Hier zou ik dus als een berg tegenop zien

 

File. We hebben er allemaal een hekel aan. Maar file op de Mont Blanc schijnt helemaal erg te zijn. 

 

 

 

Dan heb je maanden, misschien wel jaren getraind en dan ben je bijna bij de apotheose (het vergoddelijken van een vlaggetje dat jij dan naar de top hebt gedragen) en dan sta je daar vlak voor de top in de file. Nou jaaaa…

 

Heb je jezelf dus wijs laten maken dat het beklimmen van de Mont Blanc een hele kunst is en dat het zeer bijzonder is als je daar überhaupt kunt aankomen, en dan sta je op het laatste stukkie in de rij met een heleboel anderen die dat moment willen vastleggen voor Facebook of Instagram. Dat geloof je dan toch niet?

 

Is het dan tóch niet zo moeilijk, als zoveel mensen het kunnen? Dat denk ik dan als ik die file daar zie staan.

 

Ja, niet dat ik in die file achteraan sta, hoor. Ik denk dat ik het zelf écht niet kan, zo’n berg beklimmen. Maar ik wil het ook niet. Ik heb ook die drang niet om de natuur te belasten met iets waardoor ik zelf een beetje denk te kunnen shinen. En ik heb al helemaal niet de behoefte om in een gletsjerspleet te kunnen vallen, en me daarom aan iemand anders vast te klampen, die me er dan uit kan trekken of die ik dan meesleur. Ik moet er niet aan denken. Maar ik ben een watje.

 

En ik vind het eigenlijk ook achterlijk om daar in de natuur dan overal mijn lege flesjes en koekverpakkingen achter te laten. Maar om nou met een rugzak vol afval te gaan lopen sjouwen in die ijzige kou, terwijl ik steeds zuurstof tekortkom; nee, dan word ik toch liever vuilnisman op de begane grond, en in het zonnetje.

 

Maar iedereen mag natuurlijk doen wat hij wil. Laat dat duidelijk zijn. Al vind ik het stiekem toch verstandig dat ze op de Mont Blanc nu niet meer alleen stokjes steken op de top, maar ook halverwege. Omdat het echt te dol werd mogen nu nog maar 214 alpinisten per dag de Mont Blanc beklimmen.

 

Nog “maar” 214 per dag?? Hoe bijzonder is het dan eigenlijk nog? Dat vroeg ik me dus af toen ik het mensen zag doen in het tv-programma ‘3 op reis’ (maar eigenlijk was dat dus 214 op reis). Maandenlang had de presentator hiervoor getraind, en nu was het eindelijk zover. Barre kou, zuurstofgebrek, pijn, vermoeidheid, alles zat erin op deze tocht. En het was prachtig gefilmd.

 

Maar onderweg hadden ze gelukkig wel twee stops. Gewoon, in twee berghutten. Daar konden ze dan eten en drinken na hun barre en levensgevaarlijke tocht van die dag.

 

En ik kan er niks aan doen hè, maar dan schieten mij toch allerlei vragen te binnen. Noem mij maar dom, maar hoe komen de mensen die in die berghutten werken daar dan? Dat vraag ik me meteen af.

 

Hoe wordt zo’n berghut onderhouden, schoongemaakt en bevoorraad? En hoe komen de mensen die daar achter de bar staan elke dag op hun werk? Ik vond dat dat toch weer een beetje de romantiek eraf halen.

 

Ik ga dus zelf niet zo snel in de rij staan om die top te bereiken, denk ik. Maar eigenlijk vraag ik me ook af of de mensen die het wél doen ze nog allemaal wel op een rijtje (of file, net hoe je het noemen wilt) hebben.

 

Maar da’s mijn mening waarmee ik mezelf zoet houd. Gewoon, omdat ik er als een berg tegenop zou zien om zo’n tocht te maken.

 

 

 

Door: Tineke

Tineke is schrijfster van de boeken “Toch?” en “Stof Genoeg” en ze blogt ook zo nu en dan. Ze woont op het platteland met één (leuke) man, twee (lieve) kinderen, drie (onbespeelde) muziekinstrumenten, vier (wisselende) mantelzorgprojecten, een (bijna) vijfde boek, haar zesde (luie) kat, en (dus) ongeveer zeven muizen.

Afbeelding van Tineke