Hoofdstuk 11
De verwachtingen zijn hoog gespannen als we een paar dagen later via de kustweg de jungle van Rio de Janeiro naderen. Bij het zien van ons hotel aan Ipanema vallen we even stil. Overvallen als we zijn door zoveel schoonheid en luxe.
‘Deze stad vraagt erom te worden verslonden,’ roept Kevin uitgelaten als we die avond aan een cocktail in de tropische hoteltuin met levensgrote fontein zitten. ‘En dat is precies wat deze jongen gaat doen.’
De volgende ochtend heb ik mijn ontbijt al lang en breed achter de kiezen als hij eindelijk komt aankakken. ‘Wat heb jij uitgespookt? Je ziet eruit om op te schieten.’
‘Oh liefie!’ Hij wrijft door zijn ogen met een gevoel van dramatiek dat zelfs voor Kevin over de top is. Hij was de boulevard opgegaan gisteravond. In eerste instantie om gewoon even lekker te joggen over die uniek te gekke zwart-wit-mozaïekjes. De zeelucht, het ruisen van de oceaan, de warmte, al die mooie mensen daarbuiten, de geur van palmolie en kruiden, vermengd met houtskool. Het was hem naar zijn hoofd gestegen, had hem vleugels gegeven.
‘Op een gegeven moment zag ik een jongen lopen. Hij viel me op. Ik viel voor hem. Meteen. Direct. Ik heb hem aangesproken, we hebben een drankje gedaan. Nou ja. Ik heb hem meegenomen naar mijn hotelkamer en liefie…’
‘Ben jij wel goed bij je hoofd?’ Ik zeg het zo hard dat mensen zich naar ons omdraaien. ‘Een jongen oppikken in Rio en hem gelijk maar mee naar je hol slepen? Alle Jezus Kevin! Voor het zelfde geld had ik je met een mes tussen je ribben in een houten pyjama kunnen hijsen. Jij spoort echt niet.’
Mijn uitval doet ons geen goed. De rest van de dag werken we als een mokkend stel langs elkaar heen en kunnen we het nergens over eens worden. Als ik naar de favelha’s wil, wil Kevin naar de botanische tuinen van BurleMarx en waar ik de enorme tegenstellingen van deze stad wil uitvergroten, wil Kevin die vooral verdoezelen.
Maar we moeten door want morgen reizen we alweer verder naar de savannen, moerassen en wouden van het walhalla voor natuurminnaars en vogelaars: de Pantanal. En amper geacclimatiseerd aan de klamme hitte die hier als een deken om ons heen hangt zitten we alweer in het vliegtuig naar het futuristische, sleetse en vooral desolate Brasilia – de hoofdstad. Als afsluiter en uitsmijter van onze rondreis die voelt alsof we er met een tijdmachine doorheen zijn gejaagd, wacht het Brazilië van de bossa nova, de samba en de lambada, de uitzinnige festivals, de folklore en de betoverende palmenstranden. Het voelt als thuiskomen in Land of Hapiness Bahia – een tropische staat zo groot als Frankrijk met Salvador als hoofdstad. Mijn lijf voelt moe, mijn gemoed is redelijk rustig. De indrukken van de laatste week hebben thuis redelijk naar de achtergrond weten te verdringen en als ik eraan denk wat ik achterliet en wat ik aan zal treffen, is het alsof er een glazen wandje tussen mezelf en de werkelijkheid is geplaatst en ik er vanaf een afstandje naar kan kijken. Alleen toen mijn moeder belde om te laten weten dat Hugo Chrissy had opgehaald ‘om samen iets leuks te gaan doen omdat hij haar zo miste’ kwam de realiteit me ongenadig rauw op mijn dak vallen. De gedachte aan Chrissy die met Hugo naar iets leuks onderweg was, was nog tot daar aan toe. Het idee dat ‘de andere vrouw’ daarbij zou aanhaken was onverteerbaar en het besef dat ik daar geen enkele invloed op uit kon oefenen was misselijkmakend.
Op de laatste ochtend voordat we de aan onze reis naar huis beginnen, heeft Kevin een verrassing voor me geboekt.
‘Niet vragen, gewoon doen. Hier ga je van opknappen.’ Ik meld me om tien uur bij de receptioniste van de wellness van het hotel. ‘Room number?’ Waarna ze me voorgaat naar een schemerdonkere kamer met een massagetafel, een woud aan grote groene planten en verder niet veel meer. Het meisje brult iets naar een deur om vervolgens plaats te maken voor een knaap in een witte short en wit T-shirt. Zijn spierballen rollen onder zijn korte mouwtjes als hij me een hand en een handdoek geeft. ‘Back in a sec,’ denk ik dat hij zegt en daar sta ik dan in mijn jurkje met de handdoek. Jurkje uit, slip en beha aanhouden, handdoek omslaan? Zo ongeveer zal het bedoeld zijn. Met de handdoek onder mijn oksels geklemd ga ik, om me een houding te geven, alvast met schommelende benen op de tafel zitten. Als de knaap weer binnenwandelt gebaart hij lachend dat ik op mijn buik mag gaan liggen. Hij heeft de handdoek van me overgenomen zonder dat ik er erg in had en houdt die voor me op totdat ik lig. ‘Music?’ Weet ik veel of ik muziek wil, doe maar wat. Mijn opgetrokken schouders worden resoluut vastgepakt en naar beneden gedrukt en mijn behabandje wordt losgeknoopt. Ik ben hier gekomen om te ontspannen en ontspannen zal ik. Als het kneden van de knopen in mijn rug er niet al te hardhandig aan toe gaat zak ik af en toe even weg in een gelukzalig niemandsland waar alleen plaats is voor de handen op mijn lichaam. Als ik eindelijk word uitgenodigd om op mijn rug te draaien, parelt het zweet op zijn voorhoofd. Mijn glimlach wordt beantwoord met een hand op mijn bovenbeen. Ik doe mijn ogen dicht en zucht diep. De hand glijdt heel langzaam wat omhoog tot onder de handdoek die als een lendendoek om me heen gevouwen is. Ik strek alleen mijn armen hoog boven mijn hoofd om me vervolgens over te geven aan de behendige handen van de jongen in zijn witte short en wit T-shirt.
‘Opgeknapt?’ wil Kevin na afloop weten.
‘Gaat je geen moer aan. Maar die gast had zeker te weten gouden handjes.’
