robinson is misschien een beter idee omdat die Duits is? Duits is toch net iets minder ingewikkeld dan Frans voor je. Zullen we eens kijken wat er is?’

Met ons bord op schoot en de laptop voor ons op het lage tafeltje besluiten we die avond voor Kreta. Volgens het profiel van die club komen er niet alleen gezinnen maar ook singles – al dan niet met kind of kinderen. Ik loop nog niet warm maar weet ook niet echt een alternatief.

‘Zullen we meteen de eerste weken van de vakantie boeken?’

’s Avonds bel ik Hugo om onze plannen te bespreken.

‘Kreta?’ vraagt hij. ‘Ik dacht dat jij niet zo van Griekenland was?’

‘Tegenwoordig is alles anders lijkt het wel. En voordat ik het vergeet. Heb je de nieuwe foto’s al gezien?’ Ik voel mijn hartslag versnellen als ik het uitspreek en op een rare manier bekruipt me ook het gevoel dat ik iets doe, iets gedaan heb, wat niet in de haak is. Een sentiment dat haakt aan bedrog, aan vreemdgaan.

‘Nog niet. Denk je dat hij goed was?’

‘Ik denk dat hij goed was ja.’

Als ik hem weggedrukt heb herhaal ik zachtjes wat ik net tegen hem zie, dat tegenwoordig alles anders lijkt te zijn. ‘En eigenlijk ben je een grote prutser in bed, Aardeman. Je bakt er niks, maar dan ook helemaal niks van en bent alleen maar met jezelf bezig.’ Als ik even later de vakantie boek twijfel ik heel even, maar dan ook echt maar heel even, over de bankrekening waarmee ik zal aanbetalen. Terugdenkend aan de puinhoop van Hugo’s administratie vraag ik me af hoe vaak hij zijn afschrijvingen checkt. Als hij die al checkt. ‘Per slot van rekening zijn we ook nog getrouwd, dus waarom niet?’ En dan gaat mijn mobiel. Hoewel het een onbekend nummer is neem ik op alsof ik door de duvel achterna gezeten word, zo snel.

‘Ha die Britt. Bobby hier.’

‘Hey.’ Klonk ik onnozel? Bakvisachtig? ‘Ik heb veel aan je moeten denken Bobby!’ ik voel  geen enkele reden om niet gewoon uit te spreken wat ik ervan vind.

‘Likewise darling.’ Hij had me op darling. Ik voel me van binnen warm worden en moet diep inademen om genoeg lucht te krijgen.

‘Je bent leuk,’ schutter ik.

‘Dito,’ maakt hij er dit keer van.

Ik vraag of hij zomaar belt. Of hij de foto’s al heeft. Of hij…

‘Zal ik ze even langsbrengen?’

‘Nu?’

‘Nu.’

Ja. Ja zeker.’

‘Tot zo Britt. Half uurtje hooguit.’

 

Hoofdstuk 32

Nog voor dat we elkaar goed en wel begroet hebben staan we te zoenen in het tochtportaaltje bij de voordeur. Uit angst om Chrissy wakker te maken en te worden betrapt, neem ik Bobby mee naar Hugo’s kantoor in het souterrain. Zijn foeilelijke tweezits designerbankje dat ik altijd heb vervloekt, staat daar nu alsof het nooit ergens anders voor bedoeld was. We vrijen behoedzamer dan gisteren.

‘Alle Jezus, wat ben jij lekker.’ Ik zou er aanstoot aan kunnen nemen om lekker te worden genoemd, maar ik zie er geen enkele reden voor.

‘Wie heeft jou ingewijd in de liefde?’ wil ik weten.

‘Ingewijd? Grappig. Je bedoelt wie mij geleerd heeft hoe een vrouwenlichaam in elkaar zit? Want daar zit ‘m de clou.’

Ik knik.

‘Ze was mijn lerares Frans op de middelbare school. Getrouwd, bloedmooi en zo geil als boter. Ik was niet de enige van de jongens op school die het met haar deed. Als ze net zo goed les had gegeven in de klas zou ik nu vloeiend Frans spreken, maar halverwege het vierde jaar bleef ze op een dag weg. Ontslagen hoorden we later.’

‘Ik ben haar nu al dankbaar.’ Ik verberg mijn hoofd in zijn nek en klem mijn armen stevig om hem heen. Hij laat me voorgaan naar het hoogtepunt en houdt mijn hoofd met twee handen vast als hij volgt terwijl hij me blijft aankijken. Zijn blik eerst ernstig en daarna zacht. Hij glimlacht, net als gisteren. Ik glimlach terug, net als gisteren. Naast elkaar op Hugo’s foeilelijke tweezitter kijken we naar eindeloze stapels papieren en paperassen.

‘Ik had het al gehoord,’ zegt Bobby.

‘Gehoord wat?’

‘Dat je man goed gedijd bij chaos.’

Ik ga rechtop zitten. ‘Hoe ken jij Hugo eigenlijk?’

‘Ik ken hem niet echt. Fransje is mijn zus, vandaar.’

‘Fransje?’ Fransje is wat Hugo consequent zijn winkelmeisje noemt. ‘Je meent het.’

‘Ik meen het.’ Hij lacht en staat op. Pakt de envelop die hij bovenop zijn jas op Hugo’s stoel had gelegd. ‘Foto’s. Daar begon dit allemaal mee.’ Hij haalt ze uit de envelop en wil ze op de vloer gaan uitstallen maar ik hou hem tegen. Ik word opeens onrustig.

‘Kom. We gaan naar boven naar de keuken. Weg uit dit hol en ook iets drinken toch?’

Hij veegt de foto’s weer bij elkaar tot een stapeltje, raapt zijn spullen bij elkaar en volgt me de trap op door de woonkamer naar de keuken. Als ik een glas voor hem heb ingeschonken hoor ik de voordeur. Ik voel een golf van paniek opkomen. Het bloed stuwt naar mijn hoofd. Ik krijg het warm. Bobby kijkt me vragend aan.

Hugo komt fluitend binnen. Eerst verbaasd om ons te zien en dan argwanend.

‘Kennen wij elkaar?’ Hij geeft Bobby niet eens een hand om zich voor te stellen, maar Bobby blijft in zijn rol.

‘Nu wel. Ik ben Bobby en ik kwam de foto’s even laten zien. Dankjewel voor de opdracht trouwens.’

Hugo staat in dubio. Hij is argwanend en nieuwsgierig tegelijk.

‘Ook iets drinken?’ Ik heb mezelf weten te herpakken. Ik pak een glas en schenk in. Bobby haalt de foto’s weer uit de envelop en begint ze uit te stallen op het aanrechtblad. Ons huis, mijn huis, ontvouwt zich beeld voor beeld en neemt ons mee naar alle etages, elke kamer. Soms in perspectief, een ander keer in close up. Ik let op Hugo, probeer zijn reactie te peilen.

‘Oh,’ zegt hij alleen maar.

‘Oh?’ Grappig om te zien hoe Bobby zich niet van de wijs laat brengen.

‘Hier moeten we deze hut toch mee kunnen verkopen lijkt me. Niet slecht jongen. Je zus heeft niets teveel gezegd.’

‘En jij?’ Bobby kijkt me recht aan. ‘Ook tevreden?’

‘Blij mee! Hartstikke blij. Behalve voor de makelaar heb je ook een prachtig document van dit huis voor ons gemaakt.’ Ik voel hoe de emoties zich samenpakken ter hoogte van mijn borst en langzaam omhoog kruipen langs mijn keel naar de sinussen. Ik zou met gemak kunnen huilen opeens. Moet zelfs een grote slok nemen om de tranen te bedwingen.

