“Ik ga écht niet mee naar Italië.” Flo laat een plechtige stilte vallen. “Maar toch bedankt.” Bel en ik moeten lachen. We hebben Flo inmiddels driehonderd keer gevraagd of ze met ons mee wil naar ons geliefde Italië, maar toen standvastigheid werd uitgedeeld, had Flo haar wekkertje extra vroeg gezet en de rest van het gezelschap opzijgeduwd om een extra grote portie te bemachtigen. Het antwoord ‘nee’ hebben we inmiddels in alle mogelijke variaties gehoord. Om “beter van niet, ik heb nog meer dingen te doen” hebben we hard gelachen.
Maar nu kwam het pijnpunt. Omdat ons idee om Flo na twee weken op te halen en haar een weekje te verwennen in Puglia – en daarna weer terug te brengen naar Nederland – niet doorging, waren we ineens wel heel lang weg. Vier hele weken. Vier! Ik geloof dat onze eerste vakantie samen ook vier weken duurde. We waren jong, werkten allebei bij tv, waar een zomerstop gold voor ons programma, dus we hadden geen verplichtingen en de wereld lag aan onze jeugdige voetjes.

Hoe dichter het vertrek nadert, hoe onrustiger ik word. Ik wil vaak naar Flo. Alsof ik mijn jerrycannetje met liefde voor haar zo hoog wil vullen dat de dop er bijna niet meer op past. Mijn lief ziet het en spreekt me ernstig toe. Dat Flo gekozen heeft. Dat ze niet wil. Dat ze in de beste handen is en dat het vanuit medisch oogpunt – ze heeft onlangs weer een zware epileptische aanval gehad – eigenlijk bijzonder onverantwoord is om haar mee op reis te nemen. Hij gaat verder. Dat ik het Bel en Iggy moet gunnen, dat ik het hem moet gunnen en vooral – en nu kijkt hij me diep in de ogen – dat ik het mezelf moet gunnen.
Dus ja, ik mag een verpulverd hart hebben zo nu en dan, maar we gaan het er niet de hele tijd over hebben. Deze vakantie is nu voor de rest van het gezin. Ik denk aan het verhaal – ze heeft het me inmiddels honderd keer verteld – van mijn moeder toen ik net geboren was. In allerlei opvoedkundige boeken had ze gelezen dat je je andere kind, mijn oudere broer in dit geval, vooral erg veel aandacht moest geven. Dus toen wij na een week kraamhotel eindelijk thuis waren, legde ze mij in mijn bed en besloot ze de hele avond aan mijn broer te besteden. Toen ze de keuken uitliep met een glaasje limonade voor hem, was mijn broer verdwenen. Lang verhaal iets korter: hij stond bovenaan de trap en hield mij – een baby van tien dagen oud – aan mijn luier vast in zijn rechterhand. Het was allemaal gezellig met mijn moeder, maar die baby, die moest er ook bij.

Zo ongeveer gaat het bij ons ook. Ons helemaal richten op ons vieren mislukt jammerlijk. Flois er in de verhalen, in herinneringen – mijn lief en ik reden zelfs een stuk om op zoek te gaan naar een restaurant waar we drie jaar geleden zo gezellig met Flo hadden gegeten – in het armbandje om mijn pols, waar een kraaltje aan zit met daarin een foto van Flo. Als je hem heel dicht tegen je oog houdt, zie je haar liefste gezicht verschijnen. En vooral is ze er elke avond rond een uur of half acht. Zij net gedoucht, wij meestal net aan tafel. Flo videobelt, wil alles zien: wat we eten, of ik een nieuwe jurk aan heb, of ik even wil snuffelen of het geluid wil maken van een baby die een papje eet, of we haar in augustus komen ophalen in mama’s auto, mét Monti. En als wij hebben gezegd dat we heel veel van haar houden en dat ze altijd in ons hart is, doet ze een Houdini. Weg is ze. Maar morgen belt ze weer. En zo is ze er toch niet een klein beetje, maar heel, heel erg enorm hartstikke bij.