Hoofdstuk 12
De terugreis is lang en vervelend. Ik probeer de moed erin te houden door mezelf voor te houden dat het beter is dat mijn huwelijk over is. Dat het beter is nu ik niet meer hoef te hopen en wanhopen omdat ik nu weet waar ik aan toe ben. Maar ik trap er niet in. Ergens hoog boven de Atlantische Oceaan kwel ik mezelf met de waaromvraag. Waarom gaat hij weg? Waarom zij wel en ik niet? Waarom begrijp ik het niet. Als ik het maar zou begrijpen dan zou het vast minder pijn doen.
‘Zou het uitmaken als ik het zou begrijpen?’ vraag ik Kevin. Hij kijkt me wat meewarig aan, kauwend op een antwoord.
‘Wil je het begrijpen?’ vraagt hij dan. ‘Ik bedoel: wil je je kunnen verplaatsen in een man voor wie het waarschijnlijk toch nooit genoeg is. Nooit genoeg roem, nooit genoeg rijkdom, nooit genoeg succes, nooit genoeg vrouwen, nooit genoeg seks.’
‘Is dat hoe je Hugo ziet?’
‘Dat is inderdaad de indruk die ik van hem heb. En jij doet je wel voor als een snelle meid, maar dat ben je om de dooie dood niet. Hoe ging dat gezegde ook alweer? Je kunt het meisje wel uit de provincie halen, maar je haalt de provincie nooit uit het meisje.’
Eindelijk thuisgekomen staan de verhuisdozen al in de gang. Als een tastbaar bewijs dat niets meer is als het was staan ze al klaar. Ze zijn nog ingeklapt en worden per tien stuks met tie wraps bijeengehouden. Mijn vader en moeder hebben hun koffertje ook al gepakt bij de deur staan. Het leven gaat blijkbaar onherroepelijk verder waar het gebleven was en er zit niets anders op dan het te nemen zoals het komt. Hugo belt me meteen die avond om te vragen of ik morgen naar de redactie ga.
‘Het lijkt me beter om mijn spullen te verhuizen als jullie er niet zijn.’
Ik de deur uit, kind de deur uit en hij straks ook, denk ik. Maar dan voorgoed.
‘Je ziet maar wat je doet,’ zeg ik. Het besef dat het echt over is tussen ons wordt steeds waarachtiger. Hoe lang hebben we elkaar nu niet meer gezien? Wanneer zullen we elkaar weerzien? Zullen we nog ooit samen praten? Samen lachen? Zullen we elkaar feliciteren voor onze verjaardagen of informeren naar elkaars levens? Na een gebroken nacht, sta ik op om Chrissy naar school te helpen. Ik stap onder de douche en daarna meteen op mijn fiets. Het regent ijswater buiten en de lucht is loodgrijs. Doorweekt kom ik aan op de redactie. Ik droog mijn haar op de wc, veeg de doorgelopen mascara van mijn wangen en snotter een moment stilletjes voor me uit.Even maar, heel even. Dan moet het over zijn en ga ik aan het werk. Terug naar Brazilië gaat het vandaag. Ik begin te typen en het is onvoorstelbaar hoe makkelijk de woorden vloeien. Ik begraaf me in mijn aantekeningen en beleef mijn reis door het land van tegenstellingen, adembenemend natuurschoon, uitersten en levenskunstenaars van a tot z opnieuw. Alleen de knaap met zijn rollende spierballen onder de korte mouwtjes van zijn witte T-shirt hou ik glimlachend voor mezelf.
Ik wil op tijd bij school staan. Samen met Chrissy naar huis. Geen oppas, ik met haar, wij samen. Dat is wat moet vandaag. Ik fiets me ondanks het weer in het zweet, maar mooi dat ik er sta. Zij achterop. Samen langs de buurtsuper. Wat wil ze eten? Of zullen we snacken? Dat zullen we. Ze draagt het plastic tasje met snoep en chips en popcorn om zelf in de magnetron te poppen, voor haar borst. Het laatste stukje naar huis lopen we. Ze vertelt honderd uit. Maar over dat ene, geen woord. Ze geeft geen kick. We doen de deur open, lopen naar binnen, blijven allebei tegelijk in de gang staan. Niet omdat het daar anders dan anders is, maar omdat we nog even willen wachten – blijkbaar. Bang voor het onbekende of voor het definitieve? De woonkamer is zoals altijd en de keuken ook. Ik zeg dat ik even naar boven moet. Ze wil mee. Naast elkaar lopen we de trap op. Allebei een kant van de zwarte leuning omklemmend. Haar kamer links laten we links liggen. Door naar onze slaapkamer rechts die nu mijn kamer is. Het bed, onopgemaakt. Zijn stoel, om kleren op te leggen, leger dan ooit. De inloopkast, lege planken, halflege rekken, een dikke stoflaag waar zijn schoenen stonden.
‘Heeft pappa alles meegenomen?’ Haar stem en zoals ze erbij kijkt, doet me meer pijn dan mijn eigen pijn.
‘Nee, niet alles.’ Er hangen nog wat zomerkleren en ook nog een paar pakken.
‘Als hij niet alles heeft meegenomen komt hij misschien weer terug, toch mamma?’ ’s Avonds kruipen we samen in het grote bed. Zij met een appelsapje en kaasblokjes met ketchup. Ik met witte wijn en kaasblokjes met mosterd. We kijken een film.
‘Mamma?’ Ze mist pappa zegt ze. Ze mist pappa heel erg.
‘Ik weet het’, zeg ik. ‘Weet je wat? We gaan pappa bellen, dan kan je hem even spreken.’ De telefoon gaat ik weet niet hoe vaak over. Ik zeg dat pappa nog aan het werk is, waarschijnlijk. Hij belt vast straks even terug, hopelijk.
Hoofdstuk 13
Nog steeds gaat het leven onherroepelijk verder waar het gebleven was en ware het niet dat er zo met me wordt meegeleefd, dan zou ik bij god niet weten hoe ik deze dag – en alle dagen die er nog komen gaan – door zou moeten komen. Als eerste appt mijn zusje Gaby. Ze wil me zien.
‘Ben je er het weekend zusje? Dan kan ik je zien. Even vasthouden.’
