Vorig jaar verloor Maarten zijn dochter Sterre. Hoewel ze heel graag wilde, lukte leven haar niet. Vorig jaar werd haar de euthanasie “gegund”. Voor Franska schrijft hij over zijn onmetelijke liefde voor zijn dochter, haar leven en haar overlijden.
Maarten van der Starre
‘Wie legt Sterre in haar kist?’ vraagt Pauline, Sterres uitvaartbegeleidster. Pepijn, Sam en ik steken onze vinger op. Sterre ligt nog op haar bank. De bank waarop ze zojuist zacht is gaan slapen om niet meer wakker te worden. De roomwitte kist staat al in de kamer. Haar nicht Sam pakt Sterre bij haar voeten. Ik haar hoofd. Pepijn staat tussen ons in. Vol liefde tillen we Sterre op. Haar hoofd in mijn handen. Niet zwaar in gewicht, wel intens zwaar van liefde. Pepijn breekt. Zijn verdriet ontneemt hem zijn kracht. Gelukkig staat de kist dichtbij. Behoedzaam vleien we Sterre neer in het zachte satijn. Sam, ik én Pepijn.
Wij hebben drie geweldige kinderen: Tom, Sterre en Pepijn. Pepijn is de jongste en de meest eigenzinnige. Op zijn zestiende, bij de start van havo 4, vertelt Pepijn ons dat hij stopt met school. Hij wil kok worden. We weten niet waar dat ineens vandaan komt. Pepijn zelf trouwens ook niet. Maar alles heeft hij al geregeld. Stageplek, opleiding en afspraken met de decaan. Of we alleen nog even bij het kruisje willen tekenen. Typisch Pepijn. Het is de start van een bliksemsnelle en succesvolle carrière achter verschillende kachels. We lopen over van trots. Sterre ook.
Maar terwijl Pepijn steeds harder gaat in zijn werk wordt zijn zus steeds zieker. In ons huis, zijn huis, ontstaat steeds meer onveiligheid. Sterres hoofd wordt zo ziek dat wanhoop en intens diepe, psychische pijn haar gedrag stuurt. Zo heftig dat we er niet meer aan herinnerd willen worden. Te pijnlijk, te verdrietig. In diezelfde tijd proberen we zo goed als we kunnen ook onze jongens vast te houden. Als Pepijn de kans krijgt chef te worden in een luxe hotel op de Veluwe ‘vlucht’ hij. Uit zelfbescherming en om ons één zorg minder te geven. Zijn boodschap luidt: maak je over mij maar geen zorgen, ik red me wel. Natuurlijk maken we ons wel zorgen. Sterre waarschijnlijk nog het meest. Van iedereen kent zij haar jongere broertje het beste. Ze houdt oneindig veel van hem en zorgen maken is vaak gewoon de keerzijde van liefde.

Op de avond voor haar euthanasie schrijft Sterre nog aantal kaartjes. Ook één aan Pepijn. Vol van liefde, goede adviezen en trots. Ze schrijft: ’Ik ben zo dankbaar dat ik je heb zien groeien tot de man die je nu bent.’ Een week later loopt die man vooraan op het Wilhelminaplein in Naaldwijk. Naast zijn broer Tom. Met vier andere lichtpuntjes tillen ze Sterre boven de mensen uit. Wordt ze voor de allerlaatste keer gedragen. Steunen Pepijns schouders nog één keer zijn zus.

Inmiddels is de tijd een jaar opgeschoven. Pepijn woont weer bij ons thuis en zijn koksbuis hangt aan de wilgen. Chef-kok af, timmerman aan. Hij start een eigen bedrijf. Van de ene op de andere dag natuurlijk, want Pepijn blijft Pepijn. Dezelfde Pepijn die zonder na te denken in een vliegtuig stapt omdat zijn zus ineens kaartjes heeft voor een concert van Einaudi in Birmingham. Die in coronatijd voor ons een kerstavond regelt in zijn verder volledig verlaten hotel op de Veluwe. Eigenlijk vooral voor Sterre. En die nu dus ineens kiest voor een nieuwe carrière in de bouw. Elke morgen om 6.30 uur rijdt een Mercedes Sprinter onze straat uit. Op de zijkant in sierlijke letters zijn bedrijfsnaam. Een ode van die grote, kleine broer aan zijn zus: Ster Totaalbouw.






