‘Mijn moeder en haar ‘handen’ was een verhaal op zich bij ons thuis. Ze had er altijd pijn aan, zat er altijd aan frummelen en vroeg er altijd aandacht voor. We lieten haar ermee tobben zonder al te veel medeleven. Ik kan me ook niet herinneren dat we er ooit naar vroegen. Soms was het erger: als er ‘regen in de lucht zat’ bijvoorbeeld. ‘Ik voel het aan mijn handen. Er komt regen aan.’ Met haar handen voor zich op tafel pakte ze haar vingerkootjes een voor een vast en trok er een pijnlijk gezicht bij. Ze ging er meer dan eens mee naar een specialist, werd meer dan eens onderzocht op reuma en kreeg meer dan eens te horen dat er van reuma geen sprak was, dat artrose of artritis een kwaal was waar heel veel vrouwen van haar leeftijd last van hebben en waar al die vrouwen, net als zij, mee moesten leren leven.
Toen ik haar in haar kist zag liggen, met haar handen gevouwen op haar buik, keek ik naar haar handen en liet ik voor het eerst tot me doordringen dat alle kootjes misvormd waren en vol zaten met uitstulpingen. Het schuldgevoel van dat moment was groot. Nu ik, eigenlijk voor het eerst, wel medeleven voelde, was het te laat. Ik zou mijn moeder nooit meer kunnen laten weten hoe vervelend ik het voor haar vond dat ze altijd pijn had.
Toen ik in de overgang kwam – overigens ook een periode met heel veel flash backs op de periode dat mijn moeder klaagde over opvliegers, mood swings en heftige hoofdpijnen – begon ook bij mij het gelazer ‘aan mijn handen’. Eerste mijn rechter pink, toen mijn rechter wijsvinger. Een constante stekende pijn die doorgaat totdat het kootje min of meer misvormd is. Dan houden de steken op en gaat het goed zolang je de vinger niet stoot of aantikt want dat is pijnlijk.
Ook ik ging naar de huisarts. Ook ik werd geprikt op reuma. Ook ik kreeg te horen dat het artrose is en dat ik daarmee zal moeten leren leven omdat er geen medicijnen tegen zijn en de kwaal niet kan worden verholpen. En ook ik heb een dochter die me uit beleefdheid laat praten, frunniken, klagen en die diep in haar hart niet warm of koud kan worden van mijn gezever.
De ring die ik van mijn moeder heb gekregen bij haar overlijden was me altijd veel en veel te groot. Nu zit hij als gegoten en is het de enige ring die me überhaupt nog past. Mijn dochter probeerde hem laatst aan haar eigen ranke vingers en schoot in de lach. ‘Is die niet een beetje té groot mam? Het lijkt wel een oorring!’ Ik vertelde haar mijn moeders verhaal over ‘haar handen’. Over haar handen die me pas opvielen toen ze in haar kist lag en dat ik me toen heel schuldig voelde omdat ik er nooit een seconde aandacht voor had gehad.
‘Dat is vervelend,’ antwoordde mijn dochter. Daarna stond ze op van tafel om fluitend naar de ijskast te lopen om iets in te schenken en daarna fluitend naar haar kamer te gaan.’