‘Echt mooi.’ Mijn stem klinkt alsof hij op het punt staat te breken. Hugo loopt om het keukenblad heen naar me toe. Hij slaat zijn armen om me heen. Kort en stevig. Alsof hij me komt troosten. Maar troostrijk voelt dit allesbehalve. Dit heeft er alle schijn van dat hij tegen een paaltje aan staat te pissen. Zijn territorium, zijn vrouw. Ik schraap mijn keel en maak me van hem los. Hugo heeft ons overgenomen, zoals alleen Hugo dat kan. Ik voel me tekortschietend en tekortgedaan, niet op mijn gemak, op mijn hoede, uit het lood geslagen, klein gemaakt. Dit is wat Hugo met mij kan doen. Dit is waar hij goed in is. Bobby reikt naar zijn jas.

‘Ik laat jullie alleen. Fijn dat de reportage naar tevredenheid is.’ Ik loop achter hem aan om hem uit te laten. Bij de voordeur hoor ik mezelf ‘sorry’ mompelen. Hij kijkt me aan en pakt mijn hoofd even vast zoals hij eerder ook al deed. ‘Hij zou sorry moeten zeggen maar als ik dat zo inschat gaat hij dat niet doen.’

Terug in de keuken zit Hugo doodgemoedereerd aan de wijn. Pissig zeg ik dat hij echt niet meer zomaar binnen moet vallen.

‘Hoezo? Heb je iets te verbergen?’

‘En wat dan nog als ik dat had Hugo? En wat dan nog?’

 

Hoofstuk 33

Het is vandaag 4 juni en dat maakt dat het vandaag op de kop af vijf maanden geleden is dat we moesten praten. Als makelaar Marc voor elkaar bokst wat hij vermoedt – minimaal de vraagprijs scoren – dan hoef ik minder wakker te liggen vanaf nu. De nieuwe foto’s heeft hij zwijgend in ontvangst genomen. Maar wel met de belofte dat hij binnen een paar dagen met een gelikte verkoopbrochure komt. Als we willen kan het huis dan volgende week de markt op. Willen we dat? Ik overleg met Hugo. Ja we willen. Nu de knoop eenmaal is doorgehakt krijg ik haast en mijn fling met Bobby maakt dat ik snak naar een plek waar ik niet meer gestoord kan worden. Een plek van mezelf, blanco en zonder herinneringen. Zonder sporen van een leven dat geweest is. Ik voel me met de dag minder op mijn gemak in deze tempel. Minder veilig en meer op mijn hoede. Ik gebruik alleen de woonkamer/keuken, mijn slaapkamer en de badkamer nog. En nog voel ik me verloren.

Op zoek naar de eigendomsakte en wat andere stukken waar makelaar Marc om vroeg, kom ik in de kast met oude foto’s. Albums uit mijn jeugd, albums van Chrissy ’s eerste jaar, van mijn zwangerschap, van onze eerste vakantie met haar. Ik zie hoe jong we waren en hoe hoopvol ik. Hugo, Chrissy en ik samen op een hotelbed met tussen ons in een cadeau voor haar eerste verjaardag en een cup cake van het dessertbuffet van de avond ervoor met daarop één kaarsje. Te groot en te lomp voor dat kleine cakeje, maar toch. Mijn mond lacht, mijn ogen lachen niet mee. ik herinner me maar al te scherp dat Hugo de avond voor haar verjaardag boos was weggelopen na het eten. Hij voelde zich gevangen, zei hij. Hier had hij geen zin in. Hij had erop aangedrongen om Chrissy op de hotelkamer te laten zodra ze sliep en dan samen de bar van het hotel in te duiken. Dat voelde niet goed voor me. Ik wilde haar niet alleen laten en ik wilde slapen in plaats van aan de bommel te moeten. Hugo voeldezich tekort gedaan Ik dacht dat hij het niet trok om mij te moeten delen met zijn eigen dochter. Toen ik hem ernaar vroeg had hij me aangekeken. Uit de hoogte en onbewogen. ‘Hier heb ik geen zin in!’ Dat was het enige geweest wat er kwam en daar had ik het mee moeten doen. Toen hij eindelijk naar de kamer kwam – de laatste keer dat ik mijn horloge had gekeken was het bijna half 2 geweest – had ik me slapend gehouden. Dat was iets waar ik in de loop van ons huwelijk steeds bedrevener in was geworden. Doen alsof ik sliep terwijl de adrenaline nog volop door mijn lijf gierde en ik vooral hoopte dat hij niets van mij wilde, niets van me moest. Als hij me niet aanraakte, niet tegen me aankroop, ik geen hand op mijn borsten of tussen mijn benen voelde, kwam ik tot rust. Daarna kwam het wachten op zijn regelmatige ademhaling en kon ik eindelijk écht opgelucht ademhalen en gaan slapen.

Hier in die hotelkamer met z’n drietjes gebruikte ik Chrissy als excuus om me hem van het lijf te houden en als ik mezelf toestond daar over na te denken bekroop me een gevoel van onbehagen. Hij toonde zelden genegenheid, liet me nooit genoeg voelen dat hij van me hield. Geen zachtheid, weinig respect. Geen brengen, alleen maar halen. Hij maakte me niet begerig. Nam wat hij nodig had en dat was al gauw meer was dan ik wilde geven of kon missen.

Wat was het moment dat ik me voor het eerst realiseerde dat ik er afkerig van werd om mezelf steeds te moeten pushen om te doen wat er van me werd verlangd? En wanneer was het tot me doorgedrongen dat hij me niet meer geloofde? Dat deze schijnvertoning zo lek als een mandje was geworden en dat het geen zin had om het toneelstukje van ‘ik ook op jou’ nog langer op te voeren?

Wanneer was dat geweest? Was dat al voor die eerste vakantie met z’n drietjes of misschien toch al toen ik zwanger was? Waarom was ik gebleven? Ik schrik ervan als ik mezelf dat hardop afvraag.

‘Waarom ben jij zelf niet weggegaan Britt? Waar ben je gebleven?’  Ik neem mezelf mee naar het moment dat ik Hugo voor het eerst ontmoette. Dat had ik al vaker gedaan als ik twijfelde. Het kost me geen enkele moeite om hem daar weer aan die bar te zien staan. Hoe hij bleef staan om naar me te kijken. Me aansprak met de vraag of ik de prins op het witte paard al was tegengekomen. ‘Nee? Als jij even blijft staan, haal ik dat paard.’ Ik hoorde pas later, later toen we onze tweede date al hadden gehad, dat hij geen onbekende was in de Amsterdamse kunstenaarsscene. Dat hij aanzien genoot en veel geld maakte. Nog weer wat later hoorde ik van zijn beste vriend, de vriend die naast hem had gestaan aan de bar op die bewuste avond dat ik hem tegenkwam, dat hij tegen hem had gezegd dat hij dat meisje – hij bedoelde mij – moest hebben.

‘Dat meisje moet ik hebben.’

Dit meisje liet zich inpakken. Onder de indruk van wat haar overkwam. Onder de indruk van een man van statuur die zich niets te goed voelde voor haar. Zonder morren en met haar hoofd in de wolken had ze zich het hof laten maken.

Binnen een half jaar waren we getrouwd. Het was een gedenkwaardige dag, een kanjer van een feest, een vrolijk en bij vlagen losgeslagen treffen tussen zijn en mijn vrienden, tussen mijn familie en zijn moeder: de enige bloedverwant die hem restte. Alleen de huwelijksnacht – in de honey moon suite van een spuugduur en verrukkelijk hotel op de Herengracht – was minder. Hij zou en hij moest het huwelijk inwijden zoals dat gebruikelijk is. Alleen was hij zo godsliederlijk bezopen dat het een eeuwigheid duurde voordat hij zich eindelijk op zijn zij liet vallen en me met rust liet. De vrolijkheid van die dag had was er niet meer. Die had plaatsgemaakt voor een onbestemd gevoel dat nog het meeste in de buurt van eenzaamheid kwam.

