Hoofstuk 1
Het is 4 januari als hij er eindelijk mee voor de draad komt. Het is ook de verjaardag van mijn vader en alleen al daarom een datum om nooit meer te vergeten. De feestdagen waren mijn man Hugo en ik met onze dochter Chrissy en onze vrienden Walter en Sammy en hun zoontje Beer op wintersport. Zoals we alle jaren daarvoor ook met hen op wintersport waren; een vast ritueel van altijd sneeuw met de kerst en altijd dansend het nieuwe jaar in. Met die witte kerst was het ook dit jaar weer goed gekomen. Maar er was ook iets dat heel anders dan anders was en wat de hele vakantie aan me had geknaagd.
‘Wanneer zeg je weer eens dat je van me houdt?’ vroeg ik aan Hugo na een avond kaasfonduen op de berg. Ik was tegen hem aangekropen op de ongemakkelijke bank in ons appartement.
‘Ik hou van je,’ had hij geantwoord. De toon was vlak en hij stak er geen poot voor uit om zijn woorden geloofwaardig te maken.
Op 4 januari rijden we terug naar huis – een lange reis met pijnlijke stiltes, ongemakkelijke kuchjes, lange files en ontwijkende blikken. Ik voel het al een tijdje aan mijn water, dat er iets niet meer klopt tussen ons. En ik heb er ook heus al vaker naar gevraagd, of er iets is, met hem. Maar nee, dat is er niet.
Als de auto is uitgepakt loopt het al tegen middernacht. Onze dochter Chrissy, die na de laatste stop bij de McDrive weg sukkelde bij haar I-pad, stommelt slaapdronken naar de bank in de woonkamer waar ze verder wil slapen. Ik trek haar overeind en help haar de trap op naar haar slaapkamer. De poes, die op het huis heeft gepast, ligt te slapen op haar bed.
‘Kijk nou toch eens die Teddy. Ze heeft je bed alvast opgewarmd.’ Teddy springt van het bed en vlijt zich tegen mijn enkel aan om me een koppie te geven. Ik til haar op en druk haar tegen mijn borst.
‘Dag lieve Teddy.’ Dan leg ik haar spinnend terug bij Chrissy op bed.
‘Tandenpoetsen hoeft niet?’
‘Tandenpoetsen hoeft niet.’
Een onbestemd gevoel drijft me terug naar beneden waar ik Hugo de voordeur hoor afsluiten ten teken dat de auto is uitgeladen. Als ik hem naar de ijskast zie lopen om een fles wijn open te trekken weet ik het en voel ik meteen de bal in mijn maag. Het is de bal die voor rampspoed staat.
‘We moeten praten,’ zegt hij terwijl hij me ongevraagd een vol glas wit aanreikt. ‘En het zal geen leuk gesprek worden,’ zegt hij er gauw achteraan. Als ik kon, zou ik de tijd bevriezen zodat ik het onvermijdelijke niet hoef te horen. En dan zegt hij het toch.
‘Ik kan dit niet meer, wil dit niet meer. Ik heb tijd nodig Britt. Tijd voor mezelf en om er achter te komen of ik dit nog wel wil. Ik ga bij je weg Britt. Voor de vakantie heb ik al uitgekeken naar een appartement. Ik heb besloten dat ik dat ga huren. Maar voorlopig kun je nog gewoon met Chrissy hier blijven wonen. In ieder geval totdat ik er uit ben. Ik beloof je dat ik er alles aan zal blijven doen om een goede vader voor Chrissy te zijn. Ik moet dit doen. Het spijt me echt voor je maar ik kan niet anders.’
Mijn hoofd voelt raar dof en de bal is bijna ver genoeg omhoog gekropen om mijn maag om te laten kieperen. Ik klok de wijn in één teug naar binnen. Droom ik dit of is dit echt? Ik kijk naar mijn jeans. Vlak bij mijn knie zit een vlek van het broodje kaas dat ik bij de eerste Raststätte kocht en met moeite naar binnen werkte. Ik beweeg de tenen in mijn grote schoenen die ik heb gekocht om door de sneeuw te kunnen banjeren. Ik til de vingers van mijn rechterhand op – de hand met de trouwring om de ringvinger. En dan durf ik eindelijk naar hem op te kijken.
‘Is er een ander?’ Terwijl hij laf blijft staan zwijgen draait hij zijn lichaam een halve slag van mij af. Met een stem die vreemd de hoogte in schiet gil ik dat hij me aan moet kijken.
‘Godverdomme Hugo dit flik je me niet. Kijk me aan. Zeg het! Is er een ander?’ Hij ontkent. Staat op om nog eens bij te schenken en zegt dat hij moe is van de reis.
‘Laten we maar gaan slapen,’ zegt hij dan alsof dat überhaupt een optie is. Heel stil lig ik even later naast hem. Zolang hij hier ligt, is hij negens anders en zijn we gewoon nog samen. Pas als zijn ademhaling regelmatig wordt en vertraagt, durf ik een stukje zijn kant op te schuiven. Net ver genoeg om zijn warmte te voelen maar niet ver genoeg om de bal in mijn maag tot bedaren te brengen.
Hoofdstuk 2
Als ik eindelijk een beetje weg dreig te dommelen komt zijn ‘ik heb voor de vakantie al naar een appartement gekeken’ mededeling met een schok terug in mijn herinnering en meteen ben ik weer klaarwakker. Hugo Aardeman die een appartement gaat zoeken om tot zichzelf te komen? Het klopt niet en het past niet. Hugo Aardeman kan namelijk niet eens een avond alleen thuiszijn, laat staan alleen wonen! En Hugo Aardeman is er de man niet naar om iets zomaar zonder een reden te doen want bij Hugo Aardeman is alles juist mét een reden. Een golf van paniek jaagt me mijn bed weer uit terug naar beneden. Als ik de deur van de woonkamer opendoe hoor ik een telefoon die zachtjes trilt om te laten weten dat er een bericht is binnenkomen. En inderdaad zie ik op het keukeneiland in de open keuken nog net het lampje doven. Mijn hand trilt als ik ernaar reik.
‘Heerlijk dat je weer thuis bent. Zie je straks in je winkeltje. Verlang…’ staat er in het scherm. Meer kan ik niet aflezen zonder het bericht te openen. Zijn ‘winkeltje’, dat is zijn koosnaampje voor zijn kunstgalerie. Onwillekeurig grijpen mijn handen naar mijn hoofd en dan gaan de emoties met me op de loop. Ze jagen me regelrecht de trap op terug naar de slaapkamer waar ik het grote licht aanknip, een ruk aan het dekbed geef en een schop tegen de box van de boxspring geef. Hij schrikt wakker en vraagt waar ik mee bezig ben.
‘Waar ík mee bezig ben? Waar jíj mee bezig bent zul je bedoelen! IJskoud mijn hele leven omverschoppen en dan lekker gaan pitten alsof er niets aan de hand is? En dan nog tegen me liegen ook!’
Zijn trillende neusvleugels verraden dat hij hier niet van gediend is – Hugo Aardeman laat zich door niemand de les voorschrijven! – en geïrriteerd raakt.
‘Doe eens effe normaal, godverdomme Britt,’ blaft hij. Ik geef een ruk aan zijn arm. Hij gaat op de rand van het bed zitten.
‘Is er een ander?’ Ik spuug de woorden in zijn gezicht. Pas bij de derde keer zegt hij wat ik inmiddels al weet – een ijskoud ‘ja’. Niet meer dan twee letters. Het kost me moeite om in te ademen en ik voel me duizelig.
‘Ken ik haar?’ Ik herken mijn eigen stem niet eens meer, zo schril klinkt-ie. ‘Ik moet weten wie het is!’ Ik probeer hem een por te geven maar hij grijpt mijn pols beet.
Ik hoor hem zeggen dat hij dat echt niet gaat zeggen en ik weet dat hij dat inderdaad echt niet zal doen. Ik ga pal voor hem staan, wil op hem inbeuken. In plaats daarvan ga ik gehurkt voor hem zitten en probeer ik zijn handen te pakken. Hij trekt ze terug, met een korte, snelle ruk. Ik wil dat hij me aankijkt. Hij draait zijn hoofd weg. Ik wil dat hij me vasthoudt. Ik wil dat dit niet waar is. En dan komen de tranen en het zijn er zoveel dat het ademen nóg moeizamer gaat. Als ik eindelijk weer wat lucht krijg giert het vanbinnen. Ik ben hysterisch, weet ik, maar ik kan het niet helpen. En dan ga ik plompverloren bij hem op schoot zitten en zegt hij ‘niet doen’. Ik schaam me en sta weer op. Kijk naar beneden naar de vloer waar het stukje visgraatparket naast zijn kant van het bed een beetje opwipt. Ik ga erop staan om het weer op zijn plaats te duwen, al weet ik dat dat geen zin heeft omdat ik dat al zo vaak geprobeerd heb. Met een zucht haalt hij zijn hand door zijn haar. Zie ik dat nou goed? Ik graai naar zijn hand om zeker te zijn, maar zelfs de afdruk op de plek waar de ring zat is al weggetrokken.
