‘Ach ja, we houden nog van elkaar, hoor. Dat zeker. Als ik naar ons kijk, zie ik een stel dat het goed voor elkaar heeft. Een mooi huis, een stabiele relatie, nooit echt ruzie. We doen samen boodschappen, kijken ‘s avonds tv en maken plannen voor de toekomst. Op papier klopt alles. En toch… als ik eerlijk ben, voelt het al jaren alsof we geen geliefden meer zijn, maar broer en zus. Of gewoon beste vrienden.
Toen we elkaar leerden kennen, was het anders. We konden niet van elkaar afblijven, hadden elke avond seks. Maar ergens onderweg is die vonk veranderd in iets anders—iets rustigs, iets vertrouwds, maar ook iets afstandelijker. Gewoon… We hebben allebei geen zin meer in zoenen of seksen. Eerst dacht ik dat het een fase was, met de jonge kinderen. Dat het vanzelf weer terug zou komen. Maar de maanden werden jaren, en langzaam drong de realiteit tot me door: dit is hoe wij nu zijn.
Ik weet niet precies wanneer het omsloeg. Misschien toen de kinderen kwamen en we vooral ouders werden in plaats van partners. Of misschien gebeurde het geleidelijk, toen de sleur van het dagelijks leven de spontaniteit uit ons huwelijk trok. Wat ik wel weet, is dat we er allebei nooit echt iets van gezegd hebben.
Is dit het dan?
Er waren momenten waarop ik me afvroeg: Is dit hoe een relatie hoort te zijn na zoveel jaar? Is dit normaal? Want op zich gaat het goed tussen ons. We maken geen ruzie, we lachen samen, we hebben een fijn leven. Maar diep vanbinnen mis ik iets. Ik mis het gevoel van begeerd worden, het verlangen naar elkaar, de energie van iets spannends. Het is gewoon een fijn leven samen.
En dus heb ik het maar geaccepteerd. Niet uit onverschilligheid, maar omdat ik ergens denk dat het misschien genoeg is. Want is liefde niet ook gewoon samen een team vormen, je veilig voelen bij elkaar en weten dat je altijd op elkaar kunt rekenen? Misschien hoeft een relatie niet altijd te bruisen en te vlammen. Misschien is dit, ondanks alles, gewoon hoe een lange liefde eruitziet.
Toch vraag ik me soms af of ik het mezelf niet te makkelijk maak. Of ik ooit nog dat vuur ga missen, dat verlangen naar méér. Dat je elkaar zo lekker vindt dat je in bed wil belanden samen. Maar voor nu kies ik voor rust, voor zekerheid, voor het leven dat we samen hebben opgebouwd. Misschien is dat uiteindelijk ook een vorm van liefde—al voelt het niet altijd als een liefdesrelatie, maar als iets anders. Iets vertrouwds. Iets wat ik blijkbaar kan accepteren. En ik wil ook niet bij hem weg, want er is nog wel liefde. Het is wellicht gewoon wat saai. Maar ja, als dat alles is… Ga je dan op jezelf wonen? Nee, toch?’







