Hoezo ‘troostmeisjes’? Alsof er geen dwang achter zat door ze zo te noemen?

 

Want troostmeisje staat voor een afgrijselijke vorm van oorlogsverkrachting die gewoon in “comfort houses” werd gefaciliteerd. 

 

‘Nederlands ‘troostmeisje’ Jan Ruff-O’Herne (96) overleden’, kopte het NRC van de week. Het woord echode na in mijn hoofd: 

 

Troostmeisje.

 

Alsof er geen dwang achter zat, door de meisjes troostmeisjes te noemen. Meisjes inderdaad. Jan Ruff-O’Herne was weliswaar “al” negentien toen ze tijdens de Tweede Wereldoorlog op Java met haar Nederlandse ouders werd ingerekend in een interneringskamp van de Japanse bezetter, zij was “al” negentien toen ze van het interneringskamp werd overgebracht naar een bordeel om “troost” te gaan bieden aan ongeacht wie daar aanspraak op dacht te kunnen maken, maar veel troostmeisjes waren nog maar tieners – vaak niet eens ouder dan een jaar of twaalf. 

 

Want troostmeisje staat voor een afgrijselijke vorm van oorlogsverkrachting die gewoon in “comfort houses” werd gefaciliteerd. En overal waar Japan zijn troepen stationeerde, schoten die comfort houses als paddenstoelen uit de grond. Liefst pal aan de frontlinie; om de moraal van de troepen hoog te houden en de militaire verloven in te perken – want wie maalde er nou nog om verlof bij zoveel gratis troost? 

 

Behalve als troostmeisje verwierf Jan Ruff-O’Herne bekendheid als mensenrechtenactiviste. Omdat ze het in de oorlog zonder mensenrechten had moeten stellen. Omdat de meisjes elk moment van de dag klaar moesten staan om de troepen troost te bieden (is het voorstelbaar – dat meisjes tientallen “klanten” per dag tevreden moesten stellen?). Omdat ze werden verkracht, gemarteld, gedood. Zonder noemenswaardige medische voorzieningen en met net genoeg te eten om niet te creperen.  

 

Jan Ruff-O’Herne was in de jaren negentig de eerste Europese die met de gruwelen uit de comfort houses naar buiten kwam. Veel andere troostmeisjes deden dat niet.

 

 

Uit schaamte. Of omdat ze de oorlog en de comfort houses überhaupt niet hadden overleefd – voortijdig waren overleden aan een SOA, aan de hongerdood, aan uitputting, als gevolg van mishandelingen, gedwongen abortussen of sterilisaties. Of omdat ze na de oorlog, toen het geluk het Japanse leger de rug toekeerde, achter werden gelaten in hun comfort house en de weg naar huis niet meer konden vinden – of onderweg omkwamen van honger, dorst, ontberingen.

 

‘Deze heldin zal worden gemist’, zei vicepremier Vickie Chapman van de deelstaat Zuid-Australië, waar Jan Ruff-O’Herne woonde. Niet alleen in Australië maar overal ter wereld. Geprezen om haar kracht en moed (en niet voor niets in 2001 onderscheiden als Ridder in de orde van Oranje-Nassau voor haar aanhoudende inzet voor seksueel misbruikte vrouwen in Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog) zal ze voortleven in de harten van velen.

 

Over haar leven zijn onder de titel ‘Vijftig jaar geleden’ een documentaire en een boek verschenen. Vertaald in zes talen en bedoeld om de waarheid levend te houden: dat het woord troostmeisje nooit gebruikt mag worden om een gruwelijke werkelijkheid ietsje minder gruwelijk te kleuren.

 

Door: Brigitte Bormans

Brigitte werkte jarenlang als culinair journalist en schreef twee kookboeken. In 2004 werd ze directeur/eigenaar van Erfgoed Logies. Maar zonder schrijven kan ze niet. Gelukkig zag Franska wel iets in haar columns, kwam van het een het ander en mag er nu ook over andere zaken worden geschreven.

Fotografie: Nikita Holst

Afbeelding van Brigitte Bormans