‘Hoe lang draag jij die trouwring al niet meer? Waar is die?’
‘Niet doen,’ zegt hij weer.
‘Hoe lang geleden heb je dat ding al afgedaan? Wilde zij dat niet?’ Ik kan niet meer stoppen. ‘Een getrouwde man vindt ze nog tot daaraan toen, maar een ring om zijn vinger gaat haar een tikje te ver?’
Chrissy ‘s stem brengt me weer enigszins tot mijn positieven. Ik heb haar wakker geschreeuwd. Vanuit haar kamer naast die van ons hoor ik haar roepen waarom ik zo hard praat. Ik ga naar haar toe.
‘Wat is er aan de hand?’ vraagt ze. Ze probeert de slaap uit haar ogen te wrijven. Ik zeg dat we ruzie hadden, pappa en ik. Dat dat komt door de reis en het gedoe en dat ze weer lekker moet gaan slapen. Even ga ik bij haar liggen zoals ik dat zo vaak doe. Dan hoor ik de trap die kraakt onder Hugo ‘s gewicht.
‘Ga je weer lekker slapen?’ Ik geef haar een zoen. Ze draait zich om en is alweer vertrokken.
Als ik beneden kom staat Hugo voor de schoorsteenmantel in de voorkamer. Zijn rug iets gekromd van me afgekeerd. Hij kijkt naar de foto van Chrissy die vlak na haar eerste balletvoorstelling is genomen. Een klein meisje met een roze balletpakje en een schattig tutu’tje. Ze lacht verlegen naar de camera.
‘Wat is ze lief hier.’ Hij zegt het zachtjes voor zich uit met een stem die hees klinkt. Ik ga een stukje dichterbij staan en leg mijn hand op het koele marmer van de schoorsteenmantel. Hugo schraapt zijn keel alsof hij iets gaat zeggen, maar er komt niks. Als hij zich naar me omdraait denk ik dat zijn ogen vochtig zijn, maar misschien wil ik dat gewoon wel heel graag zien.
‘Ik weet het niet,’ zegt hij.
‘Wat weet je niet?’ Zie je nou wel, denk ik. Een nare droom. Het was gewoon een nare droom. ‘Wat wil je nouHugo?’ Mijn stem heeft zijn gewone klank weer terug. Voor het eerst kijkt hij me echt aan.
‘Ik weet het niet,’ zegt hij weer. Dan kijkt hij weer van me weg en loopt richting de keuken. Als hij even later de kamer uit- en de trap weer oploopt ligt zijn telefoon niet meer op het keukeneiland. Het is inmiddels zondagochtend even voor zessen.
Ik rommel wat door de post die onze hulp keurig op stapeltjes heeft gelegd en blader wat door de kranten zonder ook maar één letter tot me door te laten dringen. Daarna stort ik me op het uitpakken van de bagage en zet ik de wasmachine aan. Tegen half 7 houd ik het niet meer en bel ik mijn ouders.
‘Met mamma.’ Bij het horen van haar stem breek ik. Ze laat me even begaan. Ze vraagt niet waarom ik al zo vroeg wakker ben. Ze vraagt ook niet hoe de reis was, of we al uitgepakt zijn en of we lekker geslapen hebben. Ze vraagt helemaal niets van wat ze normaal gesproken wel zou vragen.
‘Is het mis?’ Dat is haar enige vraag. Ik snik van ja. ‘Dus toch!’ zegt ze dan.
‘Toen jullie met vakantie waren droomde ik dat je tegen me zei dat Hugo wilde scheiden. De droom was zo levensecht dat hij me is bijgebleven. Beeld voor beeld, woord voor woord bleef ie me achtervolgen.’
Ik hoor haar slikken. Ik doe met horten en stoten mijn verhaal.
‘De lu… De lummel!’, zegt ze. Ze heeft nooit hardop gezegd dat ze Hugo niet hoog heeft zitten. Al heb ik altijd precies geweten hoe ze over hem denkt.
Hoofdstuk 3
Chrissy is de eerste die wakker is.
‘Zo gek mam. Ik droomde dat je heel hard aan het schreeuwen was.’
‘Goh,’ zeg ik. ‘En toen?’
‘Toen niks. Toen ging ik weer slapen. Is het goed als ik straks naar de tweeling ga?’ ratelt ze door. ‘En hebben we wat te eten in huis want ik knor van de honger.’
Even later hoor ik haar zingen onder de douche. Onze hulp heeft de ijskast gevuld met alle dingen die er altijd in liggen waardoor het lijkt alsof we niet eens zijn weggeweest. Ik maak omeletjes, stop brood in de toaster, schuim de melk op voor mijn espresso verkeerd en pers sinaasappels uit. Poes Teddy meldt zich mauwend voor een bakje eten. Als ik niet beter zou weten zou dit ons doodgewone-niks-aan-de-hand-zondagochtendritueel zijn. Als de voordeurbel gaat schrik ik. De tweeling die bij ons naast woont – de kinderen hebben de onmogelijke namen Germaine en Blanche van hun ouders gekregen – kon niet langer wachten om Chrissy weer te zien. Ze vragen of ze bij ons mogen komen spelen, maar ik zeg dat Chrissy ’s pappa nog slaapt dus dat het misschien beter is als ze na het ontbijt met z’n drietjes bij hun gaan spelen. Ze hebben amper hun hielen gelicht als ik hem boven mijn hoofd hoor lopen. Typisch Hugo om te blijven liggen totdat de rust in huis is weergekeerd. Zijn eigen dochter is nog tot daar aan toe maar met meer kinderen om hem heen wordt het al snel gedoe.
Als ik de douche weer hoor is het zonder gezang en van het doodgewone-niks-aan-de-hand-zondagochtendritueel van zonet is ook niets meer over. Hij komt beneden in een wolk van verse aftershave, zijn favoriete jeans, een smetteloos overhemd en zijn peperdure bruinleren, glanzend gepoetste loafers.
‘Is er koffie?’ vraagt hij.
‘Heb je polio?’ antwoord ik. ‘Doe het effe lekker zelf.’
‘Krijg ook maar de kolere,’ bijt hij me toe en dan loopt hij weer weg. Even later hoor ik zijn leren zolen piepen op de marmeren vloer in de hal. Daarna de deur naar het tochtportaal die zachtjes heen en weer wiegt in zijn scharnieren en dan de zware voordeur die dichtslaat en automatisch op slot draait. En dan is het stil. Zo stil dat ik niet weet waar ik het moet zoeken. Weer bel ik mijn moeder en weer is het haar stem waardoor ik breek.
‘Probeer even of Claire bij je langs kan komen,’ zegt ze.
Claire is mijn misschien wel beste vriendin sinds de dag dat ik rechtstreeks uit de provincie in Amsterdam kwam wonen waar alles nieuw was en eigenlijk ook doodeng. Ze neemt meteen op als ik haar bel.
‘Britt! Weer terug onder de gewone mensen na je goddelijke verblijf in de Alpen?’
‘Claire. Ik…’ En weer die tranen.
‘Moet ik komen?’ vraagt ze meteen, nu met een stem die bezorgd klinkt.
‘Graag!’
Een half uur later komt ze binnen. Zonder woorden drukt ze me aan haar borst – wat met haar lengte trouwens niet eens te voorkomen is – en laat me huilen.
‘Is het héél erg?’ vraagt ze na een tijdje terwijl ze naar de keuken loopt om koffie te zetten.
En dan laat ze me vertellen en huilen en nog meer vertellen en uithuilen. Haar koffietje is al lang en breed op als ik ophoud met vertellen.
‘Ben je nou echt verbaasd?’ vraagt ze.
‘Jezus Claire. Hoe bot is dit?’ Maar ze meent het, zegt ze.
‘Verbaast het je echt dat hij er een ander op nahoudt?’
Dit snap ik niet. ‘Weet jij soms meer?’
‘Heeft jullie sprookje niet al een tijdje zijn bekoring verloren, Britt?’