 

Hoofdstuk 34

Ons huis is nog niet eens officieel op de markt of Makelaar Marc belt al om de eerste kijkers aan te kondigen. Het zijn ‘very special clients’ die specifiek op zoek zijn naar een familiehuis in deze buurt en ons huis zou wel eens een regelrechte bingo kunnen zijn. Hebben we er bezwaar tegen als deze specials voor de troepen uit komen om te bezichtigen? Dat zou dan al snel kunnen. Morgen bijvoorbeeld?

Ik zeg dat ik moet overleggen, wat ik stantepede doe.

‘Wat denk jij?’ vraagt Hugo die meteen opneemt. Wat ik denk? Vraagt hij nou opeens wat ik ervan vind?

‘Was jij het niet die altijd zegt dat een goed koopman los moet zijn?’

Hij lacht. Even later bel ik Makelaar Marc die kirt van vreugde bij zoveel medewerking. ‘Wat goed joh! Super! Uur of elf morgenochtend oké?’ Hij heeft alleen onze sleutel nog niet, dus als ik het niet héél erg vind, zou ik dan de deur open kunnen doen?

Tien minuten eerder dan afgesproken wordt er de volgende dag aangebeld door een man van dik in de veertig, grijzend bij zijn slapen, tanden net iets te fanatiek gebleekt, strak in het pak en dikke Rolex om zijn pols die niet te missen valt omdat hij er – time is money schat ik hem zo in – non stop omstandig op kijkt. Zijn vrouw is jong. Erg jong, erg blond, erg bruin en graatmager. Behangen met goud, balancerend op torenhoge stiletto’s, gehuld in een loeistrak jurkje dat tot net tot onder haar afgetrainde billen reikt en met aan haar rechterarm een designertas waar ik hoogstwaarschijnlijk een week uitbundig van op vakantie zou kunnen.

‘Makelaar is er nog niet?’ vraag de man met zijn blik op zijn Rolex.

‘Makelaar is er nog niet, maar kom binnen.’ Ik stel me voor. Hij ook, al heb ik niet verstaan wie er voor me staat. Zij houdt het bij een slap handje en een ‘hi’. ‘Zullen we maar doorlopen?’ hoor ik mezelf zeggen. ‘Want hier staan we ook maar te staan.’ Ik ga ze voor naar de kamer en daarna naar de keuken en vraag of ze koffie willen, maar dat wil hij niet –  zij onthoudt zich van commentaar.

Ik voel me niet alleen heel erg ongemakkelijk maar ook een beetje wrevelig omdat die lamlul van een makelaar me hiermee opscheept. Terwijl de man begint te drentelen, met de knokkels van zijn rechterhand op een deur kloppend en met de neuzen van zijn peperdure hoogglanzend gepoetste Oxfords op het parket tikkend, gaat godzijdank de bel. Met een ‘sorry schat’ neemt Makelaar Marc het van me over. Neemt het hele huis trouwens van me over en laat me even later aan mijn keukeneiland achter met een gevoel dat ik hier geen enkele rol speel en niets te vertellen heb. Als ze boven zijn ga ik ze onderaan de trap staan afluisteren. Aan het driftige tikken van de stiletto’s kan ik precies horen waar ze zijn.

‘Jij?’ hoor ik de man aan haar vragen. ‘Wat vind jij?’

Ik hoor haar met een onwijs Amsterdamse tongval iets murmelen over het groen van onze badkamertegels dat niet haar smaak is. En daarna dat ze ook wel eens mooiere kranen dan deze gezien heeft. Ze stommelen verder naar de tweede verdieping en bijna een half uur later dalen ze eindelijk weer af om via de gang door te steken naar het souterrain. In de tuin heb ik vanochtend alle tuinkussens uitgestald en de parasols opgezet. Dat leek me wel gezellig maar met dit duo weet ik het nog niet zo net. Bij het afscheid vergeet hij me een hand te geven wat door haar wordt gecompenseerd met nog zo’n slap handje en nu een ‘bye’ in plaats van ‘hi’. Makelaar Marc laat ze uit. Loopt even met ze mee de trapjes af naar de stoep en keert dan terug.

Hij heeft er een goed gevoel over, zegt hij ongevraagd. ’Het zou toch wat zijn?’ mompelt hij meer tegen zichzelf dan tegen mij. ‘Precies wat ze zoeken. Een familiehuis voor zijn nieuwe gezinnetje en waar ook plek is voor de kinderen uit zijn eerste huwelijk. Ze hebben beloofd om vandaag nog iets te laten horen. Ik bel je schat! Dankjewel voor je tijd en flexibiliteit. Waardeer ik! Big times!’

Hugo belt al als ik nog met de deur in mijn handen sta. ‘En?’

‘En? Een loei ordinair mokkel met een Rolexvent op leeftijd.’

‘Dat boeit me even niet. Denk je dat ze geïnteresseerd zijn?’

Ik zeg niet wat ik denk: dat ik er niet aan moet denken dat dit blonde mokkel hier binnenkort de boel komt runnen. Dat ze de tegels uit de badkamer laat slopen om ze door roze marmer te laten vervangen en gouden kranen op de wastafels laat monteren. Dat niets van dit alles straks nog blijft en dat alles anders wordt. Dat de kinderen uit zijn eerste leg de bovenste verdieping krijgen voor de weekenden dat ze bij pappie en zijn nieuwe gezinnetje komen logeren. Dat zij haar vriendinnen uitnodigt om luidkeels te verkondigen wat er allemaal nog gebeuren moet voordat het haar smaak is. En dat ik hier dan niets meer te zoeken heb. Een tijdperk dat afgesloten wordt. Een droom die nooit meer uitkomt.

Ik zeg wat Makelaar Marc zei voordat hij de deur uit ging en beloof Hugo dat ik hem bel zodra ik gebeld ben. Dat gebeurt niet lang na de lunch.

‘Goed nieuws,’ fluit Marc. ‘Alleen over die vraagprijs moeten we het nog wel even hebben, want die is misschien toch een tikje aan de uitbundige kant.’

Als ik Hugo het goede nieuws breng zegt hij dat die kut makelaar erin kan zakken. ‘Lekker makkelijk verdiend met zeggen en schrijven één bezichtiging. Dank je de koekoek dat hij er niet mee zit om wat aan de vraagprijs te doen. In zijn commissie zal hij dat amper voelen. Zeg maar tegen die makelaar dat…’

Ik laat hem niet uitpraten. ‘Nee Hugo. Ik zeg helemaal niks. Jij gaat die kut makelaar maar lekker zelf bellen. Regel het zelf maar.’  

