songfestivalfeest
songfestivalfeest

Als ik weer achttien was…

Na zes weken ging het uit. Dat heeft Wieke haar moeder laten doen. Aan de deur, terwijl zij over de trapleuning hing om te horen hoe dat ging.

 

Wat ik zou doen als ik weer achttien was? Vraag liever wat ik bovenal nooit meer zou doen. Genoegen nemen met de kneus van om de hoek, omdat mijn vriendinnen een vriendje hadden en ik niet. Op feestjes kon ik me zonder jongen niet vertonen. Nee, dan naar een feest met een slome donder. Hoe leuk was dat? Geen hoge hakken dragen, anders stak ik boven hem uit. Hij had vet haar, stonk uit zijn mond, had dunne, haarloze benen en kon niet dansen. Waarom hij? Omdat er op dat moment niemand anders was. Omdat hij me rozen had gestuurd toen ik achttien werd. Omdat hij al sinds zijn tiende achter me aan liep, een en al adoratie. Een gemakkelijke prooi. Van tongzoenen had hij nog nooit gehoord. Goddank, want die stinkende adem was niet iets om naar uit te kijken. Na zes weken ging het uit. Dat heb ik mijn moeder laten doen. Aan de deur, terwijl ik over de trapleuning hing om te horen hoe dat ging. ‘Kijk jongen, je neemt haar mee naar het strand terwijl het tien graden onder nul is en je brengt haar bevroren thuis. Dat is geen liefde…’

 

Hij had vet haar, stonk uit zijn mond, had dunne, haarloze benen en kon niet dansen

 

In plaats van dat hij flink zei: ‘Ga opzij vrouw, ik bespreek dit alleen met uw dochter!’ barstte hij in huilen uit. Dat van het bevriezen was wel zo, ik had pijnlijk tintelende voeten op die winteravond. Hij was ook heel gelovig. Gingen we naar een verjaardag, dan zei hij blij: ‘Ik hoop dat we vanavond nog kunnen getuigen van de Heer!’ Mijn moeder had een pesthekel aan zijn familie. Waarom? Omdat ze onder mijn broertjes bed een blad met blote vrouwen had gevonden. Hij had dat geleend van het broertje van mijn vriendje. ‘Wel in de kerk zitten met die vrome hoofden en dan hun ogen sluiten voor die viezigheid!’ brieste ze toen en mikte het blad bij ze in de brievenbus. Ze beleefde een satanisch genoegen aan het uitmaken. Maar dat was toch intens gemeen en laf van mij? Op mijn achttiende was ik gewoon nog lang niet áf. Ik ben nog steeds niet af – een mens is nooit af – maar het begint erop te lijken: dolblij dat ik niet iemand anders ben, maar mezelf.

 

Door : Wieke Biesheuvel

Wieke Biesheuvel werkte en woonde zes jaar in Zambia, is nu voorgoed terug en probeert het Nederlandse leven weer onder de knie te krijgen. Waarbij ze beurtelings verbaasd, boos, dolgelukkig, verward of blij is.

 

witte-balk-met-bol-wieke