‘Sprookje?’
‘De grote kunstkenner met zijn nog grotere ego en zijn beeldschone, net iets te jonge, vrouw. Noemde hij je niet altijd ‘zijn meisje’? En sleepte hij je in het begin niet overal mee naartoe en werd dat stilaan niet steeds minder? Was het niet zo dat je het tegenwoordig een beetje van de vakanties moet hebben? Of is dat niet wat je laatst vertelde? Dat hij zelden meer een avond thuis is, zelden tijd voor jou en Chrissy vrijmaakt, altijd maar aan het werk is of wat daarvoor door moet gaan?’
‘Godverdomme Claire. Wat hou je voor me achter?’
Claire slikt.
‘Ik heb weleens wat opgevangen. Die man van jou heeft nou eenmaal een reputatie als het om vrouwen gaat. Maar het waren altijd alleen maar verhalen Britt. Nooit bewijzen, altijd alleen maar verhalen. Moest ik daarvoor een bom onder je huwelijk leggen? Hugo is je hele leven, je hele wereld. Ik moest wel verdomde zeker zijn om dat overhoop te gooien.’
‘Maar hoezo kom je er nu wel mee Claire?’
‘Omdat ik bang ben dat deze juffrouw niet de eerste is en omdat ik niet wil dat hij nog langer met je speelt. Je verdient beter Britt. Dat vind ik echt al veel langer, dat je beter verdient.’
Nu is zij degene die op het punt van huilen staat.
‘Niet boos zijn Britt.’
Ik zeg dat het oké is, dat ik het begrijp en misschien doe ik dat ook echt wel.
Hoofdstuk 4
Nadat Chrissy weer thuis is van de tweeling en Claire ervandoor, bestel ik pizza. Na de pizza – waarvan ik geen hap door mijn keel heb kunnen krijgen – gaan we naar boven om de kleren voor ‘morgen weer naar school’ klaar te leggen en kruip ik naast Chrissy voor een extra lang verhaal. Als ze slaapt begint het wachten. Wachten en hopen, wachten en wanhopen en eindeloze rondjes ijsberen door de kamer omdat stilzitten niet gaat. Op en neer en op en neer door de woonkamer. Hand op de schoorsteen, blik op de foto van het meisje in het roze balletpakje, omdraaien, langs de salontafel, door de en-suite-deuren, naar de eetkamer, rondje om de eettafel, rechtervoet op het opstapje van de serre, langs de open keuken, omkeren en opnieuw. Om elf uur dwing ik mezelf om naar boven te gaan. Langzaam uitkleden om tijd te rekken, niet naar mijn spiegelbeeld kijken, langzaam tandenpoetsen, ogen deppen met een koud watje, onder mijn helft van het dekbed kruipen, op mijn zij, op mijn rug, heen en weer wiegend, terug de trap af naar beneden, terug naar boven waar het bed nog warm is. Net zo lang totdat ik, inmiddels uitgeput van alle emoties, de tranen en het slaapgebrek, wegzak in een toestand tussen waken en slapen.
Het geluid komt van ver en het duurt even voor ik besef dat het mijn telefoon is die belt. In het scherm wordt een anonieme beller aangekondigd. Toch neem ik op:
‘Hallo?’
Even is het stil. Dan zegt een mannenstem:
“Je moet tegen die kerel van je zeggen dat hij met zijn gore rot poten van mijn vrouw af moet blijven!’
Van de schrik hap ik naar adem en voordat ik iets kan zeggen heeft de man opgehangen. Verdoofd sta ik op om naar beneden te gaan. Bij het keukeneiland blijf ik staan. Mijn spiegelbeeld spookt in het donkere venster van de tuindeuren. Zonder na te denken en zonder op de klok te hebben gekeken, bel ik mijn moeder. Weer mijn moeder omdat ik niet zou weten wie ik anders op dit uur zou kunnen lastigvallen. De telefoon gaat een paar keer over. Dan neemt ze op. Ze was wakker, zegt ze.
‘Ik was toevallig wakker. Kon niet slapen.’ Ik begin meteen te raaskallen. Maar het maakt niet uit want ze snapt heus wel dat ik in shock ben omdat ik werd wakker gebeld door een wildvreemde kerel die door zijn vrouw wordt bedrogen en dat die vrouw het met mijn man houdt.
‘De lummel is nog erger dan ik dacht,’ zegt ze. ‘Rustig blijven,’ zegt ze dan. Ze zegt dat ik rustig moet blijven en net als ik wil zeggen dat ik juist bang ben dat ik mijn verstand verlies, hoor ik de sleutel in de voordeur. Ik zeg dat ik moet ophangen en ik zeg het zo snel dat ik me afvraag of ze het wel gehoord heeft. Starend naar de kamerdeur wacht ik totdat die opengaat en hij binnenkomt en op een rare manier voel ik opluchting als de deurklink naar beneden beweegt.
‘Ben je nog op?’ Ik heb hem zelden zo’n oer stomme vraag horen stellen. En dan begin ik weer te ratelen dat ik net werd wakker gebeld en dat de een of andere klootzak tegen me zei dat ik tegen die kerel van mij moet zeggen – ik prik met mijn wijsvinger venijnig in zijn borst terwijl ik het zeg – dat hij met zijn gore rot poten van zijn vrouw moet afblijven. Ik zie dat hij schrikt.
‘Ben je nu tevreden? Is dit wat je wil?
‘Nee natuurlijk is dit niet wat ik wil.’ Hij steekt een sigaret op en maakt ‘m na een paar trekjes weer uit.
‘Wat wil je dan Hugo?’
‘Ik weet het niet Britt. Maar dit is niet wat ik wilde.’ Even staan we daar te staan. Allebei met onze handen steunend op het blad van het keukeneiland.
‘Ik ga naar bed, zegt hij dan. Over een paar uur moet ik weer op.’
We gaan samen naar boven omdat er verder niets te doen valt. Terwijl hij zijn kleren uittrekt en over de fauteuil in de hoek van de slaapkamer gooit, draait hij zich naar me toe.
‘Dit is echt niet wat ik wilde,’ zegt hij voor de derde keer. ‘En ik vind ook niet dat je dit verdient.’ Zijn woorden werken zalvend. Het tollen dan de bal in mijn maag wordt minder en mijn handen trillen niet meer. Ik slaag erin niets te zeggen, niets te vragen. Alles te laten zoals het nu is: ongewis. Ik kijk op het klokje naast me. Het is maandagochtend 6 januari vijf voor vijf en dit is nu al de kloterigste maandag van het jaar.
Hoofdstuk 5
Hugo staat pas op nadat ik Chrissy naar school heb geholpen. Ik zit met mijn laptop en koffie op de kruk van het keukeneiland als hij binnenwandelt.
‘Aan het werk?’ vraagt hij.
‘Ik zal wel moeten.’ Hij schuift een kruk bij en komt naast me zitten. ‘Laat me raden,’ zeg ik. ‘We moeten weer praten zeker?’
Hij glimlacht.
‘Ik denk dat ik het nog een kans moet geven.’
‘Een kans geven?’ bauw ik hem na.
‘Ik heb vanavond na mijn werk met haar afgesproken. Ik ga tegen haar zeggen dat ik voorlopig voor mijn gezin kies. Voor Chrissy vooral. Ze is te lief om verdriet te doen.’
‘Dat zal haar vent ook leuk vinden,’ snauw ik.
Hij glimlacht weer.
‘Ik vind dat ik het netjes af moet ronden. Met haar.’
‘Netjes?’ En ik dan? Dat laatste denk ik, maar ik zeg het niet hardop.
‘Dus ik ben laat vanavond. Je hoeft niet op te blijven.’
‘Wat een medeleven ineens!’ Het klinkt scherper dan ik bedoelde. En dan: ‘We kunnen in relatietherapie.’ Ik weet niet goed waar dit vandaan komt en het moet wel erg plompverloren klinken, zoals ik het nu zeg.
‘Relatietherapie is niet meer dan stervensbegeleiding,’ antwoordt hij. Dan staat hij op, aait even over mijn haar, trekt zijn leren jack aan, zet de kraag omhoog en knoopt zijn kasjmieren sjaal nonchalant om zijn nek. Geen kus, alleen een ‘tot straks’. En dan de deur naar het tochtportaal die zachtjes heen en weer wiegt, gevolgd door de zware buitendeur die dichtslaat en in het slot draait. Meteen bel ik Claire.
‘Hij gaat tegen haar zeggen dat hij voorlopig voor zijn gezin kiest Hij kwam er zelf mee. Ik vroeg nergens naar.’
