songfestivalfeest
songfestivalfeest

Struinen in de Visbuurt

 

Geen spoor meer van het ruwe volk te bekennen. En ook niet van enige verpaupering. De Visbuurt is vriendelijk geworden.

 

Een citytrip Den Helder, echt sexy klinkt het niet. De meeste mensen zouden er nog niet dood gevonden willen worden (ik ook niet natuurlijk, waar wel trouwens?), maar ik ben er zelfs geboren en getogen. In dat ‘kouwe-winderige-gat-op-weg-naar-de-boot-naar-Texel’ (citaat van een oud-collega voordat ze wist dat ik uit Den Helder kwam).

 

Ik ga er nog altijd graag naartoe. Onlangs nog met Hains – die vermaakt zich overal – weer eens de treinreis door het vlakke Noord-Holland gemaakt. Opletten waar je moet uitstappen hoeft niet, want het is een kopstation (met een mooie klokkentoren trouwens) en de conducteur maakt je wel wakker als je er bent.

 

Deze keer geen rondje strand, duinen, dijk en vuurtoren, maar de Visbuurt (ook wel Pilo genoemd). Ik ben daar echt nog nooit geweest, dringt tot me door als we over de voormalige rijkswerf Willemsoord slenteren. Dat mocht niet van mijn moeder. Veel te gevaarlijk: ruw volk en vaak vechtpartijen. En ik als brave bangerd heb dus ook nooit achter op de brommer gezeten bij ‘de Stoere’ (toen een begrip in de buurt, daar moest je echt geen ruzie mee krijgen). Vriendin Marijke durfde wel…

 

Ik als brave bangerd heb dus ook nooit achter op de brommer gezeten bij ‘de Stoere’

 

Nu, decennia later (spannend!), is het eindelijk zover, -niet achter op de brommer van de ‘de Stoere’, maar hand in hand met Hains: de eerste keer van mijn leven dat ik via de Flaneerkade, de Keizersgracht, de Botbrug en de Nieuwstraat – mooi kerkje op het eind – eindelijk de buurt in durf. Wat een anticlimax! Geen gespuis meer te bekennen. De kleine huizen (eigendommetjes van de vissers van toen) zijn er nog wel. Net zoals de stegen en de poortjes waardoor je makkelijk uit handen van oom agent kon blijven, – een ‘juut’ heette die. Maar het ziet er allemaal veel te vriendelijk en goed onderhouden uit. Alleen jammer dat er geen bomen staan, vindt Hains, maar ja, het is Den Helder.

 

Ook als we ’s avonds laat in het donker (ik heb net uitgebreid in bad liggen weken) ons opnieuw de buurt in wagen, is er niets dat ons de adrenaline door het lijf doet gieren. Zelfs de hond die we tegenkomen op de hoek van de Gasstraat (baas met poepzakje) is keurig aangelijnd.

 

Wat zou er over zijn van die eigenwijze, hechte buurtgemeenschap van vroeger, vraag ik me af. Al die mensen met hun louche bijnamen, die hun problemen zelf oplosten en die natuurlijk nooit iets wisten als oom agent ergens naar vroeg. Die begin jaren 70 de slag met de gemeente nog gewonnen hebben toen die de buurt wilde slopen omdat het er zo verpauperd uitzag. Hoezo verpauperd!? De voorgevels misschien, maar daar moest je een bouwvergunning voor aanvragen, en daar had niemand zin in. Achter de voordeur hadden ze de krotten natuurlijk allang tot hun eigen paleisje verbouwd…

 

 

Marja van Hout houdt van het onverwachte en gaat het liefst zo onvoorbereid mogelijk op pad. Alleen of samen, vaak met vriend Hains, beleeft ze avonturen. Kleinschalig, maar toch.

 Productie: Marja van Hout en Hains