‘Ja. Graag. Fijn.’ Mijn zusje is in de buurt van ons ouderlijk huis blijven wonen en dat betekent dat we elkaar door de afstand niet overlopen en het meestal aan mamma laten om te worden bijgepraat over het alledaagse. Ze belde me een paar dagen nadat we van wintersport waren teruggekomen en ze het nieuws had vernomen en haar eerste reactie was zo ongeveer dat ze hoopte dat ze nu haar echte zus weer terug zou krijgen.
‘Je echte zus?’ Ik snapte niet waar ze heen wilde.
‘Nu durf ik het wel uit te spreken. We vinden allemaal dat je best veranderd bent sinds je met Hugo gaat. En we zijn het er allemaal over eens dat de versie van vóór Hugo ons beter paste.’
Ik voelde me op mijn pik getrapt.
‘De echte versie is vrolijker, spontaner, kijkt niet de hele tijd over haar schouders. Snap je een beetje wat ik bedoel?’
Misschien wilde ik het wel niet snappen.
‘Sinds je met Hugo bent lijkt het alsof je minder kunt ontspannen, alsof je altijd een beetje op je hoede bent. Vroeger, vóór Hugo, was je losser. Ja misschien is dat het woord wel. Je zei wat je dacht, was voor de duvel niet bang en sprong overal op af. Je was onverschrokken zusje. Je leefde je leven en liet je door niemand gek maken en al helemaal niet de les voorschrijven. Na de middelbare school pakte je je koffer en vertrok je naar Amsterdam omdat je altijd al wist dat je daar wilde wonen. Toen je klein was zei je zelfs dat je verkeerd geboren was in ons dorp. Veel te klein, veel te stil, veel te saai. De wereld lag aan je voeten en zo zag je er ook uit: sprankelend. We snappen allemaal waarom je voor Hugo viel en dat je altijd een beetje op je tenen voor hem hebt moeten lopen. We snappen ook dat je dat voor hem over had, want de man is ook echt wel een partij om achteraan te lopen. Als hij binnenkomt komt er wel iemand binnen.’ Nu Gaby eenmaal op dreef was, was ze niet meer te stuiten. ‘Ik bedoel dat Hugo nooit om aandacht verlegen zal zitten, Britt. Hugo is nu eenmaal gewend om het middelpunt te zijn en dat maakt dat je hem nooit voor jezelf hebt en dat hij narrig wordt als het eens een keer niet om hem kan draaien. Een beestje narcistisch is hij toch wel?’
Bij het woord narcist was het genoeg geweest.
‘Als het je bedoeling was dat ik me nog net iets rotter ging voelen dan ik al doe, ben je geslaagd.’
Ze zei dat dat natuurlijk niet haar bedoeling was omdat ze daarvoor veel te veel van me houdt. Toch hadden we elkaar niet meer gesproken sindsdien.
Na Gaby belt Kevin om te zeggen dat we de foto’s van Brazilië op de lichtbak kunnen gooien om een eerste selectie te maken.
‘Leuk. Doen we. Morgen?’
Suzan, de moeder van beste-vriendinnetje-van-Chrissy Noor appt om te vragen hoe ik me hou en hoe het was. En dat we altijd kunnen afspreken als ik daar behoefte aan heb.
‘Gaat wel, valt niet mee, ja was top, zeg maar wanneer,’ app ik terug.
En dan belt Sammy ‘van de wintersport’ om te vragen of ik er ben om me even een knuffel te komen brengen. Nog geen half uur later staat ze op de stoep.
‘Bloemen!’ zegt ze. ‘Ook van Walter. We moesten toch iets vonden we.’ Ze omhelst me, vraagt hoe het gaat en zegt er meteen achteraan dat dat een rare vraag is waarschijnlijk. Ik neem de bloemen aan – een waanzinnige bos van de bloemist om de hoek die in de buurt de bloemenjuwelier is gaan heten vanwege de prijzen die hij rekent.
‘Kom. Ik maak een koffietjes voor ons.’ Ik ga haar voor naar de keuken.
‘Je bent afgevallen.’ Ze neemt me op vanaf haar kruk aan het keukeneiland.
‘Dat buikje van de kaasfondue en de Kaiserschmarren was er inderdaad binnen no time af, ja.’ Ik pak een vaas voor de bloemen. ‘Mooi Sam! Blij mee. Dankjewel. Lief.’
‘Wat is er nou gebeurd?’ vraagt ze dan. ‘We snappen er namelijk niks van. Op de wintersport was er toch nog niets aan de hand? Of hebben we iets gemist? Walter belde Hugo omdat hij iets moest weten en kreeg toen een vaag verhaal over dat Hugo ruimte nodig heeft.’
‘Welnee,’ zeg ik. ‘Hij heeft gewoon een ander. Ruimte nodig ammehoela.’
‘We waren er al bang voor.’
‘Zeg nou eens eerlijk Sam. Hebben jullie nou nooit een clou gehad? Nooit het vermoeden dat Hugo het misschien niet zo nauw nam met de huwelijkse trouw? Nooit geruchten gehoord? Roddels?’
‘Hugo houdt van een drankje en is niet vies van een feestje en Hugo is niet bepaald het lichtende voorbeeld van de ideale family man. Maar vreemdgaan?’ Ze pauzeert even voor haar volgende vraag. ‘Wil je me nou vertellen dat hij er al vaker een ander naast hield?’
‘Als ik de verhalen mag geloven, ja.’ Ik vertel haar wat ik van Claire hoorde. Dat een collega van Claire haar al tijden terug waarschuwde dat ik wel uit mocht kijken met die man van me.
‘Kut zeg! Dat vind ik echt Britt. Wat ga je nu doen? Of ben je daar nog niet uit?’
‘Ik ga in ieder geval niet meer skiën met de kerst. Ik heb uitgerekend dat wat we daar elk jaar in twee weken stukslaan ongeveer gelijkstaat aan mijn hele jaaromzet. Kun je je voorstellen?’
‘Ik moet er niet aan denken.’ Ze neemt de laatste slok van haar koffie. ‘Sorry,’ zegt ze dan.
‘Sorry dat je er niet aan moet denken om je eigen broek op te moeten houden? Ik kan je zeggen dat ik daar ook liever niet aan denk. Om je de waarheid te zeggen vliegt het me naar mijn strot. Ik vroeg me vannacht af waar ik een nieuwe auto van moet betalen als deze ermee ophoudt. En dat is nog niks. Waar ga ik wonen? Hoe kom ik aan een huis?’
