‘Mijn moeder is nu vijf jaar geleden overleden en ik mis haar nog elke dag. En wat veel mensen denken, is dat ik mijn vrij jonge vader nog een nieuwe liefde gun. Maar stiekem wil ik dat helemaal niet en hoop ik niet dat mijn vader opnieuw verliefd wordt.
Ik weet dat het misschien hard klinkt. Egoïstisch, zelfs. Maar elke keer als iemand tegen me zegt: “Je vader is nog jong hoor, hij vindt vast weer iemand!”, voel ik een knoop in mijn maag. Want eerlijk? Ik hoop van niet. Ik hoop níét dat mijn vader een nieuwe liefde vindt. En dat is niet omdat ik hem geen geluk gun. Maar omdat het ingewikkeld is. Pijnlijk soms. En verwarrend op manieren die ik zelf nog maar net begin te begrijpen. Ik mis gewoon het leven met mijn ouders en ik zie absoluut geen andere vrouw in mijn leven voor me, die mijn moeder zou kunnen vervangen. Mijn vader is pas 67, hoor. Dus je zou hem nog wel wat gezelligheid gunnen. Dat doe ik ook, maar niet in de vorm van een stiefmoeder.
Mijn lieve mama overleed plotseling. Te jong. Te oneerlijk. Sindsdien is ons gezin veranderd. Niet kapot, maar wel anders. Alles wat vanzelfsprekend was, moest opnieuw uitgevonden worden. En mijn vader? Die is sindsdien een soort schaduwversie van zichzelf. Lief, zorgzaam — maar ook moe. Een beetje verdwaald in zijn eigen leven.
Soms denk ik: misschien zou het goed voor hem zijn, een nieuwe liefde. Iemand die hem weer laat lachen, die er is als ik het niet kan zijn. Maar dan voel ik het weer: dat verzet. Dat stille protest in mijn lijf. Want de gedachte dat er iemand op de plek van mijn moeder komt… voelt als verraad. Alsof we haar uitwissen. Alsof liefde iets is dat je vervangt, in plaats van bewaart.
Het beeld in mijn hoofd
Ik stel me voor hoe hij hand in hand loopt met iemand die ik niet ken. Hoe haar spullen ineens in “hun” huis liggen. Hoe ze kerst met ons viert. Hoe zij misschien op een dag haar hand op mijn schouder legt en zegt: “Je mag me ook mam noemen, als je dat wilt.”
Ik voel dan schaamte om mijn eigen jaloezie. Want ik ben volwassen — ik wéét dat liefde niet opraakt. En dat iemand nieuws niet per se iemand anders wegneemt. Maar in mijn hoofd zit nog altijd het plaatje van hoe het was. En het beeld van een ‘nieuw iemand’ daarbinnen voelt als inbreuk.
Ik zeg tegen mezelf dat het oké is om dubbel te voelen. Dat ik verdriet en liefde tegelijk mag voelen. Dat loyaliteit niet betekent dat ik iemand anders hoef te haten. Maar ik ben er nog niet. Mijn hoofd begrijpt wat rechtvaardig is — mijn hart is daar nog niet klaar voor.
Soms hoop ik stiekem dat als hij ooit iemand ontmoet, het iemand is die mijn moeder eer aandoet. Iemand die ruimte laat. Iemand die niet binnenkomt met de bedoeling om de hoofdrol over te nemen, maar gewoon haar eigen plek vindt, zonder te duwen.
Tot die tijd…
Tot die tijd hoop ik eigenlijk gewoon dat hij het redt met ons. Dat wij genoeg zijn, voorlopig. Dat hij vindt wat hij nodig heeft in zijn werk, zijn vrienden, zijn muziek. Dat hij het verleden niet vergeet, en dat de liefde die hij had met mijn moeder niet iets is dat opgelost hoeft te worden met iets nieuws.
En als hij dan toch iemand vindt? Dan hoop ik vooral dat ik de moed heb om mijn hart open te houden. Zelfs als het pijn doet.








