Tien kleine vingertjes en tien teentjes, zo kwetsbaar en teer dat ik ze alleen maar met de top van mijn wijsvinger voorzichtig durf te beroeren. Een puntgaaf schedeltje en een mondje oh zo klein. Vorige week kwam ze ter wereld, onze tweede stralende kleindochter. Net als haar grote zus van bijna drie een beetje te vroeg waardoor het lijkt alsof ze nog niet helemaal geland is op dag één. Een beetje verbaasd, een beetje verdwaasd. Haar oogjes stevig gesloten tegen al dat licht en dankbaar schuilend tegen haar moeders veilige borst.
De eerste keer dat ik haar in mijn armen mag houden maakt herinneringen los aan die andere eerste keren: de eerste keer met mijn dochter, de eerste keer met mijn eerste kleindochter. Het is een totaal overspoeld worden door geluk, dankbaarheid, ongeloof. Het is een niet kunnen geloven en amper kunnen bevatten dat dit mij mag overkomen, mij toekomt. Want het is nog steeds ook een beetje mijn bloed dat hier stroomt en dat maakt het zoeigen, zo dichtbij, zo uitzonderlijk dierbaar.
Ik heet haar welkom op deze wereld en stel me voor. Fluisterend in haar piepkleine oortje wens ik haar van ganser harte toe dat het haar mee mag zitten in haar leven. Ik vertrouw haar toe dat ze nog best van geluk kan spreken dat haar wiegje hier staat, bij deze ouders, bij deze grote zus, in dit huis, in dit land. Ze heeft nog een heel leven te gaan. Een leven dat nog maagdelijk voor haar ligt, met een weg die in ieder geval geplaveid is met kansen.
Met al haar vingertjes om mijn pink gevouwen wieg ik haar. Grote zus komt erbij. Ze weet het nog niet zo net wat ze ervan vindt nu ze niet meer het enige stralende middelpunt is. ‘Een beetje spannend,’ vindt ze het wel. En dan vertel ik haar mijn verhaal over het grote moederhart: het is een hart dat zo groot is dat het niet uitmaakt hoeveel nieuwe baby’tjes erbij komen, leg ik haar uit. Ze passen er toch wel allemaal in, in dat hart dat zoveel liefde te geven heeft dat er nooit een einde aan komt. Want het is een liefde van de bijzondere, onvoorwaardelijke soort die nooit opraakt en nooit uitgeput raakt.
Ze kijkt me aan, mijn grote, kleine kleindochter. Ik geef haar mijn allerliefste zoen en verzeker haar dat ik nog steeds de boelste boel van de hele wereld van haar houd. En dan hebben we ook nog een héél groot cadeau om te vieren dat ze grote zus is geworden, dus nou en of het feest is vandaag. Ze trekt het papier er behoedzaam af. Alsof ze nog even op mijn verhaaltje over het moederhart moet kauwen.
Samen leggen we haar zusje in haar nestje in de box. Verschrikt opent ze haar oogjes die donkerblauw zijn. Zachtjes aai ik over haar buikje. ‘Ik ben bij je,’ fluister ik. Grote zus volgt mijn voorbeeld. Met haar peuterhandje over haar zusjes buikje strijkend zegt ze me na. Het is een welgemeend: ‘Ik ben bij je.’