Maar Claire deelt mijn opluchting niet.
‘Probeer nou maar liever aan het werk te gaan. Je zult je werk nog hard genoeg nodig hebben als je straks toch met Chrissy alleen verder moet.’
Maar de rest van de dag verdoe ik met wanhopen in plaats van werken. Hoewel ik mijn hoofdredacteur voor de vakantie heb beloofd om met nieuwe ideeën voor stukje te komen – stukjes schrijven voor de glossy’s is wat ik doe voor de kost namelijk – heb ik voor dit moment even nul ideeën. Als ik terugkom van de supermarkt, waar ik me met moeite naartoe heb gesleept, steek ik de openhaard aan. Mijn gedachten dwalen af naar haar, de andere vrouw. Vanavond zal ze met de meest geile glimlach op haar smoel op Hugo toe komen lopen. Op en top opgetut, in haar mooiste kleren en meest sexy lingerie. Want is dat niet wat maîtresses doen? Geen enkel middel onbeproefd laten om te krijgen wat hen niet toekomt? Zullen ze elkaar op de mond zoenen? Dat zullen ze zeker.En daarna? Zelfs als hij daarna doet wat hij vanochtend heeft beloofd, is er nog altijd Claires bekentenis dat Hugo een reputatie heeft wat de vrouwen betreft en dat er al heel lang geruchten gaan. En dan is er nog het stemmetje in mijn achterhoofd dat steeds vaker en steeds nadrukkelijker van zich laat horen als Hugo’s afspraken weer eens uitlopen waarna hij vaak van de aardbodem verdwenen lijkt en onbereikbaar is. Alles bij elkaar opgeteld zijn er teveel redenen om nog langer te doen alsof en zal ik nooit meer tegen mezelf kunnen liegen dat ik het niet wist.
Hoofdstuk 6
Het overhemd dat Hugo gisteren droeg toen hij de deur uitging, ligt bovenop in de wasmand. Ik vis het eruit en houd het tegen het licht op zoek naar sporen, een haar, een vlek. Ik stop mijn neus erin op zoek naar een geur – haar geur. Alles om die andere vrouw een gezicht te kunnen geven en te weten te komen waarom zij wel voldoet en ik niet meer, waarom zij hem wel kan boeien en ik hem onverschillig laat, waarom ik uitgegumd word en zij opgehemeld.
Behalve een vetvlek bij zijn borstzak valt er niks te bespeuren. Ik flikker het hemd terug in de mand en loop naar zijn helft van de walk in closet. Hoewel het nooit eerder bij me is opgekomen om zijn zakken te doorzoeken is dat precies wat ik nu ga doen. Ik trek de jeans uit de kast die hij gisteren aan had. De ene pijp hangt recht over de hanger en de andere verdraaid. Ik voel in zijn zakken, in alle vier. Bij de laatste kontzak heb ik beet. Een bonnetje van een restaurant. Ik ken die tent maar al te goed. Hij nam mij er ook vaak genoeg mee naartoe, lang geleden, toen ik nog ’zijn meisje’ was en alles tussen ons koek en ei. Om 23.17 uur is het bonnetje geprint. Meer dan drie uur later kwam hij pas thuis. Ik gooi de broek door de kamer.
‘Gore klootzak! Als je nu voor me zou staan, zou ik niet voor mezelf in kunnen staan!’
Maar als hij die avond eindelijk echt voor me staat – niet om zes uur half zeven zoals heel soms, niet om zeven uur half acht zoals gemiddeld, maar om negen uur – doe ik helemaal niks. Ik zit op de barkruk van het keukeneiland en staar hem na terwijl hij zijn gang naar de ijskast maakt voor zijn bel wit.
‘Jij?’ vraagt hij met de fles in de lucht.
Ik geef geen antwoord. Hij schenkt voor me in en komt bij me zitten.
En dan zegt hij het weer. Wat hij drie dagen geleden ook al zei, dat we moeten praten. Hij zegt het al een stuk makkelijker nu. Geen pauze, geen niks, de woorden komen er zonder pardon uit. Hij wilde er een einde aan maken met haar, gisteren, zegt hij.
‘Dat kun je maar beter van me aannemen.’ Zijn toon is zakelijk.
‘Maar wat ik voor haar voel… dat kan ik niet negeren. Ik vind het echt verdrietig voor je Britt, maar ik moet ditonderzoeken. Dus dat appartement, dat ik voor de wintersport al had bezichtigd, dat moest ik toch maar doen. Het zal nog wel een paar weken duren voordat ik erin kan trekken.’ En dan permitteert hij zich om te zeggen dat hij misschien wel weer terug komt, dat het weer goed kan komen tussen ons, over een tijdje. Want scheiden hoeft van hem nog steeds niet. Mijn hart slaat slagen over en een stoot adrenaline wordt naar mijn hoofd gestuwd.
‘Ervan terugkomen? Als je uit geneukt bent en het toch tegenvalt gewoon weer terugkomen?’ Ik krijs dat hij moet opflikkeren. ‘Rot op! Godvergeven hoerenloper. Alsof ik niet weet dat deze slet niet de eerste is met wie je vreemdgaat. Je hebt een aardige reputatie opgebouwd, wist je dat? Heb je eigenlijk wel ooit het fatsoen gehad om een condoom te gebruiken?’ Het is een vraag die nog nooit eerder bij me is opgekomen en ik word er zelf nog meer door overvallen dan hij. Ik ga voor hem staan en zeg het antwoord desnoods uit hem te zullen slaan als hij het nu weer in zijn botte kop durft te halen om er omheen te draaien.
‘Heb je een condoom gebruikt bij al die andere wijven? Nou? Heb je dat?’
De volgende ochtend zit ik om 8 uur bij de huisarts. Die stuurt me door naar een kliniek. ‘Nee, dat wil ik niet,’ kerm ik. ‘Jazeker,’ antwoord hij. ‘Je gaat. En we laten je testen op de hele mikmak.’
Met mijn benen stevig in de beugels en mijn ogen stijf dicht, lig later die ochtend op de onderzoekstafel. Ik voel hoe de tranen via mijn ooghoeken in mijn oren sijpelen.
‘Je moet niet denken dat ik het niet zo nauw neem en er maar wat op los neuk,’ vertel ik de dokter ongevraagd.
‘Ik denk niets,’ zegt ze afgemeten.
‘Het is mijn man,’ ga ik, nog steeds ongevraagd, verder. ‘Ik ben er een paar dagen geleden achter gekomen dat hij…’
‘Het is klaar hoor,’ zegt ze en ze pakt een tissue voor me. ‘En je hoeft je voor mij niet te schamen. Ik ben wel wat gewend hier.’
Als ik bijna thuis ben gaat mijn mobiel. ‘Ruud belt’ staat er in het scherm. Ruud is mijn hoofdredacteur.
‘Britt Bottelier waar hang je uit verdomme? Ik dacht dat jij al lang terug moest zijn van die skivakantie van je. Toch?’ Ik zeg dat er even iets tussen is gekomen, maar dat ik er weer ben. Hij zegt dat dat verdomme net op tijd is, want hij heeft een reisje voor me. ‘Ik had je geen dag later moeten spreken, want dan had ik het mooi aan iemand anders gegund. Morgen even lunchen? Dan praat ik je bij.’
Nog voordat ik Ruud goed en wel heb weggedrukt word ik aangesproken door Wiesje. Wiesje is mijn mollige overbuurvrouw die al sinds jaar en dag in haar eentje in haar veel te grote herenhuis woont, dat haar is nagelaten door haar man – een hoge bankenpief – die er van tussen ging met haar beste vriendin. Omdat ze weinig omhanden heeft en tijd in overvloed, kan ze de buurt goed in de gaten houden.
‘Even vragen hoe het met je gaat,’ zegt ze. Ik lieg dat het goed gaat en zet een stap bij haar vandaan ten teken dat ik door wil lopen.
‘Je moet het me maar niet kwalijk nemen,‘ zegt ze. ‘Maar… nou ja. Ik ben nou eenmaal geen goede slaper, dus ik zag het per ongeluk twee dagen geleden. Of waren het er nou drie? Hoe dan ook zag ik ’s nachts een taxi stoppen. Hij stopte aan mijn kant van de straat. Hugo – zo heet je man toch? – stapte uit en zwaaide naar iemand die nog in de auto zat. Ik kon eerst niet zien wie dat was maar toen stapte er en vrouw uit die om de auto heen liep naar je man en hem begon te zoenen. Het had niet veel gescheeld of het was nog een hele scène geworden want telkens als hij weg wilde lopen, greep ze hem weer beet en begon het gevrij weer opnieuw. Ze klom zowat in hem. Zo gênant!’
