songfestivalfeest
songfestivalfeest

Leve de vooruitgang!

En toen was daar ineens de computer…

 

 

En toen was daar ineens de computer! Van de zware typemachine (met toetsen die je een kilometer naar beneden moest duwen om het letterblokje tegen het papier te krijgen), via de tekstverwerker (waarmee je – o, de luxe! – teksten kon wissen zonder vlekken uit een vies flesje of het beschadigen van je papier), was daar plotseling de machine waarmee alles nóg sneller kon.

.

Niks geen papier, carbon, en weer een laagje papier, zodat je wel twee exemplaren tegelijk kon maken. Tenminste… als je het hele stapeltje tenminste recht in de machine had gedraaid! Want als het hele zwikkie scheef zat dan trok je gaandeweg een dikke vouw in je brief, scriptie of manuscript en dan kon je alsnog opnieuw beginnen. Maar ach… dan zat je toch al onder de inkt door een lintwissel of door het wegnemen van de carbonlaag alvorens het dunne doorslagje te kunnen archiveren. En als je niet hard genoeg had aangeslagen, stond er helemaal niks op dat ene kopietje. Dan had je alleen een carbonnetje verprutst en stond het daarop vrolijk in spiegelbeeld. Wat een gedoe, hè, voordat je een stukje tekstje had geproduceerd?!

 

Nee, en wat er dan ook nog voorafging aan zo’n tekst. Wat, zeg maar, ook een soort van ‘doorslaggevend’ was. Neem het schrijven van een scriptie. Toen dat nog geen paper of these werd genoemd, bedacht je eerst het onderwerp en ging je daarna naar de bibliotheek. Had je mazzel, dan zat die in de instelling waar je studeerde en was er alvast een beetje voor je voorgesorteerd. Studeerde je medicijnen dan stonden er geen hobbyboeken over schilderen en macrameeën. Maar volgde je de opleiding ‘Hoe kom ik tot mezelf en blijf ik daarna in mijn kracht staan’ dan vond je daar geen boeken over sokken stoppen en andere huishoudelijke klusjes. En die voorselectie scheelde al veel zoektijd. Moest je namelijk naar een openbare bibliotheek dan sjouwde je je eerst een hernia, las je je daarna het schompes, bleek je vaak tóch de verkeerde boeken te hebben meegenomen, herhaalde alles zich dus, hield je in de gaten dat de boeken op tijd werden teruggebracht, schreef je ze daarom half over en begon je pas daarna met tikken. Of nou ja… tikken… duwen dus.

 

En na een hele dag schrijven, had je dan nog niets in de vingers, maar je voelde ze wel!

 

 

En als het dan eindelijk af was, stuurde je je werk naar je baas, leraar, mentor, klant, of uitgever, en dan begon het wachten. Wachten tot de postbode het had afgeleverd, nadat jijzelf eerst nog naar het postkantoor was gerend omdat je weer geen postzegels genoeg in huis had. En daarna wachten op een reactie die aan de andere kant moest worden getikt en door dezelfde postbode weer werd terugbezorgd. Pfff…

 

Dus hierbij een lofzang voor de computer! Dat ding waarmee je alles kunt opzoeken, zonder naar buiten te hoeven en te sjouwen. Waarmee schrijffouten onmiddellijk zichtbaar zijn, hele lappen tekst met één druk op de knop zijn te verwijderen of te kopiëren, en waarmee je vanuit je luie stoel kunt verzenden naar de andere kant van de wereld met één druk op de knop.

 

Tenminste…

 

Als je geen updates van anderhalf uur moet ondergaan, je printer het papier opeet, je gehackt bent, de stroom uitvalt, je provider wordt getroffen door een DDoS aanval, je mailprogramma eruit ligt, of je computer even geen verbinding wenst te maken met de router.

 

Want dan kun je net zo goed naar de bieb lopen en daarna pen en papier zoeken. Gaat een stuk sneller!

 

Grrr… ik vind die vooruitgang echt niet altijd een vooruitgang hoor.

 

Door Tineke

 

Tineke is schrijfster van de boeken Toch? en Stof Genoeg en ze blogt ook zo nu en dan. Ze woont op het platteland met één (leuke) man, twee (lieve) kinderen, drie (onbespeelde) muziekinstrumenten, vier (wisselende) mantelzorgprojecten, een (bijna) vijfde boek, haar zesde (luie) kat, en (dus) ongeveer zeven muizen.