De zeven nadelen van leven à la campagne

 

‘Wat doe jij de hele dag?’ Deze al zo vaak gestelde vraag komt meestal van vrienden met een drukke baan en kinderen.

 

Afstanden op het platteland

‘Wat doe jij de hele dag?’ Deze al zo vaak gestelde vraag komt meestal van vrienden met een drukke baan en kinderen. ‘Niks,’ lieg ik dan, ‘een beetje in de hangmat hangen met een boek.’ Natuurlijk, er zijn dagen dat ik dat doe, maar de meeste dagen op het Franse platteland vliegen voorbij. Dat heeft alles te maken met de afstanden die we hier moeten afleggen. We wonen namelijk op een half uur rijden van ‘alles’: heen én terug. Boodschappen doen we met uitgeschreven menu’s voor een paar dagen. De grote koelkasten, vrieskist en planken in de voorraadkast zijn altijd gevuld, want wie weet komen er vrienden langs. En die broodbakmachine staat er ook niet voor de lol, die wordt écht heel vaak gebruikt. Omdat ‘alles’ een half uur rijden is, zijn we creatief met onze tijd. Op weg naar een lunch rijden we met een volle auto eerst langs de déchetterie en gaan we op de terugweg nog even langs die ene instantie, wijnboer of winkel met tuinspullen. En als we dan toch nog iets vergeten zijn, zijn er nog altijd de buren: hun voorraadhok is nog groter dan dat van ons.

 

Enge beesten in en rond het huis

De eerste nachten, de eerste weken, oké, laat ik eerlijk zijn: de eerste maand lag ik hier als een plank in bed. Ik hoorde (naast monotoon gesnurk op rechts) van alles en nog wat in dat oude dorpshuis dat zeven jaar had leeggestaan. Geritsel en gekras op het dak, vanuit het niets opeens keihard krakende vloeren, geschraap aan de buitenkant van het huis en kleine rennende pootjes over de grote, doodenge zolder. Als ik de geluiden aan mensen beschreef kreeg ik steevast grote ogen. ‘Oh God, als het maar geen steenmarter of zevenslaper is!’, zeiden ze dan. Want zowel de steenmarter, zo groot als een kat, als de zevenslaper, zo klein als een muis, kunnen behoorlijk wat schade aan een huis toebrengen. Het bleek geen van tweeën te zijn. Godzijdank. ‘De hijgende man onder de struik’ die ik ‘s avonds in de tuin hoorde, bleek na inspectie een lieve, snuffelende egel te zijn. En de enorme plof uit de klimop op het terras – ‘Dat is dus een vallende steenmarter!’ gilde ik, – bleek een dikke pad te zijn die de weg een beetje kwijt was. Zoveel jaar later ken ik alle geluiden van dit oude huis en slaap ik overal doorheen. 

 

De tuin is een joekel

We dachten dat we in Amsterdam een joekel van een tuin hadden (75m2) maar nu hadden we er opeens eentje van tweeduizend vierkante meter. Met allerlei onbekende struiken en bomen. Zoek dan op internet maar eens naar ‘boom met roze bloemen’… Dagenlang was ik op mijn knieën onder allerlei struiken te vinden op zoek naar onkruid, slakken, woekerende klimop en dode takken. Als ik het ene perk onkruidvrij had, stond het perk dat ik de dag daarvoor gedaan had alweer boordevol. Op de stortplaats, waar ik alles uit de tuin dumpte, groeiden op een gegeven moment Franse lelies. Die had ik er blijkbaar ook in een ijverige bui met wortel en al uitgetrokken. Toen die hoop een enorme berg werd, hebben we die weg laten halen door de tuinman. Die doet nu het grote werk in de tuin. Want een beetje grasmaaien en perkjes bijhouden is leuk, maar het moet geen dagtaak worden.