‘We mogen toch zeker aannemen dat die man alimentatie gaat betalen?’ Sammy’s stem gaat de hoogte in.
‘Daar heb ik over nagedacht. Of ik dat wil in de eerste plaats en hoeveel zekerheid dat biedt. De moeder van een vriendinnetje van Chrissy had een behoorlijke alimentatie bedongen bij haar scheiding, maar toen haar ex zijn BV liet ploffen was het opeens het verhaal van de kale kip die niet meer te plukken valt. Wil je nog koffie? Wijn kan ook.’
‘Doe mij maar wit voor de schrik. Een klein glaasje.’ Ze geeft de maat aan met haar duim en wijsvinger. Maar wat moet je dan? Staat het huis wel op jullie beider naam? Bij Walter en mij zijn de stenen van hem en de inboedel van mij. Zie je het al voor je?’
Ik schiet in de lach. ‘Dan zit je in ieder geval tot over je oren in het designspul bij de daklozenopvang. Maar even. Is dat echt zo? Want dat vind ik best apart. De helft van deze stenen is in ieder geval wel van mij en de hypotheek is niet al te hysterisch, maar hoeveel er eventueel overblijft bij verkoop? Ik heb er nog geen idee van.’
‘Ik denk dat ik nog maar een keer met Walter om de tafel moet.’ Sammy kucht en heft haar glas. ‘Hoe houdt Chrissy zich trouwens? Gaat het een beetje met haar of mist ze Hugo erg?’
‘Naar omstandigheden redelijk denk ik. Het was altijd al Chrissy en ik, dus wat dat betreft zal er niet heel veel veranderen. Maar gisteren had ze het wel te kwaad. Ik denk trouwens dat ik haar even van school oppik zo meteen.’
Hoofdstuk 14
Ik zie het al vanaf een afstandje – dat het huilen Chrissy nader dan het lachen staat. ‘Hé,’ zeg ik. Ik leg mijn hand op haar schouder en trek hem meteen ook weer terug. Ik wacht tot we de hoek om zijn, uit het zicht van school, moeders en schoolkinderen.
‘Wat is er liefje?’
Als ze begint te huilen is het meteen tranen met tuiten. Ze kan niet meer uit haar woorden komen, zo overstuur is ze. Het duurt dan ook even voordat ze weet uit te brengen dat ze gepest is. ‘Heel erg gepest. En het is allemaal de schuld van die stomme Liselotte. Die zegt dat het allemaal mijn eigen schuld is dat pappa niet meer bij ons woont. Weet je wat zei? Ze zei ‘wie wil er nou met jou wonen’?’
Ik hou Chrissy vast. Heel dicht tegen me aan. Ze laat me begaan en legt haar hoofd op mijn schouder – nog even en ze is me voorbij gegroeid schiet het door me heen. Ik haal adem. Heel diep, adem-in-adem-uit en nog een keer. Ik duw haar een klein stukje van me af zodat ik haar in haar groen ogen kan kijken.
‘Dit gaan we oplossen,’ zeg ik. Ze kijkt me vragend aan. ‘Vertrouw me nou maar. Die Liselotte gaat jou na vandaag nooit meer lastigvallen.’
Wat ik haar niet vertel is dat ik, toen ik ongeveer net zo oud was als zij nu, werd geterroriseerd door een meisje uit mijn klas dat ook Liselotte heette. Liselotte was ouder dan ik – ze kon niet goed meekomen op school en had al twee klassen gedoubleerd -, minstens een kop groter en twee keer zo breed. Maar wat me vooral angst aanjoeg waren haar grote mond en scherpe tong. Daar was ik als de dood voor. Zo bang dat ik mezelf had aangeleerd om te doen alsof ik haar niet zag en niet hoorde. Dat had gewerkt totdat de maat blijkbaar vol was. Op die dag stond Liselotte me, samen met nog minstens vijf andere meisjes uit de klas,, op te wachten. Wat begon met geduw, gespuug en gescheld, eindigde ermee dat ik op grond lag en net zo lang werd geschopt tot het licht uitging. Ik was zo ernstig toegetakeld dat ik een week niet naar school kon omdat ik niet meer kon zitten door alle blauwe plekken en een gekneusd stuitbeentje. Mijn moeder moest mijn vader tegenhouden toen die verhaal wilde gaan halen bij Liselotte thuis. ‘Niet doen!’ hoorde ik haar huilen. ‘Jij wint het nooit van dat geteisem. We moeten dit verstandig aanpakken.’ Toen ik na een week weer naar school kon, kwam de hoofdnonspeciaal naar onze klas voor een donderpreek over naastenliefde. Alle kinderen hielden hun adem is. Alleen ik haalde opgelucht adem omdat ik nu vast en zeker met rust zou worden gelaten. En inderdaad werd ik vanaf de dag van de donderpreek nooit meer lastiggevallen.
Die avond, rond etenstijd, pak ik de telefoon. Niet Liselotte maar haar vader neemt op.
‘Hallo,’ zeg ik. ‘Je spreekt met de moeder van Chrissy. Ik zou Liselotte even willen spreken. Is die er?’
‘Hoezo?’ wil de vader weten.
‘Om haar te vertellen dat ze het nooit meer in haar hoofd moet halen om Chrissy zo door de mangel te halen. Chrissy is nogal kwetsbaar op het moment, zie je. En ik kan het er niet bij hebben – ik ga steeds sneller en steeds harder praten – dat kinderen zoals jouw Liselotte het mijn kind nu nog moeilijker maken dan ze het al heeft. Hoe komt je dochter erop om tegen haar te zeggen dat het haar schuld is dat haar vader niet meer bij ons woont?’
De vader haalt hoorbaar adem.
‘Ik zal met haar praten,’ zegt hij dan.
‘Wat?’ Gek dat ik overal op gerekend had maar niet op bijval.
‘Ik vind het heel erg om dit te horen, dus ik zal met haar praten. Bel me gerust op als er nog eens iets voorvalt. Ik vind dit echt heel erg. En sterkte voor jullie.’
Zoveel fatsoen en begrip kan ik niet aan. Als ik hem wegdruk lopen de tranen over mijn wangen.
‘Wat is er?’ wil Chrissy weten. ‘Wat zei Liselotte?’
Ik doe verslag van het gesprek met de vader.
