Het getoeter had ik best gehoord. Zelfs de driftig zwaaiende politieman die het busje bestuurde, had ik geregistreerd. Maar toen hij naast me kwam rijden en me gebaarde te stoppen, viel pas het kwartje. Ik zat te bellen op de fiets.
Met norse blik, gehuld in een wolk van testosteron, stapte de agent uit. Waarom ik zo laat reageerde. Hij vroeg het niet, hij brieste het. Betrapt als een klein kind reageerde ik. Of eigenlijk reageerde ik niet, ik stond met een mond vol tanden een beetje naar de stoep te staren.
Voor die nederigheid bleek oom agent immuun. Hij begon op te sommen in welke gevaren ik anderen had kunnen brengen met mijn roekeloze gedrag. Dat ik zijn waarschuwing had genegeerd, hielp natuurlijk niet. Waarom bleef ik doorbellen?
“Ik had mijn broer aan de telefoon,” was het enige dat ik uit kon brengen. Een lulreden van heb ik jou daar, maar wel de waarheid.
Hij haalde zijn digitale opschrijfboekje uit het busje en vroeg me, behalve naar mijn identificatie, allerlei dingen waarvan ik me niet goed kon voorstellen dat ze relevant waren. Wat voor type telefoon ik had bijvoorbeeld. Verder dan het merk iPhone kwam ik niet. Iets dat hij ook leek op te vatten alsof ik hem aan het dollen was.
Toen ik vroeg hoeveel de boete zou bedragen, zei hij dreigend dat hij me voor meerdere dingen kon bekeuren. Naast bellen op de fiets waren dat verkeersovertredingen en het negeren van een agent. Dat laatste zat hem overduidelijk het meest dwars.
Dat ik niet de arrogante bitch was waar hij me voor aanzag, maar gewoon een verstrooide vijftigplusser die heus wist dat ze fout zat en zich nu heel klein en nietig voelde, dat ging er overduidelijk niet meer bij hem in. Door zogenaamd met zijn hand over zijn hart te strijken en me alleen maar op de bon te slingeren voor dat bellen, zal hij zich ongetwijfeld nog machtiger hebben gevoeld.
Een paar weken later lag de envelop in de bus. Honderdnegenenzestig euro. Had ik een paar goeie oortjes voor kunnen kopen. Maar die heb ik al.
Mijn lief was laconiek. “Je moet gewoon een potje boetes in je hoofd hebben, zie het als ‘life tax’,” was zijn reactie.
Ik heb zo’n potje niet. En ik ben ook niet van plan het aan te leggen.
Ik weet dat ik hartstikke fout zat met dat bellen, word ook altijd bloednerveus als mijn kinderen het doen. Maar of ik nooit meer op zal nemen, durf ik niet te beloven. Of ik nooit meer de verkeerde knop zal indrukken bij een slecht humeur in uniform eigenlijk ook niet.