 

De jacht

‘O, kijk eens, een hert!’ ‘Nee, dat is volgens mij een ree.’ Pang! Pang! Wat het ook was, nu is het dood. Als het jachtseizoen in september aanbreekt, wordt er aardig wat afgeknald in de Dordogne. Als je dacht mazzel te hebben omdat je boerderij aan een mooi stuk open land of bos grenst, kan je rond deze tijd de pech hebben dat de kogels door je achtertuin vliegen. De jagers rijden hier overigens niet in spiksplinternieuwe fourwheeldrives en dragen ook geen tweedjasjes of malle hoedjes met een veer erop. Nee, de meeste jagers zijn in het dagelijks leven boer, rijden rond in oude witte bestelauto’s en zijn tijdens de jacht te herkennen aan een knaloranje hesje, dito petje en een bungelend sjekkie in de mondhoek. Aan het eind van het jachtseizoen, als familie, vrienden en restaurants van reeën, zwijnen of een verdwaalde haas zijn voorzien, en de vriezers van de jagers zelf ook weer vol liggen, organiseren de jagende boeren bij ons in het dorp een repas de chasse. Tijdens deze uren durende zevengangenlunch komt alles op tafel wat zij de maanden ervoor hebben geschoten. Met alle vrolijkheid die daarmee gepaard gaat, zijn de door de tuin vliegende kogels een stuk makkelijker te vergeven.

 

Hout, droog hout, s’il vous plait

De bladeren vallen, het is tijd om eens een lekker knapperend haardvuur in die grote cheminée of stoere houtkachel aan te maken. Waar en wanneer je dat hout haalt, is een dingetje. Een netje hout bij de bouwmarkt halen is voor amateurs, dat is zoiets als de coq au vin maken met één glas wijn. In de winter hout bij een zagerij kopen is ook geen goed idee want dat hout is nog vochtig. Hout scoren doe je als de mussen hier zo’n beetje vrijwillig van het dak vallen. Je meet de kubieke meters van de ruimte die je wilt verwarmen, vermenigvuldigt dat met het aantal dagen – hier haak ik dan meestal al af – en combineert dat weer met de manier van stoken. ‘Dan weet je,’ zegt mijn man kordaat ‘dat wij minimaal zoveel kuub hout nodig hebben.’ Ik zou een kuub nog niet herkennen als ie voor me stond, maar in de zomer wordt altijd een enorme hoeveelheid hout in onze tuin gepletterd. Ed gaat dan een dag lang, met een grote grijns op het gezicht, tekeer met de kettingzaag zodat het op het maat gezaagde hout onder een afdak nog verder kan drogen. En dat zelf gezaagde hout fikt in de winter als een dolle!

 

De stroom er weer af

In Nederland zou ik echt niet weten waar hij ligt, maar in Frankrijk kan ik hem blindelings vinden. Hij ligt in de grote schaal met pennen, sleutels, paperclips, opschrijfboekjes en een paar verdwaalde champagnekurken: de zaklantaarn. Net als de stoppenkast, die kunnen we ook met onze ogen dicht vinden. Want een beetje storm, bliksem of een elektriciteitskastje met kuren en hupsakee: weg is de stroom. Dag internet, dag buitenwereld! Even lijkt het avontuurlijk, maar koken op inductie blijkt dan toch heel onhandig en de koelkasten en de vriezer kunnen ook niet al te lang zonder stroom. Als het ’s avonds laat gebeurt, besef je pas hoe aardedonker het op het platteland kan zijn. Maar… scrabbelen bij kaarslicht (plus zaklantaarn) is met een glas wijn erbij heel goed te doen, weet ik uit ervaring.

 

De rust

‘Die rust hier’, verzuchten vrienden ’s avonds laat op het terras. ‘O ja, over rust gesproken, morgenochtend om half acht bimbamt de ene kerkklok negen keer,’ zeg ik ‘en daarna trekt iemand nog veertig keer aan een ander touw zodat de andere klok ook nog zeker tachtig keer van zich laat horen.’ Rust is een relatief begrip hier. Aan de rand van het dorp staat een zagerij. Geen afgesloten werkplaats, maar een flink dak op vier palen. Op gezette tijden gaan daar complete bomen langs de zaag om uiteindelijk planken te worden. En ja, dat hoor je. Wanneer het tijd is om te oogsten kan de avondstilte soms bruut verstoord worden door een oude tractor die met piepende aanhanger met daarop losliggende stalen platen langs het dorp jakkert. In het weekend pakken de Fransen graag hun tuin aan en horen we het monotone gebrom van een zitmaaier of een randjesknipper. ’s Nachts horen we soms de verwarde haan op de heuvel, die kan opeens beginnen te kukelekuën waardoor de hond op het erf aanslaat en daarna weer antwoord geeft op de echo van zijn eigen blaf…

Door: Asjha van den Akker