‘Mijn kortetermijngeheugen is zoek’

 

Op haar 24ste kreeg Nienke Uytenbogaart (40) een motorongeluk, waardoor ze verder moest met een Niet Aangeboren Hersenaandoening. Haar wens om voor anderen iets te betekenen bleef, ondanks alles, onbeschadigd.

 

Het is alsof ik wist dat ik haast moest maken, want voor mijn ongeluk had ik al een heel leven achter de rug. Tijdens de middelbare school ben ik een jaar naar Camp Hill in Engeland gegaan, waar ik met verstandelijk beperkte kinderen woonde en werkte, gevolgd door een jaar als au pair in Tanzania. Eenmaal terug in Nederland, rondde ik de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening af. In Engeland was de drang ontstaan om iets voor anderen te betekenen.

 

Hoe alles precies gelopen is, weet ik niet meer. Tijden en gebeurtenissen lopen in mijn hoofd enorm uiteen. Dat vind ik heel irritant, soms heb ik het gevoel dat ik mijn eigen leven niet ken. Ik kan iets wat iemand nét gezegd heeft, een paar minuten later weer vergeten zijn. In het begin raakte ik daarvan enorm overstuur. Ik voelde me zo onmachtig. Ik kan die tijd nog maar vaag terughalen. Ik had net een maand mijn motorrijbewijs toen het mis ging. Als ze me, toen ik na vier maanden uit mijn coma ontwaakte, hadden verteld dat ik door een olifant omver was gelopen, had ik het ook geloofd. Ik kan me niet eens herinneren dat ik ooit een motor heb gehad.

 

In het begin was het ontzettend moeilijk. ‘Toekomst?’, dacht ik. ‘Wat is dat?’ Ik werd wakker met een spastische, rechtzijdige verlamming, het resultaat van Niet Aangeboren Hersenletsel, NAH, wat ik “Niet Altijd Handig” noem. Mijn kortetermijngeheugen is zoek, praten en lopen gaat moeizaam en met mijn rechterarm kan ik vrijwel niks, behalve mijn middelvinger opsteken. Die heb ik getraind. Ik kon in die tijd maar moeilijk mijn emoties uiten, dus kwam die middelvinger me goed van pas. Door mijn ouders en drie zussen heb ik geleerd om mezelf weer te uiten zoals ik dat vroeger deed. Namelijk, door het beestje bij de naam te noemen. Dat schijn ik vroeger ook altijd gedaan te hebben en dat zie ik nu als mijn kracht.

 

Ik wind geen doekjes om mijn eigen situatie en dus ook niet om die van anderen. Zo woon ik in een antroposofische instelling voor mensen die, allemaal op hun eigen manier, wat praktische hulp nodig hebben. En ik werk bij een biologische voedingswinkel, samen met mensen met verschillende type beperkingen. Het is eentonig werk, maar ik heb mijn sociale vaardigheden en die zet ik in, overal waar ik kom.

 

In de tijd voor mijn ongeluk wilde ik er al graag voor anderen zijn. Het grappige is dat je daar niet zo gek veel voor nodig hebt. Nog steeds kan ik veel voor anderen betekenen. Ik durf zelfs te zeggen dat ik er nu beter voor mensen kan zijn. Doordat ik moeilijk terug en vooruit kan kijken, leef ik vooral in het nu. Daardoor ben ik volledig aanwezig bij de persoon die ik voor me heb. Ik vind het fijn als iemand een traan bij mij kan laten of even tegen me aan kan zeiken. Geen enkel aspect van mijn handicap houdt me daarin tegen. Daarom heb ik nauwelijks nog last van mijn aandoening. 

 

Natuurlijk zijn er momenten waarop ik het moeilijk vind te accepteren dat ik ben zoals ik nu ben. Ik vind ’t het moeilijkst als ik kijk naar de toekomst van mijn zussen. Die hebben nu kleine kindjes. En dan kan ik wel een hele leuke tante spelen, maar dat zijn ook de pijnlijke momenten. Dan word ik geconfronteerd met wat ik niet ga meemaken. Het helpt dat ik een hele lieve vriend heb. Wij bouwen, dan wel zonder kinderen, wel degelijk aan een toekomst samen. Ik vind het goed om vooruitzichten te blijven hebben, die houden me gaande. Dat is de reden waardoor ik zover gekomen ben. 

 

 

 

Journalist Caroline Griep doet steeds weer een poging tot opgeruimd leven. Daar schrijft ze over. En over wat ze iedere dag tegenkomt tijdens haar ochtendwandeling door de media.

Fotografie portret: Dingena Mol, Haar & make-up: Astrid Timmer

 

Bron: Het Laatste Nieuws