De wereld in het klein

 

Jaren geleden ben ik verhuisd naar een dorp, omdat ik verliefd werd op een boer.

 

 

 

Of, nou ja … hij werkte gewoon op een kantoor, maar zo werden mensen die buiten Amsterdam woonden toen genoemd. Profileren is dus echt niks nieuws.   

Maar (boeren)jongens nog aan toe, wat beviel het me om buiten te zitten en de A10 niet te horen. Wat een rust, en wat een rijkdom! En dat mensen elkaar hier groetten, vond ik helemaal bijzonder. Ook mensen die elkaar niet kenden, zeiden op straat ‘hallo’ en ‘goedemorgen’ tegen elkaar, terwijl het in Amsterdam toen net hip begon te worden om ‘hé, eikel, kijk effe uit je doppen’ te roepen als iemand zich voor je wielen wierp. Want zebrapaden leken er alleen nog voor de lol (en allerlei statements) te liggen, maar stoppen deed daar niemand meer. Je moest maar gewoon gaan, en hopen dat je de overkant zou halen. Een beetje waar we toen nog heel erg om moesten lachen als we beelden uit India zagen, terwijl we er later echt niet meer voor onder deden. Zoiets groeit dus. Heel langzaam, maar heel gestaag.

 

Ook qua troep, trouwens. Want waar ik nog had geleerd dat je snoeppapiertjes in je zak moest stoppen – Wat nou, als iedereen die op de grond zou gaan smijten? Dat vroegen je ouders toen nog aan je – begon het in Amsterdam toen al steeds gewoner te worden om alles wat je kwijt wilde gewoon uit je handen te laten vallen. New Delhi-wannabees waren we eigenlijk. Terwijl ze daar net begonnen met opruimen.

 

En toen ook nog de stratenveger werd wegbezuinigd, en er steeds méér toeristen en minder prullenbakken kwamen, was het hek van de Dam natuurlijk. Ik was dus ook dolblij met de kliko die in mijn dorpje flink veel ruimte in mijn tuintje innam. Het was er toen nog maar één (en niet de hele rits van nu) maar wat een rijkdom vond ik dat! Nooit meer die meurende zakken op mijn balkonnetje, en nooit meer naar beneden lopen met lekkend plastic. Ik adoreerde het dorpsleven vanaf dag één.

 

En toch…

 

Toch beginnen ze in het dorpje waar ik nu woon steeds meer stadse gewoontes over te nemen. En dat is begonnen met het loslaten van groeten. Je weet eigenlijk allang niet meer wie er woont in de nieuwe wijken achter de nieuwe wijken, en na tig keer groeten zonder tegenreactie stop je daar dan maar mee. Zo jammer.

 

En wat ik ook jammer vind, is dat voorbijfietsende jeugd het doodnormaal begint te vinden om lege blikjes, pakjes en zakjes over de heg te kieperen. Iets wat ze bij “bekenden” nooit zouden doen, en waarvan ik (als ex-stadsbewoner) dus weet wat ervan gaat komen.

 

Of de hond uitlaten in een gebied waar duidelijk staat dat het een vogelbroedgebied is, en dat je daar met je hond dus niet mag komen, ook zoiets. In het begin riepen ze hier nog dat de rottigheid meekwam met de mensen die van buiten kwamen, maar je ziet met die honden (en de BBQ’s, brandstapels, carbidschieten, straatraces, drugs en vuurwerk) dat het juist de oorspronkelijke bewoners zijn die dat soort verboden massaal gaan negeren. Wat eerst één dag per jaar werd getolereerd (op bijvoorbeeld oudjaarsdag, of op de kermisdagen) wordt nu het hele jaar door gebezigd.

 

En wat ik daar de aller-aller-allerergste tolerantie van vind, is het fietsen op de stoep. Daar begon het in Amsterdam ook allemaal mee. En dan nog bellen dat je als voetganger aan de kant moet ook. Grrr.

 

Maar dat doen alleen “boeren”. Want de “import” (uit steden) weet nog van vroeger waar dit naartoe gaat. Die zullen dat dus nooit doen. Eigenlijk zie je in dorpjes dus in het klein wat overal in de wereld in het groot gebeurt. Mensen lappen massaal de regels aan hun laars, en geven dan onbekenden de schuld als er dingen gaan storen.

 

Misschien moeten we in het hele land ‘elkaar groeten’ dus maar verplicht gaan stellen. Als stap één van elkaar (weer) leren kennen. 

 

Door: Tineke

Tineke is schrijfster van de boeken “Toch?” en “Stof Genoeg” en ze blogt ook zo nu en dan. Ze woont op het platteland met één (leuke) man, twee (lieve) kinderen, drie (onbespeelde) muziekinstrumenten, vier (wisselende) mantelzorgprojecten, een (bijna) vijfde boek, haar zesde (luie) kat, en (dus) ongeveer zeven muizen.

Afbeelding van Tineke