Haar stem sterft weg en de wereld wordt eigenaardig stil. Ze pakt me bij mijn schouders waarvoor ze op haar tenen moet gaan staan.
‘Sorry lieverd, maar ik dacht dat je het waarschijnlijk maar beter van mij kon horen.’
Zegt ze nou echt dat ik het beter van háár kan horen? Beter van haar dan van wie anders bedoelt ze dan?
Ze vraagt of het niet beter is als ik even met haar naar binnen ga. Ik hef mijn hand en schud van nee. Een naderende tram keurig ontwijkend, weet ik de straat over te steken naar mijn eigen huis. Achter de voordeur zak ik in elkaar. Mijn rug tegen de deur, mijn benen hoog opgetrokken dicht tegen me aan. Ik begin te wiegen en blijf wiegen totdat de tranen niet meer vloeien. Het deksel is van de beerput geknald en de lading shit is niet meer te stoppen.
Hoofdstuk 7
‘Heb je gehuild?’ vraagt Chrissy als ze uit school komt. ‘En je kijkt ook raar. Hebben jullie nou nog steeds ruzie?’ Ik klets er wat omheen, maar Chrissy is er het kind niet naar om zich af te laten schepen. Hoe lang houden we deze crisis nog stil voor haar? Wat is wijsheid? We moeten het haar vertellen, bedacht ik vandaag al eerder. Alles beter dan deze poppenkast.
‘Wat is er nou mamma?’ Ze komt voor me staan. Haar lichtgroene ogen staan ernstig. Ik zoek naar woorden die ik niet kan vinden.
‘Het komt goed lieverdje.’ Ik druk haar blonde krullenbol aan mijn borst en geef er een kus op. ‘Pappa en ik doen gewoon even moeilijk en het valt me ook niet mee om weer terug van vakantie te zijn en aan het werk te moeten, maar het komt goed.’
Als ze naar boven gaat probeer ik Hugo te bellen die niet opneemt. Ik app hem of hij thuis kan komen voor het eten omdat Chrissy naar hem vraagt. Even later komt er zowaar antwoord. Hij zal het proberen.
‘Doe maar lekker, lamlul,’ mompel ik. Vanavond gaat hij sowieso met zijn kloten voor het blok. Des te eerder we dit achter de rug hebben, des te beter. De vraag is alleen hoe we Chrissy vertellen dat haar vader gaat verhuizen zonder haar en zonder mij. Zou er zoiets als de beste manier zijn of laat de boodschap hoe dan ook diepe sporen na?
Ik moest het van mijn vader horen, dat mijn ouders uit elkaar zouden gaan, dat mijn moeder eventjes bij tante en oom in Breda zou gaan wonen en dat ze mijn kleine zusje Gaby mee zou nemen omdat die te jong was om thuis te blijven bij pappa en bij mij. Mijn moeder lag notabene nog in bed toen mijn vader het vertelde en ik herinner me er vooral van dat mijn vader huilde. Het was voor het eerst in mijn twaalfjarige bestaan dat ik pappa ooit zag huilen, dus het was wel duidelijk dat er iets heel ergs aan de hand moest zijn. Toen hij zei dat mamma een poosje weg zou gaan en dat hij gehoopt had dat hij dat zonder tranen aan me had kunnen vertellen, zei ik dat hij zich geen zorgen moest maken. ‘Ik zorg wel voor je pappa, stil maar.’ Waarna hij nog veel harder was gaan huilen. Mijn eigen tranen waren pas gekomen op het moment dat mijn moeder haar lelijke eend tot de nok toe aan het volladen was en ik vermoedde dat dit misschien toch geen droom was. Het was nog op dezelfde ochtend dat ik het nieuws gehoord had, waardoor het allemaal wat snel ging en ik me totaal overvallen voelde. Te meer omdat ik er nooit enig idee van had gehad dat het misschien niet zo lekker liep tussen mijn ouders en ik ook niet beter wist dan dat ruzie er blijkbaar gewoon bij hoorde en niets was om je ongerust over te maken. Toen mijn moeders auto uit het zicht was verdwenen was ik naar boven gegaan en had ik als eerste haar toilettafel gecheckt en daarna haar kledingkast opengetrokken. De lege hangertjes hadden een beetje geschommeld toen ik de deuren opendeed en toen ik die weer dichtsmeet hoorde ik er een van de roede vallen. Met een schok realiseerde ik me dat ze wel heel erg lang weg zou blijven als ze al haar kleren had meegenomen. De rest van die middag had ik doelloos door dat stille ontzielde huis gedwaald met geen idee hoe dit op te lossen.
Chrissy zit in bad en heeft al lang en breed gegeten als Hugo thuiskomt. Hij komt naar boven lopen om haar gedag te zeggen.
‘Hi pap!’ Ze knijpt haar neus dicht voordat ze kopje onder gaat om haar haar nat te maken.
Hij geeft haar een kus als ze weer boven water komt.
‘Pappa moet zo iets tegen je vertellen.’ Het is eruit voordat ik er erg in had. Ik heb hem zojuist keihard voor het blok gezet en daar houdt hij niet van. Woedend kijkt hij me aan en loopt de badkamer uit terug naar beneden. Ik help Chrissy uit bad die, nieuwsgierig naar wat er komen gaat, vliegensvlug haar pyjama aantrekt. Beneden gaat ze met nat haar en opgetrokken benen in de grote stoel voor de haard zitten met poes Teddy dicht naast haar.
‘Kom je pap?’ roept ze. Ze tilt Teddy op en neemt haar op schoot. Zonder mij ook maar een blik waardig te keuren gaat Hugo op de salontafel zitten zodat hij met Chrissy op gelijke ooghoogte komt.
‘Wat is er nou?’ Ze trekt de poes wat dichter tegen zich aan.
Hugo moet eraan geloven al weet hij hoorbaar niet hoe hij dit verhaal moet aanvliegen, want zijn stem hapert en dat overkomt hem zelden. Zijn intro over dat pappa en mamma wat probleempjes hebben klinkt zeldzaam onsamenhangend.
‘We willen die problemen echt wel oplossen maar dat lukt nu niet zo goed en daarom hebben we bedacht dat het beter is als pappa even ergens anders gaat wonen want dan lukt het misschien wel weer om vriendjes te worden.’
Heel even is ze stil. Dan barst ze in huilen uit.
‘Nee,’ roept ze. ‘Nee, nee. Dus jullie gaan scheiden?!’ Teddy springt geschrokken op en spurt weg. Ik neem haar plaats in en probeer Chrissy te troosten, maar ze duwt me weg. Ze wil het weten, ze wil precies weten hoe dit zit en hoe dit gaat aflopen. Hij zegt dat er niets aan de hand is. Dat hij hier vlak in de buurt gaat wonen. Dat hij daar ook een hele leuke kamer voor haar gaat maken en dat hij het nieuwste mobieltje voor haar gaat kopen zodat ze altijd contact kunnen hebben. Bij de gedachte aan een nieuw mobieltje lichten haar ogen even op, maar de schrik is te groot om glad te strijken met beloftes. Ze weet het, ze voelt het en ze ziet het aan ons.
‘Wanneer ga je weg? Nou? Ga dan!’
Ik verdraag het niet om naar haar te kijken, zo intens hartverscheurend is het om haar zo radeloos te zien. Daarom zeg ik dat het nog lang niet allemaal echt is en dat het nog een paar weken duurt voordat pappa weggaat. Ik zeg dat het waarschijnlijk weer goed komt over een tijdje, als pappa en mamma een tijdje zonder elkaar zijn geweest. Ik zeg dat ze soms ook wel eens ruzie met een vriendinnetje heeft en dat het dan ook weer goedkomt als ze elkaar een tijdje niet hebben gezien. Dat de ruzie dan vanzelf overgaat. Het huilen wordt ietsje minder. Ik ga weer naast haar zitten en hou haar vast. Dit keer duwt ze me niet weg. Ze laat zich troosten. Ik voel me zelf ook getroost, maar ik ben bang dat dat door mijn eigen woorden komt en dat die woorden uit de lucht gegrepen zijn. Ik voel dat hij naar me kijkt. Ik negeer hem. Ontwijk zijn blik zoals hij mijn blik ook zo vaak ontwijkt. AlsChrissy die avond eindelijk slaapt, sist hij woedend dat ik het niet in mijn hoofd moet halen om hem dit nog een keer te flikken.
