In de rij met Flo

Mandy steekt twee vingers op terwijl ze met haar andere hand een boks geeft. Daarna wijst ze trots naar haar mondkapje.

 

Daar staat een pandabeer op. Bel geeft Mandy een boks met een lach zo breed dat haar mondhoeken bijna haar oren raken. Ze kijkt haar aan met de liefde die denk ik alleen een “brusje” (ik haat het woord, maar het is wel effectief) kan hebben naar een kind met een beperking.

 

Waar ik hoop dat Flo en Mandy herkenning vinden, gaat die vlieger meer op voor haar moeder en mij. Een van de vele fijne dingen aan de gehandicapteningang bij Efteling-attracties is dat je niets hoeft uit te leggen. Dat niets raar is. Of ongemakkelijk. Flo gaat op de grond liggen en Mandy steekt twee vingers op als antwoord op de vraag hoe oud ze is. ‘Twee plus 29’, fluistert haar moeder me lachend toe. Mandy heeft zin in de Vogelrock. Flo ook, maar die heeft moeite met het wachten. Vooral omdat ze tijdens ons vorige bezoek aan de Efteling (we gaan elk jaar een weekend om haar verjaardag te vieren, een traditie waar we allemaal enorm vrolijk van worden trouwens) zes rondjes in haar karretje mocht blijven zitten, zo rustig was het.

 

Nu is dat even anders. Ik heb mijn verbazing over de Covid-regels weggepuft (waarom mag je niet langs het voetbalveld van je kind staan, maar zijn er hier honderden mensen bij de Efteling?) en probeer de drukte enigszins te ontwijken. Dat lukt maar matig. Zelfs de gehandicaptenhoekjes zijn vol, dus ook hier staan we zomaar veertig minuten te wachten. En laat dat nou net niet het talent van Flo zijn, wachten. We besluiten ons in de reguliere rij te voegen, dan ziet Flo tenminste waarom ze wacht en heeft ze een idee wanneer ze aan de beurt is, da’s beter dan duimendraaien en wachten tot iemand je op komt halen.

 

Ik geef Mandy een boks, lach naar haar moeder, zeg dat ik hoop dat ze snel aan de beurt is en duik met mijn meisjes de menigte in.

 

In het ‘speciale hoekje’ ben ik altijd blij als Flo iets raars doet. Alsof het legitimeert waarom we daar staan. Soms lijkt het wat vreemd, want we hebben geen rolstoel en toch maak je gebruik van een speciale ‘faciliteitenkaart’.
Zodra we tussen de “normale” mensen staan, snap ik meteen waarom die faciliteitenkaart (door ons ook wel de gouden wikkel genoemd, want och wat is het soms fijn om zo hups in de Python te springen) toch echt nodig is. Flo loopt rustig zeven mensen voorbij om vervolgens haar ogen vast te haken op een roze rugzak van een hip meisje en aan mij over al die hoofden heen te vragen hoe ik denk dat dit meisje zal heten. Dan rent ze weer terug voor een snuffeltje, vraagt ze of ik wil hikken als een panda en zet ze een nummer uit de groep-8-musical van Bel in. Ineens voelt het alsof we op de Kalverstraat lopen en iedereen kleren aan heeft behalve wij. We hebben geen faciliteitenkaart nodig om te laten zien dat we anders zijn, dat staat in neonletters boven onze hoofden geschreven. Ik wens dat we bij Mandy waren gebleven. In het veilige vierkantje, een boksje links, een blik van verstandhouding rechts. Maar we zitten middenin een massa ongeduldige mensen en we kunnen er niet uit.

 

Precies als ik me afvraag hoe het met Mandy zal gaan, tikt Bel me op mijn schouder. ‘Kijk mam, daar gaat ze. Ze is aan de beurt.’ We zien Mandy en haar familie aan de overkant van de karretjes. Ze krijgt de special treat, haar wachten is beloond. Flo is inmiddels naast me en al snuffelend schuifelen we ons een weg naar voren. Ik zie het roze jasje van Mandy voorbij zweven. Bel staat op haar tenen. ‘Ze heeft het leuk gehad, mama. Ik zie het aan haar gezicht.’

 

Ik app mijn lief die buiten wacht dat hij maar een koffietje moet halen. Onze beurt duurt nog een poortje of zeven. Het benauwt me dat ik geen plan B kan bedenken voor als er iets misgaat (als Flo moet plassen, moet ze plassen en is wachten geen optie bijvoorbeeld). Dan mantra ik de wijze woorden van mijn opa: een mens lijdt het meest van het lijden dat men vreest. Net zo lang tot we mogen instappen. Als de ijzeren gordel van ons karretje over onze schoot valt, roept Flo ons rituele ‘Ik hou van jullie!’ en we zijn ontketend. Haar armpjes gaan in de lucht en weg zijn we, de woeste donkerte van de Vogelrock in.

 

 

 

Door: May-Britt Mobach

Afbeelding van May-Britt Mobach