 

Hoofdstuk 35

Vandaag spreek ik Linda: de onbekende beller van een week geleden die op zoek is naar een culinair redacteur voor een glossy. Ik was haar opgevallen door mijn schrijfstijl die haar aanspreekt dus als het me wat lijkt heeft ze meteen al een tripje voor me naar de Chianti. Wijn, Balsamico, een niet te missen slow cooking restaurant, een hotel, een kok. ‘Je kent het wel.’ Ze heeft een fotograaf voor me waar ze op de redactie veel mee werken. ‘Super leuk mens. Je kent haar misschien wel.’ Ik zeg ja tegen Linda. Vol overtuiging en zonder voorbehoud omdat ik a. meer werk nodig heb en b. een tripje wel weer eens goed kan gebruiken. Briefing volgt. Vertrek volgende week woensdag. Ik reken uit dat ik dan nog mooi alles uit kan werken voordat ik met Chrissy naar Kreta ga. Thuisgekomen bel ik Hugo om te vragen of hij vier dagen voor zijn dochter kan zorgen omdat ik weer op trip moet. Hij gaat meteen vol op de rem en ik meteen vol in de aanval, scheld hem uit voor lamlul, druk hem weg en bel meteen daarna met Suzan om te vragen of Chrissy een paar dagen bij haar en Noor mag logeren wat natuurlijk geen probleem is. Chrissy springt een gat in de lucht als ik haar het nieuws vertel. Neuriënd vertrekt ze naar boven naar haar kamer en daar hoor ik haar nog steeds blij doen als Hugo even later komt binnen walsen waar ik maar even niks van zeg. Hij heeft het nog eens op een rijtje gezet en het kan toch. Chrissy kan toch bij hem. En hij heeft de makelaar gesproken. Er komen meer bezichtigingen en Makelaar Marc heeft beloofd tot het gaatje te gaan.

‘Chrissy gaat bij Suzan en Noor logeren en daar heeft iedereen heel veel zin in.’ Ik slaag erin om het als een voldongen feit te laten klinken.

‘Oh.’

‘Ja. En wanneer komen die bezichtigingen? Want daar hoef ik voortaan niet meer bij te zijn.’

‘Want?’

‘Te ingewikkeld. Dus beter van niet.’

‘Oh.’

‘Kwam je daarvoor Hugo? Of was er iets wat niet telefonisch had gekund?’ Ik klink bits en zo voelt het ook.

‘Ben ik hier niet meer welkom in mijn eigen huis bij mijn eigen dochter soms?’

Ik kijk hem alleen aan. IJskoud en zonder een woord. Dan draai ik me om en loop ik de kamer uit. Ik denk aan alle keren dat hij mij hier met de woorden ‘hier heb ik geen zin in’ heeft laten zweten en besef dat de rollen nu zijn omgedraaid en dat me dat een goed gevoel geeft.

‘Je dochter is boven,’ roep ik met mijn hoofd om de hoek van de kamerdeur. ‘Ik ben even een boodschap doen. En haal het niet in je harses om op haar in te praten want ze gaat gewoon naar Suzan en Noor volgende week omdat dat zo afgesproken is en omdat ze zich daar op verheugt.’

Als ik een half uur later thuiskom komt hij net van boven. Voordat hij afdruipt roept hij nog dat het zo langzamerhand tijd wordt om die scheiding rond te breien.

‘Kom maar met een voorstel,’ roep ik terug. ‘Zo moeilijk kon het toch niet zijn, hadden we al besloten?’

Sinds we een paar weken geleden met elkaar gegeten hebben, heb ik hem niet meer gehoord over ‘de andere vrouw’.  Ik heb geen idee hoe hij zich tot haar verhoudt. Heb geen idee hoe het met hem gaat en ik vraag het me zelfs steeds minder af. Jarenlang voelde ik de drang om te willen weten hoe het met hem ging. Ik wilde hem begrijpen, grip op hem houden – of in ieder geval krijgen. Door steeds de focus op hem te leggen deed ik mezelf tekort. Ik leverde mezelf in, raakte mezelf kwijt. Ik raakte vriendschappen kwijt en het contact met mijn ouders, mijn zus. Er was niemand die dat van me vroeg. Ik deed het gewoon zonder bij na te denken, zonder me er zelfs van bewust te zijn. Heel veel van wat er speelde probeerde ik verborgen te houden, voor mezelf te houden. Want ergens wist ik het donders goed, dat ik bleef omdat ik te bang was om weg te gaan. Het was een verlammende angst, die me belette om mezelf te zijn,. Het was makkelijker om me in hem te verplaatsen dan me met mezelf bezig te houden. Nu ik die focus op hem heb kunnen laten gaan komt er ruimte in mijn hoofd, in mijn hart, in mijn leven. Ruimte voor mezelf, voor een nieuw begin en voor een leven waar ik steeds meer naar verlang.

Bobby heeft me net dat zetje gegeven. Het zetje dat ik nodig had om een stap bij Hugo vandaan te doen. Afstand te nemen waardoor ik weer kan spiegelen. Op mezelf en de wereld om me heen. Bobby gaf me het gevoel weer mee te tellen, ertoe te doe en de gedachte aan wat er was maakt me gretig naar meer. Een fysiek samenzijn met alleen maar aandacht voor het lijfelijke. Ik pak mijn telefoon:

‘Zin om je te zien!’

Het duurt een half uur en in dat half uur komen de oude bekenden onzekerheid en angst voorbij. De twee vinkjes geven aan dat hij me heeft gezien. Meteen toen mijn bericht werd afgeleverd, werd het gelezen. Na een half uur word ik uit mijn lijden verlost.

‘Voorstel?’

Het is vandaag vrijdag, ik wil stappen, uit eten, drinken. Ik wil vrij zijn, me jong voelen. Ik bel Suzan en leg het uit. Dat er iemand is waar ik zo graag vanavond mee aan de boemel zou willen. Daarna app ik Bobby:

‘Laten we alles doen wat god verboden heeft. Ik ben tot morgen rond de lunch helemaal vrij.’

 

Hoofdstuk 36

‘Dus we hebben een date?’ vraagt Bobby.

Onderweg naar het restaurant waar we hebben afgesproken vraag ik me af of we elkaar nog net zo leuk vinden met onze kleren aan. Of we überhaupt iets te melden hebben ook. Zodra ik hem zie, zittend aan een tafeltje in de hoek bij het raam, steunend op zijn ellenbogen en voluit glimlachend even zijn ene hand naar me opstekend, weet ik het weer. He’s one of the good guys!

‘Ha die Britt.’ Hij staat op, zoent me vol op mijn mond, drukt me even tegen zich aan.

‘Ha die Bobby!’ Ik voel hoe het bloed naar mijn wangen stijgt.

‘Word je nou verlegen?’ Hij lacht.

Ik ga zitten. Wat er was is er nog. Daar is geen twijfel over mogelijk. Hij staat weer op, vraagt of we een fles rosé zullen delen en loopt, zonder mijn antwoord af te wachten, naar de bar om te bestellen. Ik kijk hem na. Zijn strakke billen in zijn strakke jeans, de sneakers die ooit wit geweest moeten zijn. Hij haalt zijn hand door zijn krullen en draait zich dan even naar me om.

We kletsen wat in de rondte. Kijken op de menukaart, toasten en drinken. Hij pakt mijn hand. Weer voel ik hoe het bloed naar mijn wangen wordt gepompt. Hij noemt me ‘schattig’ en ik vraag hoe oud hij is, eigenlijk. ‘Eigenlijk 39,’ antwoordt hij. Waarna er geen ‘en jij?’ komt maar hij vraagt of hij nu nog steeds mag blijven.

‘Je bent me overkomen. Hoe kun je nou niet mogen blijven?’

‘Ken je de Kring?’

‘Ik ken de Kring!’

‘Zullen we daar straks even naartoe?’

‘Vrijdagavond disco-avond toch?’

‘Oldies!’

Onderweg naar het Leidseplein waar de sociëteit zit, slaat hij een arm om me heen. Deze man is zo zichzelf, zo relaxed! Bij een voetgangerslicht houdt hij halt. Hij kijkt me aan en noemt me ‘leuke Britt’. Ik zoen hem. Uitgebreid en langdurig. Hij zegt ‘zo zeg’ en likt met zijn tong langs zijn lippen. ‘Lekkere Britt. Dus jij bent tot morgen vrij?’

‘Vrij? Misschien heb ik wel een afspraak.’

