Van iets niets maken
Dat kon ik goed, ook daar op die viezige stoffige camping.
Na 33 jaar was ik terug in het mooie Avignon. Vanaf het pauselijk paleis keek ik uit over de Rhône en daar, op het eiland in de rivier, zag ik hem liggen: de camping waar ik toen met mijn vriendin drie weken had gestaan. We waren, als tweedejaarsstudenten met weinig geld maar zin in zon, met de trein in Avignon beland. Zij studeerde aan de kunstacademie en ik had net mijn propedeuse geschiedenis gehaald. Behalve dat we ook van de oppervlakkigere geneugten van het leven hielden, hadden we toch ook een zekere interesse om dat rijke verleden van Frankrijk te ontdekken. Dus maakten we vanuit die camping uitstapjes naar bijvoorbeeld St. Remy, waar Van Gogh in zijn laatste bange dagen zich helemaal te pletter had geschilderd. We gingen naar Orange om een Romeins amfitheater te bekijken en togen naar Fontaine-de-Vaucluse waar de Renaissance-dichter Petrarca over had gejubeld. We deden alles liftend, anders kwamen we niet uit met ons krappe budget. Iedere avond hingen we in de stad, waar vanwege het theaterfestival op straat van alles te beleven was, gratis en voor niets.
De herinneringen aan die camping stonden nog scherp in mijn geheugen. Na zo’n dag op pad strekten we ons uit op onze dunne matjes voor dat piepkleine iglotentje. We slurpten rode wijn die een boertje voor ons uit een vat had getapt en aten stokbrood met tomaat en pâté de campagne. We waren ontzettend zuinig. Om de andere dag gunden we onszelf óf een Magnum, het ijsje dat die zomer gelanceerd was en waar we toen nog van dachten dat het net zoveel calorieën telde als een pakje roomboter, óf een grote kom café crème in het zwembad om de hoek. Daar lagen we te lezen en te zonnebaden als onze culturele belangstelling wat zwakker afgesteld stond. Op zo’n zwembad-dag was ik in slaap gevallen zonder mijn gezicht goed in te smeren. De volgende ochtend leek mijn huid op die van een krokodil, met allemaal vierkante blaasjes. ‘Zo krijg ik nooit een vriend,’ jammerde ik de rest van de week. Het viel mee, zowel met die huid – als je de toen niet merkbare DNA-schade niet meerekent tenminste – als met die vriend. Meteen na de vakantie dook ik een verkering op, die toch een dik jaar duurde.
Het was sowieso allemaal goed gekomen, dacht ik dankbaar daarboven op die burcht, waar ik stond met de liefde van mijn leven met wie ik drie kinderen had gekregen, van wie de jongste die dag warempel 18 was geworden.
Het feestvarken zelf zat een oceaan verderop, in de jungle van Costa Rica. Een reis met een iets ander uitgavepatroon dan dat van mij toen, begin jaren 90. Haar leven was een welvaartsstandje opgeschoven, net als dat van veel van haar generatiegenoten. Het is ze van harte gegund, maar toch, ik ben er niet slechter van geworden om ‘de tering naar de nering te zetten’. Ik leerde het van mijn moeder, die een kind van de wederopbouw was.
Van niets iets maken, dat kon ik goed, ook daar op die viezige stoffige camping. Zoveel jaar later herinnerde ik me weinig van alles wat we gezien hadden maar wel heel goed hoe ik had genoten van die weloverwogen Magnum. Ik vind er niks meer aan, zo’n Magnum, ook nu ik weet dat het met die calorieën best meevalt. Kamperen doe ik ook nooit meer. Maar die herinneringen zijn zoet en onbetaalbaar.