‘Nog een keer flikken? Hoe vaak ben jij in godsnaam van plan om weg te gaan dan? We kunnen het haar toch maar één keer vertellen?’ Met een ‘rot maar een eind op’ beent hij de kamer uit. Ik zit aan tafel en weet dat de deur naar het tochtportaal weldra zachtjes heen en weer zal wiegen, gevolgd door de zware buitendeur die dichtslaat. De rest van de avond en een deel van de nacht dwaal ik doelloos door ons stille ontzielde huis met geen idee hoe dit op te lossen.
Hoofdstuk 8
Op vrijdag fiets ik naar het restaurant in het park waar ik met Ruud heb afgesproken. Ik hoef hem niet bij te praten over mijn privéleven want hij ziet het zelf al.
‘Wat is er met jou gebeurd? Wat zie jij eruit zeg!’ Ik zeg dat er wat probleempjes zijn.
‘Ik was even afgeleid maar ik ben er weer.’
‘Wijn! Hij bestelt een fles en leunt achterover.
‘Kom er nou maar mee voor de dag, Britt.’
Ik vertel en dreig mezelf te verliezen en herpak me weer en vertel verder en slik mijn tranen weg. Ik drink en drink nog meer omdat eten niet lukt. Het verbaast Ruud niet met die man van mij.
‘Ik dacht altijd dat jullie een soort van vrij huwelijk hadden. Wist je echt van niks?’
Is dit alweer iemand met een verhaal dat ik niet ken?
‘Misschien wilde ik het wel niet weten.’ Ziezo, dat is eruit.
Ruud kijkt me aan en wacht. ‘Want dan had ik er toch zeker conclusies aan moeten verbinden? Maar hoe dan? Daarvoor hou ik veel te veel van die klootzak. En houden van, hoe zal ik het zeggen? Houden van kun je niet uitzetten als dat even niet meer in het plaatje past. Houden van zit verankerd in je ziel en daarom kan het ook zo verrekte veel pijn doen.’
‘Dat zeg je mooi,’ vindt hij.
Ik zeg dat ik even naar de wc ga. ‘Beetje water in mijn gezicht.’
Als ik weer aan tafel kom pakt Ruud even mijn hand.
‘Ik heb wat voor je. Knap je vast van op!’
Het woord Brazilië valt. Of het me wat lijkt om daar naartoe te gaan. Het moet een groot verhaal worden, met een lezersaanbieding – om lezersaanbiedingen wordt op de redactie gevochten omdat die altijd inclusief luxe hotels en extra grote stoelen in het vliegtuig zijn en we alle onkosten mogen declareren.
‘Je bent tien dagen van huis en je neemt Kevin mee – Kevin is mijn favoriete fotograaf. En je moet een beetje snel schakelen want je vertrekt al over een goeie week. Kan ik op je rekenen?’
Brazilië? Ja ik denk het wel. Ik bedoel graag. Nou en of ik naar Brazilië wil! Mijn hart maakt zowaar een klein sprongetje en de druk op mijn borstbeen neemt voor het eerst in dagen een beetje af. Ik vraag of hij het zeker weet. Hij zegt ja. En dat hij altijd al een zwak voor me gehad heeft.
‘Maar dat weet je toch?’
Ik tien dagen van huis en Chrissy met Hugo en zijn nieuwe mevrouw in mijn huis omdat er geen reden is om zijn slet uit mijn huis weg te houden als ik aan de andere kant van de wereld zit? Onderweg naar huis bel ik mijn moeder over wat te doen met dit plotselinge dilemma. Zij en pappa regelen wel wat, zegt ze.
‘Even eruit is niet slecht voor je nu. Ik zou maar gaan als ik jou was.’
Ik vraag of ze het zeker weet.
‘Maar dat weet je toch? ’
Die avond komt Hugo helemaal niet meer thuis en de daaropvolgende nacht schuifelt hij pas tegen de ochtend binnen. Ik ben nog van de wereld als ik in de verte de voordeur denk te horen. Heel even ben ik blanco. Een luttel moment van niks aan de hand, geen pijn en geen paniek. Totdat mijn brein met een schok tot leven komt om me in te peperen dat ik in een groot bad van diepe ellende dobber. Als hij even later naast me in bed stapt doe ik het licht aan en ga ik rechtop zitten.
‘Ik verdraag je niet meer naast me.’ Ik geef hem een por terwijl ik de woorden langzaam en duidelijk articulerend één voor één uitspreek. ‘Het lijkt me beter dat jij vanaf nu de logeerkamer neemt. Veel beter!’
‘Doe even normaal ja!’
‘Normaal? Ik? Als er hier iemand is die normaal moet doen, ben jij wel. En je stinkt weet je dat? Naar goedkope seks en zure wijn. Naar haar neem ik aan? Als ze net zo chique is als haar parfum, zou ik nog bijna met je te doen hebben. Wat een rotlucht is dit.’
Woest slaat hij het dekbed terug en stapt uit bed. Als ik de deur van de logeerkamer hoor dichtslaan sla ik mijn armen om mezelf heen in een armzalige poging om me minder eenzaam te voelen. Gek genoeg lijkt het nog te helpen ook.
De volgende ochtend wacht ik hem op. Het is zaterdag, de dag waarop hij meestal redelijk bijtijds richting zijn winkeltje gaat waar zijn ‘winkelmeisje’ Lizeth – Lizeth moet er zelf altijd al hardste om lachen als hij haar zo noemt – al met koffie en een broodje op hem zit te wachten. Zijn kop staat op oorlog als hij beneden komt.
‘Lekker geslapen?’ vraag ik spottend om vervolgens in één adem aan te kondigen dat ik wat te zeggen heb. Ik zeg het zo nonchalant mogelijk om hem er zo hard mogelijk mee te treffen. Argwanend kijkt hij me aan.
‘Had ik al gezegd dat ik naar Brazilië moet?’ Als door de bliksem getroffen blijft hij staan. Met zijn rug naar me toe gekeerd en zijn gezicht naar het raam. Wat hij kan, kan ik nog veel beter, dunkt me. En het helpt.
‘Waar heb jij het over?’ Hij draait zich naar me toe, is onzeker en geagiteerd omdat hij voelt dat ik met hem loop te fucken.
‘Over Brazilië,’ zeg ik. ‘Ik heb het over Brazilië. Had ik dat echt niet verteld? Tjemig. En het is al over een week of zo. Ik moet tien dagen weg want het wordt een groot verhaal en ik ga met Kevin. We worden het hele land door gevlogen en gaan alles zien als ik het goed begrepen heb. Alles behalve de Amazone. Stoer toch?’
‘En ik dan?’ Ik hoor het goed. Hij vraagt het echt.
‘Wat is er met jou dan?’
‘Godverdomme Britt, ik heb mijn werk. Hoe kan ik nou tien dagen voor Chrissy zorgen?’
‘Oh dat? Nee joh. Maak je daar nou maar geen zorgen over, want oppas is geregeld.’
‘Oppas?’ Hij verschiet van kleur.
‘Oppas,’ antwoord ik ijzig.
‘Hier heb ik geen zin in!’
‘Sorry. Nu ben ik je even kwijt. Je wilt niet zelf op Chrissy passen – wat trouwens een belachelijke omschrijving is voor een vader die gewoon voor zijn dochter zorgt – en je wilt ook geen oppas? Ik dacht dat het wel fijn voor je zou zijn als je tien dagen non stop op je vriendin kunt kruipen. En ik wil natuurlijk voorkomen dat je dat hier in mijn huis doet. Daarom heb ik mijn ouders geregeld. Chrissy vindt het heerlijk om ze zo lang achter elkaar te zien.’
Voordat hij de deur uitloopt brult hij nog dat ik een takkenwijf ben. Ik probeer mezelf even wijs te maken dat ik vandaag met 1-0 voorsta maar weet heel goed dat het nog veel te vroeg is om een scorebord bij te houden.