‘Maar dat is toch juist goed mam? Daar hoef je toch niet om te huilen?’
Ik ben net met Chrissy boven als ik de deur hoor.
‘Is dat pappa?’
Chrissy roept dat we boven zijn. Hij roept terug dat hij er aan komt. Even later hoor ik zijn voetstappen op de trap. Een raar soort van opwinding maakt zich van me meester. Blij om hem te zien? Benieuwd naar wat er komen gaat? Bang voor wat ik voel? Op hetzelfde moment dat hij de drempel van onze slaapkamer overstapt kom ik zuurstof tekort. Alsof alle lucht door hem wordt opgeslurpt. Met een boog loop ik om hem heen. Ik mompel een ‘hi’ en zeg dat ik hem zo wel even beneden zie. ‘Ik kom zo nog wel even een verhaaltje lezen, Chris!’ Ik voel me als opgejaagd wild. Wilde ik stiekem niets liever dan hem zien? Omdat ik stiekem nog lang niet klaar met hem ben? Nog niet gewend aan zonder hem? Nog lang niet ver genoeg om alleen verder te moeten, op eigen benen te moeten staan? Maar hij hoort hier niet meer. En al helemaal niet onaangekondigd. Ik voel me overvallen, overrompeld.
‘Wil je voortaan even van te voren bellen in plaats van plompverloren binnen te vallen?’ Even later staat hij verdomme voor de ijskast alsof hij hier nog woont. Als door een wesp gestoken draait hij zich naar me om.
‘Dit is ook nog mijn huis hè?’
‘Je bent ergens anders gaan wonen omdat je zogenaamd ruimte nodig had Hugo. Wat zou je ervan vinden om mij ook die ruimte te gunnen? Ik wil niet dat je opeens zomaar voor me staat. Als je hier wilt langskomen overleg je dat maar gewoon eerst.’
Hij flikkert de ijskast dicht en zegt dat hij net met Chrissy heeft afgesproken dat ze komend weekend gezellig komt logeren. ‘Maar ik overleg nog wel even hoe laat ik welkom ben om haar op te pikken hoor. Tabee!’ Het venijn druipt er bij hem af. De opwinding die zich eerder van me meester maakte is veranderd in een paniekbal. Want Chrissy naar hem? En die andere vrouw dan? Zal hij Chrissy nog even respijt te gunnen? Want het is toch zeker nog veel te vroeg voor de andere vrouw? Zij mag nog niet met Chrissy zijn. Ze moet uit haar buurt blijven, ver bij haar vandaan. Chrissy is míjn dochter. Ik ben de moeder.
Chrissy roept me.
‘Mamma? Ik weet niet of ik bij pappa wil logeren. Kan jij pappa niet bellen om te zeggen dat ik liever een ander keertje kom?’
Ik zeg dat ik erover na zal denken. Maar het eerste wat ik doe als Chrissy slaapt is Hugo’s nummer intoetsen zonder hier ook maar één seconde over nagedacht te hebben.
‘Moest dat nou?’ begin ik.
‘Wat nu weer? Als je alleen nog maar kunt blaffen ben ik heel gauw klaar met je!’
‘Chrissy wil niet bij je logeren. Ze wil niet blijven slapen. Hoezo moest je haar dat nou door haar strot douwen? Had je ook dit niet eerst even kunnen overleggen?’
‘Waar bemoei je je mee?’
‘Wat zeg jij nou mafketel? Ik bemoei me met Chrissy. Ze is er niet klaar voor om bij je komen slapen. Waarom haal je haar niet op om een filmpje te pakken? Waarom meteen weer alles op jouw manier?’
Chrissy ís vast wel mans genoeg om voor zichzelf te beslissen wat ze wil,’ bijt hij me toe.
‘Nee Hugo. Dat is ze niet. Je hebt echt geen idee. Je vergist je echt.’
Hoofdstuk 15
Zijn loopje valt me eerder op dan dat ik hem zie, want dat loopje herken ik uit duizenden. En dan zie ik haar ook en weet ik meteen dat zij het is. Ik kijk weg. Zoals kinderen dat ook doen als ze onzichtbaar willen blijven. Ze passeren de etalage van de lingeriewinkel aan de overkant. Ik zie dat hij weifelt – omdat ik elke beweging van hem ken, weet ik dat hij weifelt; een fractie van een seconde dat ene been dat vertraagt en die ene arm die net iets te lang naar achteren blijft wijzen. Maar hij laat zich niet kennen, dat weet ik ook, dat hij zich nooit laat kennen. Dus pakt hij haar hand en neemt hij haar mee naar de overkant van de straat – naar mij. Het bloed stijgt naar mijn hoofd, ik kleur rood tot achter mijn oren, als een bakvis, sta te trillen op mijn benen. Ik wil weg omdat ik dit niet wil. Even aarzel ik. Maar ik blijf staan. Met het lood in mijn schoenen, slappe benen en het gal achter in mijn keel, blijf ik staan. Hij groet me – iets te overdreven – alsof hij me in geen jaren heeft gezien, waardoor ikweet dat hij net zomin op zijn gemak is als ik.
‘Wat een toeval,’ zegt hij onnozel. ‘Nou ja, nu we elkaar toch tegenkomen kan ik jullie net zo goed meteen even aan elkaar voorstellen.’ Zij lacht haar hagelwitte, kaarsrechte, niet te missen, jaloersmakende, tanden voor me bloot en steekt gretig haar hand naar me uit. En dan komt er een waas voor mijn ogen. Er vaart iets duivels in me dat me doet uitstijgen boven haar en hem en deze hele poppenkast. Ik kijk naar haar hand, vastbesloten om die met geen vinger aan te raken. Dat wend ik me van haar af en kijk ik hem recht in zijn schijnheilige smoel.
‘Je begrijpt toch hopelijk wel dat ik hier niet op zit te wachten?’ Ik zeg het blijkbaar hard genoeg om de man verderop zijn hoofd naar ons te doen omdraaien.
