‘Ik kan niets meer overdoen. Maar ik kan wel proberen om het vanaf nu beter te doen en dat wil ik echt.’

 

‘Bijna twintig was ik toen ik zwanger werd en eerst was ik er hartstikke blij mee. De vader van mijn kind bekommerde zich opeens veel meer om me en ook vriendinnen waren een en al aandacht. Maar toen mijn dochter er eenmaal was, ging iedereen gewoon door met zijn leven en bleef dat van mij stilstaan. Als mijn vriendinnen gingen stappen, moest ik bij mijn kind blijven en als ik aan mijn vriend vroeg om ook eens een keer op zijn dochter te passen, kreeg ik een grote bek en smeerde hij ‘m. Nog geen jaar was mijn dochter toen hij zijn biezen pakte en voorgoed uit ons leven verdween. En daar zat ik dan, met een uitkering in een rottig huisje. Mijn moeder wilde heel af en toe wel oppassen, maar eigenlijk liever niet. 

 

Toen ze eenmaal doorsliep, liet ik mijn dochter wel eens alleen als ik uit wilde gaan en dat ging best goed, dus werd ik daar steeds makkelijker in. Toen ze vier was kon ik een baantje krijgen in een nachtclub. Dat verdiende goed en ik vond het fijn om onder de mensen te zijn. Soms hield de buurvrouw een oogje in het zeil. Soms legde ik wat lekkers voor mijn dochter neer en was het ook al goed. Zolang ik ’s ochtends maar voor haar opstond om een boterham te maken. En zelfs dat was op een gegeven moment niet meer nodig. Ze redde zich wel en ik vond dat maar wat makkelijk. Want eigenlijk had ik totaal geen zin om rekening te moeten houden met een kind.

 

In haar puberteit ging het mis. Ze kreeg verkeerde vriendjes, raakte aan de drugs en ging met kerels naar bed om aan geld te komen. Op een dag werd ik gebeld door de politie. Ze was gevonden. In elkaar geslagen en totaal van de wereld door de drugs. Toen ik in het ziekenhuis kwam werd ik boos op haar. Dat ze zo stom was geweest om zich te laten gebruiken voor drugs. Een verpleegster bood me een kopje koffie aan en begon een praatje met me. Ze vroeg me allerlei dingen. Waar we woonden, of ik werkte, of ik wist hoe slecht mijn dochter eraan toe was en of ik wel genoeg op haar lette. Waar bemoeide dat mens zich mee? Maar ze hield niet op. ‘U bent wel haar moeder,’ zei ze. ‘En die heeft ze nu heel erg nodig.’

 

De volgende dag kwam er een psycholoog aan haar bed. Die is met ons gaan praten. Eerst was dat niet leuk, want ik moest alleen maar huilen omdat ik eigenlijk een moeder van niks ben geweest en het ook mijn schuld is dat mijn dochter de vernieling in ging. Nu we een jaar verder zijn gaat het wat beter. Die psycholoog zien we nog steeds en die heeft me de ogen geopend. Ik kan niets meer overdoen, zegt ze. Maar ik kan wel proberen om het vanaf nu beter te doen en dat wil ik echt.’

 

Kimberly’s naam is vanwege privacy gefingeerd. Haar echte naam is bekend bij de redactie.

 

Moet jou ook iets van het hart en wil je dat (anoniem) met ons delen? Stuur dan een mail naar info@franska.nl onder vermelding van ‘Dit moet ik even kwijt’.