Hoofdstuk 9
Als ik die middag bij het groenteschap van de Appie sta voel ik dat er naar me wordt gekeken, maar zodra ik me omdraai kijkt de vrouw weg. Hoewel ik zeker weet dat ik haar eerder heb gezien, weet ik niet meer waar. Om me een houding te geven begin ik een krop sla in een zak te stoppen en dan loop ik richting de kaas. Het is heel lang geleden dat ik haar zag maar ik weet het weer. Het was een zaterdagmiddag. Zo lang geleden dat Chrissy nog in haar buggy zat. We waren samen in de stad om kleding te shoppen: Hugo en ik met onze Chrissy. Het viel me op dat deze vrouw naar Hugo loerde terwijl Hugo juist heel erg deed alsof hij haar níet zag. Vast besloten zich niet te laten negeren, was ze op hem toe komen lopen. Ze had hem drie keer gezoend en had daarna haar hand in zijn nek gelegd alsof ze niet van plan was hem nog ooit los te laten. Toen richtte ze haar blik op de buggy, zei dat ze ‘haar’ een ‘schatje’ vond en keek toen naar mij omdat ze niet veel anders kon. ‘Oh hallo’ had ze gezegd zonder me een hand te geven. Hugo’s ongemakkelijke kuchje en het feit dat hij de rest van de dag té aardig was; de hele film trekt weer aan me voorbij. Als ik opkijk en me omdraai kan ik haar niet meer vinden.
Die nacht droom ik dat het de dag voor mijn verjaardag is. Op de leuning van de fauteuil voor het raam bij de straat zit ik te wachten totdat Hugo me komt oppikken voor het beloofde etentje in ons favoriete restaurant. Ik voel me mooi en dat mag ook wel want ik heb er werk van gemaakt vandaag. Aan de overkant van de straat zwaait mollige Wiesje, mijn overbuurvrouw me net gedag als er een auto stopt. Het duurt even voordat ik zie dat het een taxi is, want het bordje op het dak in niet verlicht. Het rechterportier zwaait open en er stapt een vrouw uit. Ze lijkt op de vrouw uit de Appie, alleen blonder en jonger. Ze lacht naar me en dat is gek want bij nader inzien ken ik haar toch niet en heb ik haar nooit eerder gezien. Dan voel ik een hand op mijn schouder en zegtHugo dat hij even weg is.
‘Ik ben zo weer terug hoor.’ Het klinkt zo vertrouwd dat ik zijn woorden niet eens wantrouw. Maar dan bedenk ik dat ik morgen jarig ben en dat hij niet weg kan gaan zonder mij omdat we een afspraak hebben om samen uit eten te gaan.
‘Nou niet weer moeilijk gaan lopen doen hoor. Je verjaardag is pas morgen en morgen maak ik het meer dan goed met je.’ Hij is geïrriteerd. De vrouw aan de overkant van de straat steekt nu haar middelvinger naar me op en lacht smalend haar veel te witte tanden naar me bloot. Eerst doet Hugo alsof hij haar niet ziet, maar dat laat ze niet over haar kant gaan. Ze loopt op hem toe, zoent hem drie keer en slaat dan haar handen om zijn nek alsof ze hem nooit meer loslaat. Als ik me omdraai zie ik pas dat Hugo een pakje voor me op tafel heeft gelegd. Ah, denk ik. Hij heeft een cadeautje voor me gekocht, dus zo erg kan het nog niet zijn tussen ons. Ik herken het doosje van de juwelier nog voordat ik het papiertje er goed en wel afgescheurd heb. Als ik het openmaak fonkelt een collier met ik weet niet hoeveel stenen in saffier en briljant me tegemoet. Ik hou het omhoog om te zien of ik het wat vind, maar veel tijd om daarover na te denken is me niet gegund, want aan de overkant komt de taxi voor de tweede keer voorrijden. De blonde vrouw met haar witte tanden stapt uit en steekt de straat over. Even later hoor ik de voordeur en daarna de tochtdeur. Ze steekt haar hoofd om de deur van de huiskamer en vraagt lachend of ik wel weet hoe dat zit met mannen en juwelen.
‘Je weet toch wel dat ze die alleen maar cadeau doen om hun affaires mee af te kopen? Ze zeggen niet voor niets dat je aan de hoeveelheid sieraden van een vrouw precies kunt aflezen hoe vaak haar man vreemdgaat.’ Ze zwaait naar me. ‘Dag pop,’ zegt ze vals en dan loopt ze terug de gang in richting de voordeur en word ik wakker.Het is zondagochtend 12 januari half zes. Ik heb de laatste week niet één keer meer dan hooguit anderhalf uur aan een stuk geslapen, maar vannacht heb ik een ruk van wel vijf uur gemaakt. Onderweg naar de badkamer check ik de logeerkamer: zijn bed is onbeslapen.
In de loop van de ochtend fiets ik Chrissy naar hartsvriendinnetje Noor. De moeder van Noor vraagt of ik tijd voor koffie heb. Ik antwoord dat ik tegenwoordig verzuip in de tijd, waarop ze moet lachen.
‘Ik heb zoiets gehoord,’ zegt ze. ‘Op het schoolplein doet het verhaal de ronde dat de ouders van Chrissy de zoveelste uit de klas zijn die gaan scheiden. Eén moeder wist te vertellen dat de stand daarmee precies op één op de drie komt wat aardig gelijkloopt met de landelijke statistieken.’
‘Oh,’ zeg ik.
‘Alleen zijn deze kinderen negen of tien. Dus voordat die het huis uit zijn, zijn er heus nog wel een paar huwelijken meer gesneuveld.’ Ze zegt dat ik altijd bij haar aan kan waaien – ‘per slot van rekening ben ik ervaringsdeskundige’ – en dat Chrissy altijd welkom is. Ook om te blijven slapen als dat zo uitkomt.
Na de koffie stap ik op de fiets. Het loopt tegen lunchtijd en dat betekent dat de galerie zo opent. Vroeger was het ongeveer vaste prik om op zondag spontaan even langs te fietsen. De hele wereld mocht toen nog weten hoe gek Hugo op me was. Met zijn arm om mijn schouders trok hij me dan dicht tegen zich aan. ‘Dit is mijn meisje.’ Even kom in de verleiding om gewoon die kant uit te fietsen. Gelukkig besluit ik om dat niet te doen en om Kevin te bellen. Over drie dagen is het zo ver en vertrekken we richting Brazilië.
‘Heb je tijd voor een broodje? Ik denk dat we onze reis even moeten voorkauwen.’ We spreken af op de gracht vlakbij zijn studio. Als ik binnenkom zit hij al te wachten.
‘Liefie,’ zegt hij. ‘Is het echt waar? Het is echt waar hè?’ Hij knuffelt me en duwt me dan een stukje bij hem vandaan om me wat beter te kunnen bekijken. ‘Je bent afgevallen. Staat je goed hoor!’
Hoofdstuk 10
Vanaf Frankfurt gaat de reis non stop naar Sao Paulo. Daar aangekomen doden Kevin en ik de tijd in een onbestemd koffietentje vlak bij de luchthaven, totdat we onze eerste binnenlandse vlucht naar Foz do Iguaҫu,later die ochtend kunnen nemen. Onderweg heeft Kevin me eerst liefdevol getroost om me vervolgens de stuipen op het lijf te jagen.
‘Hoe ga je dat straks financieel doen liefie? Heb je überhaupt al enig idee hoe jullie de boel geregeld hebben? Want je leeft natuurlijk wel als een luxepoes.’ Hij vroeg zich af hoe we getrouwd zijn en of het huis wel op ons beider naam staat. ‘Beloof je me dat je een strottenbijter van een advocaat in de arm neemt als het echt van een scheiding komt? Want reken maar dat die Hugo van jou dat ook zal doen. Dat soort mannen kan heel goed voor zichzelf zorgen.’
‘Ik probeer mezelf te sussen met de gedachte dat er nog niets verandert zolang we officieel nog getrouwd zijn, Kevin. Daarna zie ik wel. Als ik alles tegelijk laat binnenkomen draai ik door. Je wilt niet weten welke rampscenario’s me ’s nachts, als alles wordt uitvergroot en ik mijn gedachten helemáál niet meer op een rijtje kan zetten, overvallen.’
Wezenloos en volstrekt gedesoriënteerd door de lange vlucht zitten we voor ons uit te staren. Ons broodje met onbestemd beleg blijft onaangeroerd.
‘Kom liefie, we kunnen weer.’ Kevin draagt mijn reistas en streelt even mijn wang.