Hugo knippert met zijn ogen. Uit het veld geslagen, van zijn stuk gebracht. Mompelt zowaar iets van een ‘ja’ en dan loop ik weg – trillend en sidderend. Nog één keer draai ik me om. Sans gêne neem ik de beelden razendsnel in me op zoals alleen vrouwen elkaar in een flash kunnen scannen zonder ook maar één detail over te slaan. Ik zie een broek die raar om haar lijf hangt en een jasje dat spant om haar onderrug. Benen die te kort zijn voor haar lijf, een tas die lomp is en groot en haar hand die zijn hand loslaat. Een vreemd gevoel van opluchting maakt zich van mij meester. Het is alleen haar gebit, denk ik. Dat was perfect. Maar voor de rest? Het is seks! Het kan niets anders dan seks zijn want alles wat ik gezien heb is matigjes en gewoontjes en als Hugo ergens niet van houdt dan is het van middelmaat. En dan te bedenken dat seks nooit genoeg is om een blijvertje te zijn. Want seks raakt op een dag een beetje op en sleets en dan moet er meer zijn om de boel aan de gang te houden en juist dát beetje meer is wat ik helemaal niet zag daarnet.
‘Seks!’ roep ik zodra Claire opneemt. ‘Het is seks. Alleen maar seks en verder heeft ze niets om het lijf.’ Ze vraagt of ik alsjeblieft wat specifieker kan zijn. Ik ratel het hele verhaal achter elkaar aan haar op zonder ook maar één keer adem te halen.
‘En?’ vraag ik als ik uit gerateld ben. Inmiddels ben ik thuis.
‘En? Wat nou en? Wat maakt het nou uit wat het is Britt? Is het niet erg genoeg zoals het is? Hij gaat vreemd, heeft tegen je gelogen en heeft je uitgegumd. Maakt het wat uit waarvoor en waarom? Seks, lange benen, grote tieten, goed kunnen pijpen. Het moet je niet uitmaken wat het is. Het is in de eerste plaats al schaamteloos en respectloos dat hij bij jou om de hoek met dat mokkel gaat lopen pronken. Het had hem gesierd als hij die straat even uit de weg was gegaan met nul kans om jou tegen het lijf te lopen. Waarom zou hij haar aan je voor willen stellen? Waarom zou zij aan jou voorgesteld willen worden? Je moet het laten gaan Britt. Je moet het loslaten.’
Als Claire klaar is weet ik niets meer te zeggen en is er niets meer over om me beter door te voelen. Onder haar preek ben ik in elkaar gekrompen tot het tegenovergestelde van wat ik net op straat was. En het aller ergste: ik schaam me voor mijn opluchting en voor mijn geratel. Ik schaam me omdat ik erin geloofde dat wat ik had gezien me zou helpen en dat ik niet, net als Claire, wist dat geen enkele reden genoeg reden is om me minder ontkend te voelen en minder klein. Zwijgend, met de telefoon nog aan mijn oor, loop ik naar de grote spiegel in de gang. Nog steeds zwijgend staar ik naar mijn spiegelbeeld.
‘Wat nou? Ben je nu beledigd nu?’ vraagt Claire.
Ik voel me niemand. Net zoals ik me voelde toen ik op mijn zevende voor de klas werd geroepen door zuster Immaculata, een non met frustraties die verder dan de hel reikten en die me voor de klas had geroepen met geen enkele andere reden dan me te vernederen – in de hoop er zelf beter van te worden. Ik droeg die dag mijn nieuwe rode overgooiertje dat mijn moeder met oneindig veel geduld voor me had genaaid en waar ik me eindeloos mooi in voelde. Het overgooiertje was kort zoals het de jaren zestig, de jaren van de ieniemienie rokjes en jurkjes, betaamde. Toen ik eenmaal voor het bord stond, met mijn spillebeentjes onzeker wiebelend onder het rode rokje en geen idee waarom ik daar moest staan, sneerde Immaculata vanonder haar kap dat ze bijna mijn billen kon zien, zó kort zou ‘dat ding’ me zitten. Daarna wendde ze zich tot de andere meisjes in de klas en vroeg ze of zij dat ook vonden. Pas nadat iedereen instemmend had geroepen en geknikt mocht ik weer gaan zitten. Ik durf te wedden dat mijn hoofd tegen die tijd net zo rood was als mijn overgooier.
‘Hallo?’ zegt Claire. Ze klinkt ongeduldig.
‘Ik heb even tijd nodig. Ik bel je nog, want ik weet het nu even niet.’ Van binnen voelt het alsof er iets is geknakt en het voelt zo koud en star dat ik er voor dat moment niet eens woorden aan kan geven.
Hoofdstuk 16
‘Ik hoor van mamma dat je niet bij me wilt blijven slapen?’ Zo ongeveer had Hugo Chrissy gepusht om toch maar haar tasje in te pakken op deze troosteloze zaterdag. Ik help haar d’r pyjama te kiezen en kleren voor morgen. Op het laatst stop ik het T-shirt waarin ik heb geslapen er nog bij – een oude gewoonte van toen ze nog klein was en ze zonder mamma’s slaapshirt geen oog dichtdeed en al helemaal geen stap buiten de deur zette. Met haar rugzakje op haar schoot en haar jas al aan zit ze voor het raam aan de straatkant te wachten totdat ze wordt opgehaald. Hugo heeft haar al laten weten dat haar kamer nog niet klaar is, maar dat ze misschien vandaag wat spullen uit kunnen gaan zoeken. De gedachte aan hoe ze straks met niets dan haar kleine rugzakje haar eigen weg zal moeten vinden in een totaal vreemd huis, een huis waar ik me geen voorstelling van kan maken en waar voor mij geen plaats meer is, probeer ik uit alle macht te verdringen. In plaats daarvan hou ik mezelf voor dat mijn zusje Gaby nu in de trein zit en dat het nog altijd vroeg genoeg is om te breken als zij er is en Chrissy me niet meer kan zien.
‘Ben je d’r klaar voor?’ Als hij haar wil zoenen wendt ze hoofd een beetje af. ‘Heb je er zin in?’ Hij is onverstoorbaar als altijd.
‘Dag mamma, tot morgen.’ Ik pak haar vast en druk haar tegen me aan. Het is onmogelijk te zeggen hoeveel ik er voor over zou hebben om haar nu niet uit te hoeven laten gaan.
‘Hoe laat breng je haar morgen terug?’ Ik laat haar nog steeds niet los en hij kijkt me nog steeds niet aan.
‘Lunchtijd?’
