‘Ik steel van mijn werk­gever en ik kan niet stoppen’

 

Marlies (52) en haar man Remco (54) hebben samen twee kinderen die inmiddels het huis uit zijn. Echt breed hebben ze het nooit gehad en Remco heeft daar geen problemen mee. Voor Marlies is dat een ander verhaal.

 

‘Ik ben opgegroeid met twee oudere zussen, in een rijke gemeente. Uiterlijk, dure kleding en status waren behoorlijk belangrijk, maar mijn ouders trokken zich daar niets van aan. Zij hadden ons huis voor een prikkie gekocht destijds, en door de jaren heen was ons dorp veranderd in een plek waar veel vrijstaande huizen werden gebouwd, en de Puchjes maakten plaats voor Vespa scooters. 

 

Mijn ouders zijn totaal niet materialistisch. Ze vinden het allemaal oppervlakkig en overdreven. Ergens begrijp ik hun standpunt wel, maar ik vond dat vroeger vaak heel moeilijk. Als jongste van drie meiden kreeg ik vaak de afdankertjes. En dat ging, zeker op de middelbare school, niet onopgemerkt. Kleding die al twee rondes waren meegegaan zaten nou eenmaal niet meer heel mooi, en nog erger: ze waren totaal niet wat op dit moment in de mode was. Vaak schaamde ik me kapot en stond ik weer radeloos voor m’n kledingkast.

 

Op mijn veertiende nam ik daarom mijn eerste bijbaantje. Ik werkte me tien slagen in de rondte en kocht eindelijk de kleding die ik zelf wilde dragen. M’n ouders vonden me ontzettend aanstellerig en vonden het bovenal zonde van het geld. Dat maakte mij niets uit; ik voelde me eindelijk een beetje zelfverzekerd. Al heeft het mijn populariteit niet gered, want op school bleef ik een grijze muis. 

 

Achteraf snap ik eigenlijk niet waarom ik weer ben teruggekeerd naar dit dorp. Zo’n fijne tijd heb ik er niet gehad. Ik had wel wat vriendinnen, maar dat verwaterde allemaal toen we gingen studeren. Ik ging een mbo-opleiding voor maatschappelijk werk doen, maar het voelde meer als een verplichting om het af te maken dan dat ik het echt leuk vond. Ik heb er nooit wat voor gevoeld om werk te zoeken dat aansloot bij mijn studie.

 

Sowieso heb ik eigenlijk mijn hele leven niet bijzonder veel ambitie gehad. Niet dat ik lui was, allesbehalve zelfs. Ik heb altijd veel gewerkt en dat vond ik ook leuk. Ik wist alleen van mezelf niet echt waar ik goed in was. En blijkbaar ben ik ook nooit gemotiveerd genoeg geweest om daar achter te komen, want toen ik na mijn opleiding weer even bij mijn ouders ging wonen kreeg ik al snel een baantje aangeboden in de bakkerij in het dorp. Daar hoefde ik niet lang over na te denken en een week later stond ik daar.

 

En misschien klinkt het voor velen alsof dat een heel saai, betekenisloos en simpel baantje was, maar ik had het er zo naar m’n zin. Hoe gefocust ik vroeger was om indruk te maken met mijn nieuwe kleding, om erbij te horen… Dat was hier helemaal niet van belang. We werkten allemaal in hetzelfde uniform. Iedereen was gelijk. De eigenaresse stond zelf ook vier dagen net zo hard mee te werken. Het was altijd zó gezellig, met alleen maar vrouwen. Vaak gingen we na het werk wat eten of drinken met z’n allen. Precies wat ik nodig had na mijn verwaterde vriendschappen. En tijdens m’n studie had ik nou ook niet echt veel vrienden gemaakt; ik was een beetje een einzelgänger in die periode.

 

Ik weet eigenlijk niet eens meer waar het mis is gegaan. Ik was van alle werknemers het beste in het financiële gedeelte, dus ik telde altijd de kassa’s na en bewaarde de bonnetjes. Toen ik die verantwoordelijkheid kreeg, werkte ik er inmiddels vijftien jaar. Vijftien jaar die echt voorbij zijn gevlogen. De eigenaresse vertrouwde me blind en ik heb daar volledig misbruik van gemaakt.

 

Het begon onschuldig, met een tientje. Omdat ik m’n pinpas was vergeten en nog even langs de supermarkt moest. Ik zou het de volgende dag terugleggen, nam ik mezelf voor. Maar dat deed ik niet. In plaats daarvan deed ik het nu elke dag als ik werkte. En niet meer een tientje. Voordat de coronacrisis begon was het gemiddeld 450 euro per week… Ik wil zo graag stoppen, want ik weet dat ik uiteindelijk door de mand val. En dat is het erge: ik voel me helemaal niet schuldig. De eerste paar keren dat ik het deed, toen nog wel. Maar het is een verslaving geworden. Het enige waar ik bang voor ben is om betrapt te worden. En ik weet dat dat uiteindelijk gaat gebeuren.

 

Inmiddels heb ik er slapeloze nachten van, want de eigenaresse wil nu zelf weer de kassa tellen. Ze zei dat dat niet was omdat ze me niet meer vertrouwt, maar er waren wat onregelmatigheden. Ik weet natuurlijk waar ze op doelt. Elke dag die er voorbijgaat zonder dat ze er over begint haal ik weer opgelucht adem. En ondertussen probeer ik wel nieuwe manieren te zoeken om toch elke dag wat mee te nemen uit de kassa. Ik kan gewoon niet stoppen.’

 

Door: Marlies