Het loopt pas tegen tienen als we de trappen van de Kring beklimmen. Het is nog vrij rustig. Ik loop meteen door naar de toiletten en begroet de beste versie van mezelf in de spiegel. Mijn mond ontspannen, mijn ogen fonkelend, mijn huid stralend. Bobby staat aan de bar op me te wachten. ‘Biertje?’ We toasten. Ik haal mijn hand door zijn krullen zoals hij dat eerder op de avond zelf deed.

En dan voel ik hem nog voordat ik hem zie. Een prikkel, een trilling, een stoot adrenaline. Ik hoor Bobby vragen wat er is. Hij ziet het voordat ik kan antwoorden. Hugo staat op nog geen vijf meter bij ons vandaan. Hij is met ‘haar’. Ik zie hem van kleur verschieten. Ik zie haar die niet snapt waarom. Ik kijk naar Bobby. Bobby die de situatie rustig in zich opneemt. Ik zeg ‘kut’ en Bobby zegt ‘wat je zegt.’ Ik voel me betrapt. Ik voel me ongemakkelijk. Hoogst ongemakkelijk. Opgelaten. Hugo komt op ons toelopen met ‘haar’ in zijn kielzog. Hij vraagt we hier doen.

‘Nou ja! Wat doen jullie hier nou?’

‘Wat denk je zelf?’ bijt ik hem toe. Hugo richt zich tot Bobby.

‘Ach kijk eens aan. Onze fotograaf. Als ik het niet dacht.’ Het sarcasme druipt eraf.

‘Wat dacht?’ vraagt Bobby, maar Hugo antwoordt niet. Hij draait zich naar me toe en vraagt waar ik Chrissy gedumpt heb.

‘Schaam je!’ zeg ik alleen maar. Hij is de regie kwijt en dat zint hem niet. Ik draai Hugo mijn rug toe waardoor ik oog in oog met ‘haar’ kom te staan. Ze geeft me een slap handje en zegt dat ze het leuk vindt om me te ontmoeten. Ik draai weer terug naar Hugo en vraag hem of hij ons nu met rust wil laten. Zijn neusvleugels trillen licht. Ik ken die tic maar al te goed. Ik kijk ernaar en adem diep in.

‘Ander keertje weer Hugo. Oké?’ Hij draait zich om. Zijn gezicht naar de uitgang. Hij grijpt ‘haar’ bij haar arm en beent weg. Zonder nog één keer om te kijken verlaten ze de tent.

‘Zo zeg. Die heb je uitgerookt,’ zegt Bobby droog.

‘Uitgerookt?’ Hij houdt me vast. Omklemt mijn kaken met zijn handen. ‘Heftig wel,’ zegt hij. Hij reikt me mijn glas aan. Ik sla mijn bier in één teug achterover en bestel meteen opnieuw. Hoe groot is de kans? Hugo kwam nooit in de Kring voor zover ik weet. Maar wat wist ik nou helemaal over hem en zijn leven buiten de deur? Ik ga nog een keer richting de toiletten. Het spiegelbeeld van nu lijkt in niets op dat van net. Ik zie er net zo gespannen uit als ik me voel. Als ik terug bij Bobby kom kijkt die ernstig.

‘Ben je wel klaar voor een nieuwe scharrel in je leven Britt?’ De schrik slaat me om het hart. Is dit zijn inleiding op ‘we moesten hier maar niet meer doorgaan’? Was dit het dan? Paniek maakt zich van mijn meester met een gemak alsof die sluimerend lag te wachten. Klaar om toe slaan en me bij de strot te grijpen. Ik kijk Bobby aan zonder antwoord. Ik doe een stap naar hem toe en leg mijn hoofd tegen zijn schouder. Hij houdt me vast. Stevig en zonder woorden. Ik adem in en adem uit.

‘Dit is nou precies wat hij voor ogen had.’ Ik heb mijn stem weer onder controle. ‘Dit is waar Hugo goed in is. De boel ontregelen, de boel traineren. Iedereen met een kutgevoel opzadelen en dan zijn hielen lichten.’

Ik doe mijn best om terug te gaan naar voordat Hugo kwam opdagen. Terug naar de verwachtingsvolheid van hoe het begon. Maar als de dj zijn eerste oldie draait weet ik dat er geen weg terug is naar het begin. Ik vraag aan Bobby of hij met me mee wil gaan naar huis. Hij vraagt of ik het zeker weet en ik zeg van ‘ja’ hoewel ik niet de tijd heb genomen om daar over na de denken.

‘Ik breng je in ieder geval thuis want ik laat je nu niet alleen gaan.’

 

Hoofdstuk 37

‘Ben je wel klaar voor een nieuwe scharrel in je leven Britt?’ Het was een terechte vraag die Bobby me stelde. Waarop het antwoord zich laat raden. Want natuurlijk ben ik daar niet klaar voor. Ik snak naar erkenning, naar troost, een arm om met heen, maar het is te vroeg om opnieuw te beginnen. Er ligt nog zoveel wat onbegrepen en onverwerkt is dat het echt nog wel even zal duren eer dat allemaal verstouwd is en een plek heeft gekregen.  Maar dat spreek ik niet uit als Bobby met me meeloopt naar mijn huis – voordat we gedanst hebben, zonder dat we plezier maakten en uitvoerig zoenden als opwarmertje voor een hele nacht samen. Er wordt überhaupt weinig gezegd sinds Hugo zijn opwachting maakte. Aslof de woorden tussen ons opeen op zijn en Hugo er een stokje voor heeft gestoken door zijn onbehouwen manieren. ‘Waar heb je Chrissy gedumpt?’ Het was niet eens bedoeld als vraag. Het was een regelrechte aantijging, een veroordeling, een voltreffer midden in mijn zwakke plek. Zoals hij mijn zwakke plekken altijd wist te vinden en nooit schuwde om erop te drukken als hem dat zo uitkwam. Ik heb dat nooit begrepen, dat kleineren van hem. Misschien heb ik er wel nooit goed naar durven kijken omdat ik me ervoor schaamde. Een hele enkele keer deelde ik wel eens een flard van de ontwrichting die dat tussen ons veroorzaakte. De afstand die ik daarna voelde. Een paar woorden tegen mijn moeder, mijn zusje. Eén keer luchtte ik mijn hart tegen Claire. Die keer kwam me duur te staan, maakte me dubbel kwetsbaar omdat ze wilde weten waarom. Waarom laat je dat gebeuren? Waarom doet hij dat? Waarom ga niet weg?

Op de drempel van mijn voordeur blijft Bobby staan.

‘Dag lieve Britt,’ zegt hij alleen maar. ‘Ga maar lekker slapen.’ Hij pakt me even bij mijn schouders, geeft me een zoen en draait zich dan om.

De emoties buitelen over elkaar heen en houden me wakker die nacht, Verdriet, eenzaamheid, opluchting en het gevoel afgewezen te zijn. Ik denk aan Bobby, denk aan Hugo, vergelijk ze met elkaar, mis de een en dan de ander. Ik denk aan ‘haar’- de vrouw die met een slap handje en droge ogen durfde te beweren dat ze het leuk vond om me te ontmoeten. Leuk?

