Want ‘van de verkeerde kant zijn’, zoals dat in mijn familie wordt genoemd, dat is je reinste aanstelleritis.

 

 

‘Jaren aan een stuk heb ik moeten vechten tegen mezelf. Want ‘van de verkeerde kant zijn’, zoals dat in mijn familie wordt genoemd, dat is je reinste aanstelleritis. Als je maar genoeg je best doet en God maar hard genoeg om hulp vraagt, kun je er gegarandeerd van genezen. En dan te bedenken dat ik al wist dat ik ‘van de verkeerde kant’ ben toen ik nog ongeveer in de ooievaar geloofde.’

 

‘Natuurlijk heb ik mijn best gedaan om gewoon op meisjes te vallen. Maar verder dan wat zoenen heb ik het nooit geschopt. Het zou te ver gaan als ik zou zeggen dat ik er een afkeer van had om met een meisje te zijn, maar ik voelde er gewoon niets bij. Was ik met mijn vriendjes, daarentegen, dan gierden de hormonen door mijn lijf en ging de fantasie volledig met me op de loop. Het schuldgevoel dat ik daarover heb gehad heeft erin gehakt. Want ja, aanstelleritis en niet hard genoeg bidden, hè?’

 

‘Op mijn zestiende ging ik het huis uit en trok ik naar de stad. De anonimiteit vond ik er meteen al een verademing. Dat er vervolgens genoeg andere jongens woonden die net als ik geen snars aan meisjes vonden, dat voelde als thuiskomen, als opnieuw geboren worden, als een regelrechte bevrijding. Elke kans die ik kreeg om de herenliefde te verkennen, greep ik met beide handen aan. Ik sloeg op een gegeven moment zelfs een beetje door. Ik denk dat dat allemaal nodig was om los te komen van de dogma’s waarmee ik groot geworden ben.’

 

‘Thuis kwam ik amper nog, nadat ik de deur uit was. Meestal alleen met de feestdagen en nooit langer dan een dag. Opvallend genoeg werd er altijd uitsluitend naar mijn werk geïnformeerd, gevraagd of ik wel naar de kerk ging en of ik wel gezond at. Nooit is me de vraag gesteld of ik al een meisje had ontmoet en wie mijn nieuwe vrienden waren. Tot het moment dat ik mijn grote liefde ontmoette, kon ik daar ook niet erg mee zitten. Toen de liefde vaste vormen had aangenomen en we zouden gaan samenwonen, werd alles anders en vond ik dat het langzamerhand tijd werd om uit de kast te komen.’

 

‘Ik koos de heiligste maaltijd van het jaar om dat te doen: het kerstdiner. Nadat moeder de kalkoen op tafel had gezet en we voor de derde keer de Heer hadden bedankt, stak ik van wal. Ik zei dat ik heel erg tot de Heer gebeden had de laatste jaren. Dat ik hem gesmeekt had of hij kon maken dat ik alstublieft niet meer van de verkeerde kant was, maar dat de Heer me mooi had laten zitten, dat ik het verder niet kon helpen, dat ik mijn man had ontmoet, dat we gingen samenwonen en dat we ook voornemens waren om te trouwen. En dat als ze daar moeite mee hadden, ze de Heer maar moesten vragen om hen te genezen van hun kortzichtigheid, hun oordelen en hun dogma’s. Amen.’

 

‘In het kader van de kerstgedachte had dat heus wel wat subtieler gekund, ja. Want vooral het gezicht van mijn moeder sneed me door mijn ziel.’

 

 

Eriks naam is vanwege privacy gefingeerd. Zijn echte naam is bekend bij de redactie.

Moet jou ook iets van het hart en wil je dat (anoniem) met ons delen? Stuur dan een mail naar info@franska.nl onder vermelding van ‘Dit moet ik even kwijt’.