‘Dag lieverdje. Veel plezier.’ De pijn om haar los te moeten laten is groter dan alle andere pijn tot nu toe omdat het nu ook Chrissy ’s verdriet is wat me raakt. Hij wil haar hand pakken als ze naar buiten gaan, maar ze doet alsof ze het niet ziet. Ik kijk ze na als ze de straat oversteken naar zijn auto die pal aan de overkant geparkeerd staat, maar ze kijken geen van beiden op of om. Nog niet lang geleden konden we met een beetje fantasie nog voor een gezin doorgaan en nu zijn er alleen nog maar de brokstukken van wat eens met elkaar verbonden werd en wat nooit stuk had mogen gaan. Alle drie moederziel alleen en ieder voor zich op zoek naar een nieuwe weg en een nieuwe manier. Ik neem poes Teddy op schoot en fluister tegen haar dat zij nu de enige is om nog voor te zorgen. De voordeurbel die Gaby ’s komst inluidt snijdt door het grote stille huis. Nog voordat ze de kans krijgt om me te omhelzen sta ik al te huilen. Hoewel ze zegt dat het goed is, voelt dat niet zo.
‘Chrissy hoort hier bij mij. Ze hoort op haar eigen kamer in plaats van in een vreemd huis. Ze hoort met haar vriendinnetjes te spelen in plaats van haar vader te vermaken. Ze had dit in haar eigen tempo moeten kunnen doen, op haar eigen moment.’ Gaby huilt nu ook. We houden elkaar vast zoals we dat vroeger wel eens deden als onze ouders ruziemaakten na een feestje met teveel goedkope rosé uit bolle flessen in rieten mandjes.
‘De lummel,’ zegt ze.
Dan loopt ze naar het keukenblok voor een stuk keukenpapier en geeft er ook een aan mij. ‘Kom,’ zegt ze.
‘Koffie?’ Koffie was bij ons thuis een medicijn tegen alles. Van doodstijdingen tot kopzorgen en van ongeneeslijke ziektes tot zielenpijn: naast de uitpuilende en intens stinkende koperen asbak stond altijd een witte thermoskan met filterkoffie op onze keukentafel om de kelen te smeren en de tongen los te maken.
‘Mag ik?’ vraagt Gaby als ze een pakje Marlboro ’s uit haar tasje grist.
‘Alleen als ik ook mag.’
‘Zou je dat nou wel doen?’
‘Nee natuurlijk niet, maar ik dóe het wel.’ Het inhaleren van de rook prikkelt mijn longen tot een hoestbui. ‘Kwestie van volhouden was het toch met dat roken?’ Ik lach ondanks mezelf. We lachen allebei.
‘Kom,’ zegt ze weer. ‘Ik trakteer op taart en die gaan we nu scoren. Daarna maak je de haard aan om de kou uit dit huis te verdrijven en zet je een muziekje op om er weer een beetje leven in te brengen en het komt allemaal heus weer goed met jou want overleven kun je als de beste, weet je nog?’
Er wordt bij ons thuis niet makkelijk gesproken over de periode dat Gaby met mamma in Breda was terwijl ik met pappa thuisbleef. En als het als eens ter sprake komt dan is dat meestal om te onderstrepen dat een adempauze destijds de enig mogelijke remedie was tegen een huwelijk dat keihard onderweg was om te stranden. Dat die adempauze hun redding was staat inmiddels vast. Ze hebben het immers gered samen, die ouders van ons. En ze zijn nog heel redelijk uit de cisis gekomen ook. Alleen kan dat mamma’s schuldgevoel niet wegnemen. Want hoezo bleef ik thuis en Gaby niet? Omdat ze dacht dat het beter was om mij gewoon na de zomervakantie met al mijn vriendinnen naar de middelbare school te laten gaan waar ik al ingeschreven stond? Omdat pappa zo tenminste niet helemáál alleen achter zou blijven? Omdat Britt het toch wel zou redden? In de eerste weken na mamma’s vertrek was er daar niet zo zeker van en wilde ik de straat niet meer op uit angst voor vragen, omgekeerde hoofden en meewarige blikken. Maar ik vond mijn weg. Op een dag had de thermoskan koffie op de keukentafel plaatsgemaakt voor een potje oploskoffie op het aanrecht en na genoeg aangebrande biefstukken en aardappelen en onderbroeken die net zo vies uit de was kwamen als ze erin waren gegaan, gingen we over op broodmaaltijden en werd de was uitbesteed aan Hotel Troisfontaines, een klein familiehotelletje aan de overkant van de straat. Tegen de tijd dat mamma en Gaby weer terug zouden komen, zat ik niet eens meer heel erg op ze te wachten omdat het ik het wel prima vond zo zonder al te veel regels en toezicht.
Nog voordat we bij de banketbakker zijn aangeland hebben we de taart al gecanceld om plaats te maken voor drie familiezakken paprikachips – één zak de man is nog nooit genoeg gebleken in ons geval – en verder is er wijn, zijn er sigaretten en kunnen we straks altijd nog een frietje truffelmayo van de frietboetiek bestellen. Met ieder onze eigen familiezak onderuitgezakt op de bank, een asbak die weldra zal stinken tussen ons in en een biertje tegen de dorst in de aanslag, beginnen we aan onze praatsessie.
‘Waar zullen we eens beginnen,’ vraagt Gaby zich hardop af. ‘Bij het begin of slaan we dat over omdat dat niet het leukste deel is en daar ook al zoveel over gezegd is?’
‘We kunnen toch ook een film kijken?’
‘Nou en of we ook een film kunnen kijken!’
‘Ik heb haar gezien,’ zeg ik terwijl ik de film al na vijf minuten op pauze zet omdat ik niet in het verhaal kan komen.
’Wat?’
‘Ik heb haar gezien. Hugo liep met haar te klootviolen om de hoek. Ze stonden voor de etalage van de lingeriewinkel. Voordat ik me onzichtbaar kon maken stonden ze al voor me.’
‘En?’
Ik vertel dat ik haar negeerde, hem afzeek en dat ze toen afdropen. En ik vertel dat ik me omdraaide en dat het enige echt mooie haar gebit is. ‘Ze is zo gewoontjes dat ik haar bijna onbeholpen vond. Dus ik denk dat ik weer wat het is.’ Voordat ik mijn zin af kan maken zegt Gaby het ook.
‘Seks natuurlijk. Dit kan alleen maar seks zijn.’
‘Ik voelde me hartstikke opgelucht nadat ik haar gezien had.’