Voor dag en dauw sta ik op. Het is al licht buiten. Een waterig zonnetje piept door de wolken. Het wil niet echt zomeren dit jaar. Even overweeg ik een rondje park maar na de eerste koffie is de zin me al vergaan. Ik heb een hele zaterdagochtend voor mezelf en weet me er niet eens goed raad mee. Ik ga in bad en daarna weer terug naar bed, maar slapen lukt niet meer. Als ik mijn mail check zie ik dat Makelaar Marc twee bezichtigingen heeft gepland. Allebei op dinsdag als ik, als het goed is, onderweg ben naar de Chianti. Ik mail hem terug dat ik in het buitenland ben en of hij me wil appen als er nieuws is. voordat ik Chrissy ga ophalen bij Suzan fiets ik langs de Franse bakker voor stokbroden en croissants en steek daarna door naar de kaasboer voor Hollandse Emmentaler en gezouten roomboter. Stiekem hoop ik erop bij Suzan te kunnen blijven hangen. We lunchen samen met de meisjes. Daarna blijf ik hangen, precies zoals ik gehoopt had. Ik doe mijn relaas over Bobby en Hugo en over Haar. Ze laat me praten. Luistert en zegt dat ik moet proberen om niet aan mezelf te gaan twijfelen omdat ik daar echt geen enkele reden toe heb. Is het geen goed idee om met de meisjes een filmpje te pakken vanmiddag? Even wat anders om op andere gedachten te komen?

Het loopt al tegen tienen als ik met Chrissy naar huis fiets. Ik vraag of ze gezellig bij me in bed komt. ‘Gaat het goed mam?’

‘Het gaat goed lieverd.’

‘Morgen lekker zondag.’

‘Morgen lekker zondag! Zullen we wat leuks gaan doen?’

‘Helemaal vergeten. Pappa vroeg of ik iets met hem wilde doen.’

Ik durf mijn kop erom te verwedden dat dit bij hem ingegeven werd door vrijdag. Hugo wil weten wat er speelt, hij wil controle en aan de touwtjes trekken. Om 11 uur op zondagochtend staat hij op de stoep om haar te halen. Zijn blik is duister. Het is zijn duistere blik die ergernis verraadt. Waar boosheid achter schuilt. Door die blik voelde ik me altijd onveilig en raakte ik op mijn hoede. Er was iets niet goed maar ik kon het niet pakken wat er mis was. Het was de blik waardoor ik me onzeker ging voelen, ging compenseren en op mijn tenen ging lopen. Het was die blik waardoor ik mezelf stukje bij beetje kwijtraakte. De blik waardoor ik mezelf weggaf en in altijd veel meer gaf dan ik kon missen.

Als Chrissy even naar haar kamer gaat om een jasje te halen komt hij voor me staan. ‘Lekker geneukt vrijdag? Ik mag toch zeker hopen dat je dat niet in ons bed hebt gedaan?’

Het gebeurt in een reflex. Onbedoeld en ongecontroleerd haal ik uit. Mijn vlakke hand kets af tegen zijn wang. Het is moeilijk te zeggen wie er meer geschrokken is. Ik wil sorry zeggen maar slik net op tijd om mezelf daarvoor te behoeden. In plaats daarvan sis ik dat hij een onbehouwen pummel is. Een hele grote onbehouwen pummel die totaal, maar dan ook totaal geen recht van spreken heeft. ‘Echt geen enkel recht Hugo!’

 

Hoofdstuk 38

Hugo brengt zijn hand naar zijn wang; geschrokken, geschokt. Nog nooit eerder haalde ik naar iemand uit.

‘Wat flik jij nou?’

Nu zeg ik het wel: ‘Sorry.’ Dan word ik weer boos. ‘Maar eigenlijk zou jij sorry moeten zeggen. Hoe durf je Hugo? Hoe durf je me aan te spreken op wat ik eventueel met een andere man doe? En in welk bed? Zou je niet eerst een beetje kunnen spiegelen op wat je mij allemaal geflikt hebt?’ Ik draai me om. Loop de kamer uit. Chrissy is halverwege op de trap gaan zitten.

‘Hebben jullie ruzie?’

‘Ik geloof het wel. Gaat wel weer over. Ik hoop dat jullie iets leuks gaan doen.’ Ik geef haar een zoen. Knuffel haar even. Voel me schuldig. Heb intens met haar te doen. Boven ga ik op de rand van de badkuip zitten totdat ik de voordeur hoor dichtslaan. Mijn handen trillen. Alles is onwerkelijk. Ik voel me onrustig. De muren komen op me af. Ik pak mijn jasje en mijn tas en loop de deur uit, de stad in. Zonder doel en zonder plan. Door het Vondelpark richting het Leidseplein de Leidsestraat in en vandaar via de Prinsengracht de Jordaan in. Op de hoek van de Elandsgracht ga ik op een terras zitten. Ik bestel een biertje. En daarna nog een. Ik scroll door mijn mails. De fotograaf waarmee ik naar de Chianti ga stelt voor om elkaar overmorgen bij de gate te zien. Ze denkt dat het daarna vanzelf goed komt als we eenmaal aan het werk zijn. Haar bericht stelt me gerust. Ik reken af en loop terug naar de Leidsestraat waar ik de tram naar huis neem. Ik kan er mijn draai nog steeds niet vinden. Als Hugo Chrissy thuisbrengt is het half vijf. De uitbarsting van die ochtend ligt me lelijk op mijn maag.

‘Iets drinken? Ik wil dit uit de wereld hebben’.

‘Blijft pappa eten?’ vraagt Chrissy voordat Hugo kan antwoorden. Haar poging om te bemiddelen.

‘Wil je dat?’

‘Dat is misschien wel een goed idee.’ We zijn het er alle drie over eens.

Chrissy verkast naar de voorkamer om tv te kijken. Ik schenk wat in en zeg dat ik nooit had willen uithalen. Dat ik niet snap wat me bezielde maar dat ik flipte. ‘Vrijdag gedroeg je je ook niet kies. Je lijkt wel jaloers.’

‘Tja. Wie zal het zeggen.’

We kijken elkaar aan. Er is genoeg gezegd. We bestellen sushi en eten samen met Chrissy voor de televisie. Als Hugo vertrekt loop ik met hem mee de gang in. Hij houdt me vast.

‘Waar ging je ook alweer naartoe? Italië toch? De Chianti? Van de week toch al?’

‘Overmorgen. Vrijdag weer terug. Bel je me als je iets van de makelaar hoort?’

Hij steekt zijn duim op en weg is ie.

Veel te vroeg komt ik twee dagen later aan op Schiphol en als één van de eerste ben ik bij de gate. Ik herken haar aan haar fotokoffer.

‘Jij moet Mayke zijn.’

‘En dan moet jij Britt zijn.’ Ze kijkt op haar horloge en dan naar het televisiescherm boven de balie. ‘Wil jij even op mijn spullen letten? Ik moet nog even terug naar de shops.’ Tegen de tijd dat ze terugkomt kunnen we boarden. Er zitten vijf rijen tussen haar en mij. Zolang we niet aan het werk zijn, hoeven we nog niets van elkaar. Als we door de wolken breken doe ik mijn ogen dicht. Langzaam sukkel ik weg. Ik mis de service aan boord en schrik pas wakker als we in een luchtzak duiken. Niet veel later tikken we Greve aan. Mayke wacht me op onder aan de trap. We gaan door de douane en dan door naar balie van het verhuurbedrijf waar onze huurauto klaarstaat. Ze vraagt of ik er bezwaar tegen heb als zij rijdt – wat ik absoluut niet heb. Niet veel later ontvouwt zich voor ons een adembenemende lappendeken van wijngaarden, olijfbomen en cipressen. De thermometer in de auto geeft 35 graden aan. Ik zucht. Thuis lijkt heel ver weg. Niemand kan me iets maken hier.

‘Geen probleem als je even je ogen dicht wilt doen,’ zegt Mayke. Ik maak je wel wakker als we in het hotel zijn.’

