Soms, als ik mijn hond uitlaat, heb ik het idee dat Nederland vol zit met ‘hondenfluisteraars’. Van die types met verstand van honden. En dan vooral van mijn hond. Bloedirritant vind ik dat.
Mijn Takkie is al oud. Een beetje doof en blind aan een oog. Hij loopt dus niet meer zo snel, schrikt als hij iets niet heeft gezien met dat blinde oogje en hij is niet zo gecharmeerd van drukke honden. Ik loop daarom al niet meer door het park bij mij in de buurt en ga het liefst een blokkie om, daar waar ik niemand tegenkom. En vooral niet de genoemde hondenfluisteraars.
Een hond met een gebruiksaanwijzing
Nu moet je weten dat mijn teckeltje ooit gebeten is door een hele grote Leonberger. Dat heeft een heleboel bezoekjes aan de dierenarts gekost en sindsdien heeft Takkie een gebruiksaanwijzing. Zolang we ons daaraan houden is er niets aan de hand en is hij het liefste beestje op aarde. Maar zodra er zich een vreemde hond aan hem opdringt verandert hij in een terrorteckel van jewelste. Niet gezellig en vooral oncontroleerbaar. Mij zul je daarom ook nooit horen zeggen dat ie niks doet. Want je weet maar nooit.
De meeste mensen die mij en mijn hond kennen van de dagelijkse wandelingetjes weten dat en laten ons wel met rust. Maar zo af en toe is er weer een nieuwe hond en dito eigenaar die het blijkbaar nodig vindt om mijn oude hond op te zadelen met zijn Diesel, Max of Luna. Met zo’n houding van ‘leuk hè, ik heb nu ook een hond en ben op cursus geweest. En dus weet ik nu ook hoe het werkt met die van jou’. Als ik er zo een vanuit mijn ooghoeken zie naderen probeer ik al meteen rechtsomkeert te maken,
Niet elke hond wil spelen. Snap dat dan!
Maar voor je het weet staat ie toch naast je en zeg ik direct dat de mijne niet zo vriendelijk is en vraag vriendelijk of hij zijn hond even bij zich wil houden tot ik gepasseerd ben. Maar dat is aan dovemansoren gericht. Want zodra zo’n baasje voet in het park zet laat hij zijn hond al los en is er geen houden meer aan. Zo’n beest trekt als een ongeleid projectiel een sprint naar de mijne die van schrik en nijd heel hard begint te blaffen. Als ik dan opnieuw vraag of hij zijn hond bij zich wil houden krijg ik altijd te horen dat het niet erg is als de mijne hapt, want die van hem moet het tenslotte nog leren.
“Hij doet niks hoor!”
Mij bekruipt dan het gevoel van een opdringerige vent die veel te dicht bij me in de buurt komt. Die nogal in mijn aura zit, zal ik maar zeggen. Zo eentje die maar niet snapt dat ik geen interesse heb in zijn avances. Een beetje zoals Piet bij Ingrid deed in B&B Vol liefde. En altijd volgt er dan een college over hoe ik met mijn hond om moet gaan. Dat ik dit moet doen en dat vooral moet laten. En dat die van hem vooral niks doet. Ja, ja. De hondenfluisteraar in optima forma.
De ongevraagde adviezen van zelfbenoemde hondendeskundigen
Ik wacht dus voortaan maar tot het lesje ‘ik zal jou eens even vertellen hoe het moet’ weer voorbij is. Til mijn Takkie op en loop rustig weer naar huis. Tot ik de volgende tegenkom die het dan weer nodig vindt om me te vertellen dat ik mijn hond niet op moet tillen. Dan tel ik maar weer even tot 10 want ik heb helemaal geen zin om voor de zoveelste keer uit te leggen dat mijn Takkie een hartprobleem heeft en zijn uithoudingsvermogen daarom niet meer zo groot is.
Hou gewoon je mond en bemoei je niet met mijn hond, denk ik dan. Is dat nou zo moeilijk? Als ik advies nodig heb dan vraag ik er wel om en ben jij de eerste die het hoort. Zullen we het zo afspreken?