Als we anderhalf uur later landen is het zonlicht meedogenloos en de atmosfeer klam. De overgang van de Hollandse januari naar de subtropen in deze contreien is te intens om nog aan piekeren toe te komen. Daarbij is er geen tijd te verliezen, want Brazilië is groot – zo groot als Europa tot aan de Oeral – en al die onmetelijke kilometers in één verhaal te kunnen vatten betekent dat we aan de bak moeten. De helikopter die ons meeneemt om het spektakel van de wereldberoemde watervallen van Iguaҫu vanuit de lucht te gaan zien, staat al klaar als we in het hotel aankomen. Als we opstijgen neemt een zoet-weeïg gevoel even bezit van mijn maag en voor het moment lukt het me om nergens anders dan alleen maar in het luchtledige van het nu te zijn. Ik word opgeslokt door de woest kolkende watermassa en de eindeloze groene wouden en de steenrode aarde beneden. Brazilië, Argentinië en Paraguay raken elkaar op het punt waar immense witte waterwolken omhoog spuiten en die gedachte is zo overweldigend dat dat het nu even niet over mij kan gaan. Ik pak de hand van Kevin en steek mijn duim naar hem op: alles oké hier! Als het eindelijk avond is ben ik al zo lang op en wakker en in de weer dat ik slaap voordat mijn hoofd het kussen raakt. Ik slaap de hele nacht aan één stuk door en voel me letterlijk als herboren als ik de volgende ochtend neuriënd aanval op het ontbijt dat wordt geserveerd onder de rieten overkapping van dit tropische eco-resort. Ik bunker alsof ik in geen weken meer gegeten heb – wat ook een beetje zo is. Intussen stuur ik een appje naar Ruud om hem te laten weten dat ik hem oneindig dankbaar ben voor deze break en dat we ons stinkende best gaan doen om met een goed verhaal thuis te komen. Daarna stuur ik een appje naar mijn ouders om te vragen of er nog nieuws is en om te zeggen hoe goed het me doet om nu hier te mogen zijn in plaats van thuis. ‘Geen nieuws,’ appt mijn moeder terug. ‘We hebben de lummel nog niet gezien en Chrissy houdt zich goed.’
Na het ontbijt vliegen we naar Río om vandaar per auto koers te zetten naar de Costa Verde in het zuiden. Slingerend over de groene flanken van de Serra do Mar, trekken de dieper gelegen stranden en baaien aan ons voorbij. Ik leun met mijn hoofd tegen het autoraampje en doe mijn ogen dicht. Was het in Mexico dat ik met Hugo grote garnalen van de grill had gegeten op een vergelijkbaar paradijselijk strandje? We hadden er een fles ijskoud lokaal bier bij gedronken en waren na het eten onder een palm in het zand neergestreken. Hugo lag met ontbloot bovenlijf op zijn buik. Ik had een dun laagje zand over zijn rug gestreken en er met mijn wijsvinger ‘i love you’ in geschreven.
‘Wat doe je?’ had hij gevraagd.
‘Ik hou van jou,’ antwoordde ik.
‘En ik van jou.’ Het geluksgevoel was zo diep en totaal geweest dat ik er geen moment aan had kunnen twijfelen dan dat dit voor altijd zou duren. Als ik mijn ogen opendoe zie ik dat Kevin naar me zit te kijken.
‘Was je ver weg?’ vraagt hij.
‘Valt wel mee vanaf hier. Mexico.’
Tegen de middag arriveren we in Paratí – nu een toevluchtsoord voor welgestelden en vroeger de plek waar eerst de Portugezen en later de slaven aan land kwamen. Lauwwarm hemelwater komt er met bakken tegelijk naar beneden waardoor we het werk moeten uitstellen totdat de lucht weer geklaard is. Nu werken niet kan moet een caipirinha kunnen, dunkt ons. Het eerste glas zorgt voor een aangename verdoving. Bij het tweede vraagt Kevin of ik dat nou wel moet doen en bij het derde glas komt de man met de hamer.
‘Gaat het wel liefie?’ Ik zeg dat ik naar mijn kamer ga.
‘Even liggen. Beetje rare maag. Sorry.’ Ik kan de badkamer nog net halen. Het limoensap brandt in mijn slokdarm en ik voel me zo slecht dat ik om mijn moeder roep. Alles tolt en alles, de hele kolereboel, het verdriet, de wanhoop en de woede, overvalt me met zo’n kracht dat ik ervan ga ijlen. Ik probeer overeind te komen maar moet weer gaan zitten. Half hangend over de rand van de badkuip probeer ik het limoensap weg te slikken, maar het bijtende zuur stuwt zonder genade omhoog en peurt meedogenloos in mijn geheugen. Het neemt me mee terug naar lang geleden, net voordat Hugo en ik trouwden. Ik was niet zo ziek als nu, niet zo ellendig als nu, maar blijkbaar was het wel heftig genoeg om diep weg te stoppen en hopelijk nooit meer aan terug te denken. Want een aanstaande echtgenoot die een week voor het huwelijk koudwatervrees krijgt en de boel wil afblazen, dat is niet iets om al te lang bij stil te staan. Het gebeurde na mijn vrijgezellenavond, waar hij halverwege de avond opeens achter me stond wat niet de planning noch de bedoeling was. We waren inmiddels aan de margarita ’s toen mijn vriendinnen hem te verstaan hadden gegeven dat deze avond exclusief bedoeld was voor zijn bruid en dat het eigenlijk beter was dat hij ging wieberen. Ik denk dat het tegen vieren liep toen ik thuiskwam en het briefje op tafel zag liggen. Er stonden meer spelfouten in dan ik ooit van hem voor mogelijk had gehouden, maar waar het op neerkwam was dat ik mijn gasten moest afbellen en dat hij dan zijn gasten zou afbellen, want hier had hij geen zin in. Ook toen waren het de limoenen waardoor ik het overgeven niet meer kon tegenhouden. Hugo werd er wakker van – of wie weet was hij toen voor een keer wel degene die zich slapend hield. Hij hield mijn haar vast en legde zijn hand op mijn rug totdat er niets meer over te geven viel. Daarna gingen we naar bed en een week later trouwden we alsof er niets was voorgevallen. Onze huwelijksreis ging richting Mexico waar we op de bonnefooi een maand rondtrokken en ons geluk niet op konden.
Het klopje op de deur is zachtjes. Het ‘gaat het wel liefie?’ klinkt bezorgd. Ik moet al mijn best doen om overeind te komen.
‘De deur is open denk ik.’ En inderdaad komt Kevin binnen om me in bed te helpen en bij me te komen zitten.
‘Je moet iets eten liefie.’ Hij schuift een bordje met brood mijn kant uit. ‘Kleine hapjes,’ zegt hij.
‘Overbodig om te zeggen,’ ik lach ondanks mezelf. Als ik een paar hapjes naar binnen heb gewerkt, stopt hij me toe en als ik wakker word is het ochtend. Als ik uit mijn raam kijk voel ik me als in een filmdecor. De witgekalkte gevels van de huizen steken oogverblindend af tegen de kozijnen en deuren in allerlei schakeringen blauw, groen, bruin, beige en geel. Op het pleintje voor ons hotel staan paarden en lastdieren aangespannen voor hun sjezen te wachten op klandizie. Een vissersbootje wacht ons later die ochtend op om ons mee te nemen voor een tocht naar de eilandjes voor de kust. De zee is kalm, de zon uitbundig en het uitzicht op de groene bergen die de baai omklemmen ongekend. Een school dolfijnen danst voor de boot uit.
‘Kijk!’ Kevin slaat een arm om me heen. ‘Ze zijn gekomen om je voor te gaan naar een nieuw leven waarin alles nog open ligt.’
‘We moeten praten,’ is een semi autobiografisch verhaal over radeloos verdriet en verlies, over verlaten worden en bedrogen uitkomen; kortom een verhaal over een huwelijk dat gedoemd is om te stranden. Het is ook een verhaal over opkrabbelen, opnieuw beginnen, fouten maken en vergissingen begaan, onderuitgaan en uiteindelijk over healing. Iedereen die ooit heeft geleden aan een gebroken hart door een verloren liefde zal zich in het verhaal kunnen herkennen en er troost uit kunnen putten. Want hoewel geen enkele scheiding hetzelfde is, zijn de worstelingen en het verdriet wel degelijk universeel.
‘We moeten praten,’ is een semi autobiografisch verhaal over radeloos verdriet en verlies, over verlaten worden en bedrogen uitkomen; kortom een verhaal over een huwelijk dat gedoemd is om te stranden. Het is ook een verhaal over opkrabbelen, opnieuw beginnen, fouten maken en vergissingen begaan, onderuitgaan en uiteindelijk over healing. Iedereen die ooit heeft geleden aan een gebroken hart door een verloren liefde zal zich in het verhaal kunnen herkennen en er troost uit kunnen putten. Want hoewel geen enkele scheiding hetzelfde is, zijn de worstelingen en het verdriet wel degelijk universeel.