Mijn kamer is groot en licht en antiek en mijn terras ziet uit over de wijngaarden. Ik stuur Chrissy een appje met een foto van het uitzicht en heel veel hartjes . ‘Lekker mam!’ appt ze terug. Ik app dat ik heel erg veel van haar hou. Ze appt terug dat ze dat heus wel weet en dat ze natuurlijk ook van mij houdt. Later die middag zetten Mayke en ik koers naar een stokoud balsamicohuis. Mayke kijkt, ik luister. Tijdens het diner vloeit de balsamiconet zo rijkelijk als de chianti. Terug in het hotel leggen we onze indrukken eerst naast elkaar om ze daarna moeiteloos ineen te vlechten tot een verhaal met een ziel, een kop en een staart.

‘Dat gaat lekker zo,’ zegt Mayke. ‘Wij kunnen dat.’

De volgende dagen vergaat het ons net zo makkelijk. Van een wijnhuis gaan we naar nóg een wijnhuis en nóg een. En daarna van een restaurant naar een pecorinomaker en een laatste restaurant waar de chef ons mee de keuken inneemt waar hij aan de slag gaat met balsamico, pecorino, salami en ham en – als kers op de taart – Chianina-rundvlees waar hij een Bistecca alla Fiorentina van bereidt waar een hele straat van zou kunnen eten. 

‘Ze mogen ons nog wel eens samen op pad sturen,’ zegt Mayke bij het afscheid op Schiphol. Ik geef haar drie zoenen.

Tegelijkertijd dat ik de maandag erop een klap op de tekst geef, komt Makelaar Marc met een bod. Dat is meer dan de vraagprijs, meer dan ik ooit had durven dromen, meer dan Hugo ooit voor mogelijk had gehouden. Een snelle rekensom maakt dat ik voorzichtig adem kan gaan halen en niet meer in paniek hoef te raken als ik over de toekomst nadenk. Nadat ik van Kreta terug ben, mag Marc meteen voor me aan de slag. Een gevoel van ongelofelijke opluchting stroomt door mijn hele lijf.

 

Hoofdstuk 39

De stad is stil en verlaten. Er rijden nog geen trams. De taxichauffeur die ons voor de vertrekhal van de luchthaven afzet wenst ons prettige vakantie. Ik pak Chrissy’s hand vast maar die trekt ze met een ‘mam!’ meteen weer terug. We checken onze bagage in en zijn binnen no time door de douane. Net als van de week lichtjaren te vroeg – een gewoonte uit angst om te laat te komen.

‘Broodje?’

‘Broodje!’

We eten ons kleffe croissantje zittend voor het raam met uitzicht op de vliegtuigen.

‘Bizar toch?’ Het is Chrissy die ons stilzwijgen doorbreekt.

‘Zo met z’n tweetjes bedoel je toch? Ik vind het ook raar Chris.’

Toen ik vanochtend wakker werd dacht ik terug aan onze zomervakanties samen. Aan hoe we voor dag en dauw de auto inpakten en aan hoe we in de loop van de dag ergens afsloegen om een hotel te zoeken. Die ‘bonnefooitjes’ pakten meestal goed uit en het onderweg zijn paste Hugo als een warme jas omdat die tussenstops nooit lang genoeg duurden om verveeld te raken. Na een glas op het terras bij aankomst, dineren en ontbijten was het weer pleiten en en route. Op de plaats van bestemming kon het een heel ander verhaal worden en dat was als het punt bereikt was dat de ene dag in de andere overvloeide zonder al te veel veranderingen. Als Hugo zich terugtrok en ontoegankelijk werd begon ik me uit ongemak vooral op Chrissy te richten waardoor ikzelf ook ontoegankelijk werd. Pas als thuis het leven weer zijn loop nam kon ik weer ontspannen.

Chrissy wordt uit haar overpeinzingen gehaald door een ‘ping’ die een app aflevert. ‘Veel plezier op Kreta. Groetjes aan mamma. Ik zal jullie missen. Kus pappa.’ Ze vraagt of ze ook van mij een kus terug zal doen wat ik laat gaan.

‘Ik blijf me over pappa verbazen,’ zeg ik meer tegen mezelf dan tegen haar. Ze kijkt even op van haar schermpje. Zonder verder commentaar maakt ze haar app af en stopt daarna haar telefoon in haar tasje.

Het is pas elf uur als we inchecken bij de Club Robinson. Te vroeg om meteen naar onze kamer te kunnen omdat die nog niet schoongemaakt is, maar we kunnen onze bagage bij de receptie achterlaten en alvast op verkenning uitgaan. We zien een zwembad en nog een zwembad. Er zijn strandbarretjes, er is een poolbar en een strandrestaurant van formaat fors uitgevallen schuur. Er zijn animatieteams, er is een kidsclub, er zijn boten en bootjes, waterfietsen, een gym, een yogastudio onder een rieten overkapping en een openluchttheater. En er zijn gezinnen. Heel veel gezinnen. Meer gezinnen dan ik gedacht had. Alleen maar gezinnen, zo op het eerste gezicht.

Tegen half een begeven we ons naar het restaurant waar een vrolijke hostess in een ultrakort shortje vraagt ‘ob wir zur Zweit sind’ en vraagt of ze onze polsbandjes mag scannen waarna we zelf mogen uitkiezen waar we gaan zitten. Bij een tafel met een vader en een moeder en drie kinderen vraag ik of ‘diese Plätze frei sind’. Omdat het hartelijke ‘aber sicher’ van hem op precies hetzelfde moment komt als het bitse ‘nein’ van haar draai ik me snel weer om. Chrissy kijkt me vragend aan. ‘Kutwijf,’ mompel ik. ‘Alsof ik erop uit ben om haar vent te kapen.’ Met lange tanden eten we wat, daarna halen we onze kamersleutel bij de receptie en sjouwen onze koffers de lift in. De kamer is niet klein en niet groot. Niet gezellig en ook niet ongezellig. Welbeschouwd een kamer van niks. We pakken onze spullen uit en trekken onze bikini aan.

‘Zullen we naar het zwembad?’

‘Ga je wel mee zwemmen mam?’

‘Ik ga mee zwemmen!’

Als Chrissy net is warmgedraaid in het water, heb ik het wel zo’n beetje gehad, maar dat laat ik niet blijken. Ik doe handstanden en maak koprollen totdat mijn ogen bloeddoorlopen zijn. Alles voor Chrissy die hier net zo min om gevraagd heeft als ik. Halverwege de middag begeven we onze naar een bar voor een drankje en een snackje. Het is er druk, er is muziek, er is jolijt. Een man van formaat Hugo maakt zich op voor een potje poolbiljart met zijn zoon. Du moment dat ik zijn kuiten in het vizier krijg gaat het mis. Die kuiten lijken als twee druppels water en ook de loafers aan zijn zongebruinde voeten zijn een kopie. Het missen is ineens zo heftig dat ik de opkomende tranen maar met moeite weg kan slikken.

‘Wat is er mam?’

Ik wijs op de man met de kuiten. ‘Dat doet me zo aan pappa denken dat ik hem opeens heel erg mis. Of misschien mis ik pappa niet eens zo erg, maar mis ik wat er was en voel ik me gewoon best wel alleen hier met z’n tweetjes. Misschien moeten we het zonder pappa op vakantie gaan nog leren.’

‘Ik vind het echt wel gezellig met jou mam, maar ik vind het ook raar en ik mis pappa ook.’ Ze huilt. Als ik mijn armen om haar heen sla laat ze me begaan. Ik hou haar vast zodat we samen kunnen huilen. Als ik even later naar de bar loop voor een bestelling moet ik mijn zonnebril opzetten om achter te schuilen. De man met de kuiten kijkt mijn kant uit, maar ik doe alsof ik hem niet zie.

 

Hoofdstuk 40

‘Ik dacht dat jij wel wat aanspraak kon gebruiken.’ Haar tongval is ontegenzeglijk Amsterdams. Ik kijk naar haar op vanaf mijn ligbed, zet mijn zonnebril af en knipper met mijn ogen tegen het felle zonlicht. ‘Ja, je zult wel denken waar bemoeit die zich mee. Maar we zagen je gisteren door de eetzaal schuiven met die mooie dochter van je en toen zei ik tegen mijn man: ‘die maakt een rot tijd door en voelt zich vast niet om over naar huis te schrijven’ Ik weet even niet wat ik moet zeggen, knik schaapachtig van ‘ja’ en sta dan op.

‘Ik ben Britt.’ Ik strek mijn hand naar haar uit.

‘Chantalle.’

‘Wat aardig van je trouwens. Want ja. Dat heb je goed gezien. We hebben wel eens een betere vakantie gehad.’

‘We liggen daar.’ Ze wijst naar de stretchers aan de rand van het zwembad. ‘Onze twee jongens liggen de hele dag in het water, dus die hebben geen bedje nodig. Als je wilt kunnen jullie lekker bij ons en dan kan zij – ze wijst naar Chrissy – met de jongens zwemmen als ze daar zin in heeft. Kijk maar effe. Moet niet, mag gerust.’ Ze draait zich om en loopt terug naar haar man. De hakjes van haar slippertjes klikklakken achter haar aan. Haar hoogblonde haar wappert in de wind.

‘Wat denk je Chris?’

‘Kan toch? Als we het niks vinden gaan we gewoon weer weg toch?’

‘Hey wijffie. Goed van je dat je hier effe aanschuift. Ik ben Bert.’ Daarna stapt hij op Chrissy toe. ‘Kom lieverd. Ik zal die jongens eens effe roepen. Als je zin hebt kun je lekker met ze gaan poedelen.’ Hij geeft Chrissy een vette knipoog en slaat een arm om haar heen. Dan loopt hij naar de rand van het zwembad en fluit op zijn vingers naar zijn jongens die meteen opkijken. Hij wenkt ze. ‘Kijk eens schat. Dit zijn Jordy en Danny.’ De jongens klimmen uit het water en steken om beurten hun hand uit. ‘Eerst maar een cocktailtje doen jongens?’ Ze knikken. Chrissy knikt mee. Ik glimlach als ik Bert met haar en de jongend nakijk.

‘Wat aardig,’ zeg ik nog maar eens tegen Chantalle.

‘Zo doen we dat toch?’ Ze houdt een Privé voor mijn neus. ‘Iets te lezen?’ Ik pak hem aan en installeer me op het bed naast haar. In mijn binnenste begint het weer stromen. Alles wordt lichter. Het blok op mijn maag wordt kleiner, lost op, verdwijnt. Ik haal diep adem. ‘Opgelucht?’ vraagt Chantalle die vast gedachten kan lezen.

‘Ik kan je niet zeggen hoe opgelaten ik me hier voelde.’

‘Hoeft ook niet. Ik zag het aan je. Net gescheiden?’

‘Nog niet eens, maar wel bijna als het goed is.’ En dan doe ik ongevraagd verslag. Soms kort door de bocht, dan weer met talloze omwegen en onnodige details. Ik praat aan één stuk door. Van de wintersport gaat het naar de eerste maanden, naar de andere vrouw, naar Bobby die het natuurlijk toch niet was want hoe kon het ook anders, naar het huis dat net verkocht is, naar een ander huis wat ik nog niet heb en naar Hugo met wie ik een redelijke verhouding probeer te hebben.

‘Attenooije,’ vat Chantalle mijn relaas samen.

‘Sorry. Ik geloof dat dit wel erg veel informatie in één keer was. Too much?’

‘Voor mij niet. Ik kan wel wat hebben. Dapper van je om toch hierheen te komen. Dat moet ik zeggen. Zullen wij ook effies richting de bar? Drankje voor de  kennismaking?’

Chantalle en Bert moeten van goud zijn. Net als hun jongens die altijd al een zussie hadden willen hebben en Chrissy per direct op handen dragen. Als ze die middag met z’n drieën in het zwembad liggen klinkt Chrissy’slach boven alle andere kinderstemmen uit. Het is een lach van blijdschap. Ik doe mijn zonnebril op om mijn ogen te verbergen en sluit ze dan. Wie zei er ook alweer tegen me dat je vaak het meest teleurgesteld wordt door mensen waar je de meeste verwachtingen van hebt? En dat de echte steun vaak uit een totaal onverwachte hoek komt? Het contact met mijn eerst misschien-wel-beste vriendin Claire verloopt al maanden stroef. Walter en Sammy laten het ondanks al onze wintersportvakanties afweten. Suzan van Noor heeft zich mijn steun en toeverlaat bewezen en heeft aan een half woord genoeg waar we eerst amper een woord met elkaar wisselden. En deze mensen komen regelrecht uit de hemel vallen.

Toch gooi ik het na twee dagen maar op tafel. Dat ze ook vast wel een dagje zonder ons willen zijn en dat ze ook gerust een dagje met z’n tweeën eropuit kunnen en dat de kinderen dan natuurlijk bij ons mogen. ‘Schei ’s effe uit,’ zegt Chantalle. ‘Wij komen niks tekort. Zien elkaar al vijfentwintig jaar aan een stuk dag in dag uit. Zullen we gewoon afspreken dat we er zelf wel mee komen als jullie ons te veel worden?’

Die avond hoor ik Chrissy opgewekt tetteren als ik uit de douche kom. Aan haar stem weet ik dat ze met Hugo belt. ‘Héél leuk!’ roept ze. ‘We hebben hele leuke vrienden gemaakt. Die komen ook uit Amsterdam. Wat? Nee een vader en een moeder en twee jongetjes. Vanavond is Griekse avond. Ik ga zo ophangen want we moeten ons nog verkleden en worden allebei een Griekse godin. Wat? Hier komt ze.’ Ze stopt haar telefoon in mijn hand en neemt de badkamer van me over.

‘Ik hoor dat jullie geadopteerd zijn?’ Een typische Hugo-opmerking waar ik vroeger om gelachen zou hebben. Ik antwoord niet. ‘Oké.’ Hij heeft de boodschap blijkbaar begrepen. ‘Makelaar. Hij belde. Het huis is verkocht. We kunnen over een week naar de notaris op voorwaarde dat het transport over drie maanden uiterlijk is. Je bent een rijk wijf Britt.’

Over drie maanden al? Over drie maanden moet de tent leeg zijn? Ontruimd en opgeleverd? En dan moeten Chrissy en ik er dus uit? Die avond ga ik aan de oezo. Die bekomt me zo slecht dat ik ’s nachts een paar keer naar de badkamer moet die ik maar met moeite op tijd haal.

‘We moeten praten,’ is een semi autobiografisch verhaal over radeloos verdriet en verlies, over verlaten worden en bedrogen uitkomen; kortom een verhaal over een huwelijk dat gedoemd is om te stranden. Het is ook een verhaal over opkrabbelen, opnieuw beginnen, fouten maken en vergissingen begaan, onderuitgaan en uiteindelijk over healing. Iedereen die ooit heeft geleden aan een gebroken hart door een verloren liefde zal zich in het verhaal kunnen herkennen en er troost uit kunnen putten. Want hoewel geen enkele scheiding hetzelfde is, zijn de worstelingen en het verdriet wel degelijk universeel.

Geschreven door: Britt Bottelier

Door: Redactie Franska.nl

Afbeelding van Redactie Franska.nl
newsletter image
newsletter close button newsletter image
Word jij ook gezellig
Franska vriendin?
Zo maak je kans op
prijzen en uitjes!