‘Natuurlijk. Want seks is niet houdbaar op de lange termijn. En vergeet niet dat je ooit op een dag zo ver zult zijn dat elke vrouw het voor Hugo mag worden. Elke vrouw mag het zijn, behalve zij. En zij wordt het niet als ik dat zo hoor.’
Het fijne van een zus zoals mijn kleine zusje is dat er geen woorden nodig zijn. We kunnen elkaar de tent uitvechten en elkaar heel erg negeren, maar wat er overblijft is vanzelfsprekend en voor altijd.
‘Nog even Gaby. Toen ik ze had gezien belde ik Claire. Ik was in de gloria.’
‘Ja?’
‘Claire vond dat er geen reden voor opluchting is. Ik moest er maar klaar mee zijn, zei ze. Het loslaten.’
‘Misschien is Claire wel het type dat boven komt drijven door anderen een beetje onder water te duwen?’
Hoofdstuk 17
Mijn zusje Gaby vertrekt meteen na het ontbijt. ‘Red je het nog tot de lunch in je eentje?’ Als we elkaar omhelzen zijn we allebei geëmotioneerd.
‘Je bent nooit alleen. Hoe fijn is dat? En ik heb alweer een beetje van de oude Britt gezien dit weekend, zusje. Dat staat je goed.’ Nadat ze de deur uit is open ik mijn laptop. Ruud heeft me een nieuwe rubriek gegeven – ‘ik neem aan dat je tegen extra werk geen bezwaar hebt nu?’ – waarbij ik elke maand een meer of minder bekende Nederlander mag interviewen in een restaurant van zijn of haar keuze. ‘Maak er maar een mix van culi en human interest van en als je mijn Rolodex nodig hebt hoor ik het wel.’ Komende dinsdag trap ik af in een restaurant met niet één maar twee sterren. Gekozen door een fotograaf die niet alleen in eigen land maar tot ver daarbuiten bekend is en voor wie er altijd nog wel een tafeltje vrij is om last minute aan te kunnen schuiven. Ik dwing mezelf om alles wat ik over hem tegen kom te lezen en mijn kop erbij te houden in plaats van te gaan piekeren. Maar rond de klok van twaalf krijg ik de kriebels en begint het geijsbeer weer. Op en neer en op en neer door de woonkamer. Hand op de schoorsteen, blik op de foto van het meisje in het roze balletpakje, omdraaien, langs de salontafel, door de en-suite-deuren, naar de eetkamer, rondje om de eettafel, rechtervoet op het opstapje van de serre, open keuken, omkeren en opnieuw. Om half een, als het toch écht lunchtijd is, is Chrissy er nog niet en des te later het wordt, des te meer kriebels. Als ze tegen twee uur eindelijk op komen dagen weet ik niets te zeggen en niets te vragen. Voor het eerst brengt hij haar thuis, voor het eerst staan we daar. Als vanouds met z’n drieën, maar nu ieder voor zich. Ik vraag of hij wat drinken wil – een krankzinnige vraag omdat ik hem eigenlijk wegwil hebben. Maar voor haar, zo alleen als ze daar staat, letterlijk tussen ons in, mag hij nog wel even blijven.
‘Nee. Ik heb net nog koffiegedronken en moet er weer vandoor.’ Hij kijkt even op zijn horloge en begint Chrissy te knuffelen; te lang en te stevig.
‘Ik vond het vré-se-lijk gezellig. Je moest maar snel nog een keer komen.’
Even kijkt hij me aan.
‘Dag,’ zegt hij. ‘We houden nog wel contact.’
‘Was het gezellig?’ vraag ik aan Chrissy.
‘Gewoon,’ zegt ze dat het was.
‘Gewoon en verder niks?’ Ik irriteer haar.
‘Nee, heel erg gezellig,’ zegt ze dan. ‘Zijn nieuwe vriendin kwam langs gisteren en we hadden het heel leuk. Wehadden nog laat pizza laten bezorgen en allemaal films gekeken.’
Het duurt even voordat de boodschap landt. Lekker met z’n drietjes op de bank, pizza en filmpjes tot laat? Het is hem dus niet gelukt om zijn pik nog heel even in zijn broek te houden?
‘Is ze blijven slapen?’ Ik wilde het niet vragen, ik probeerde heel erg om het niet te vragen en al helemaal niet zo bits, maar de vraag overkwam me. Ze zegt dat ze dat niet weet, maar ik ben bang dat ze de waarheid te pijnlijk vindt en dat ze het nog veel pijnlijker vindt om mijn gezicht te zien. Ze draait zich om en loopt de kamer uit. Ik weet dat ik er nu voor haar moet zijn omdat ze hier net zo alleen in staat als ik. Alleen weet ik niet goed hoe. Ik besluit om Suzan, de moeder van Chrissy ’s beste vriendinnetje Noor, te bellen.
‘Ik mocht je altijd bellen toch?’
‘Altijd!’ zegt ze kalm. ‘Is er crisis?’
‘Ik dacht misschien zitten jij en Noor nu ook thuis en is het leuk als jullie even langskomen?’
‘Over een uurtje?’
Chrissy zit met Teddy op schoot als ik boven kom. ‘Chris?’ Ik ga naast haar zitten maar ze geeft geen sjoege. ‘Liefje? Ik weet ook niet goed hoe ik hiermee om moet gaan. Ik heb Suzan net gebeld. Zij en Noor komen zo even langs. Vind je dat een goed idee?’
Woordeloos trekt ze haar schouders op. Noor loopt even later ongevraagd meteen door naar boven. Suzan vraagt of ik geknuffeld wil worden of juist liever niet.
‘Hoezo liever niet?’
‘Bij mij kon elke blijk van genegenheid voor wéér een nieuwe huilbui zorgen en soms had ik gewoon geen zin meer in al die tranen.’
‘Ik weet niet of ik daar een knuffel voor nodig heb, want ik zit er nogal doorheen.’ Ik doe mijn verhaal terwijl ik Suzan een theesmaakje laat kiezen. Als ik uitverteld ben zit mijn strot dicht.
‘Het is de angst om Chrissy kwijt te raken die je zo bij je zo aangrijpt,’ zegt Suzan alsof ze het aan me kan zien. ‘Maar dat gebeurt niet hoor. Je bent een goede moeder Britt. De beste. Als ik iemand ken die er altijd is geweest voor haar kind, dan ben jij dat wel. Je raakt haar niet kwijt want je zult altijd haar moeder blijven.’ Het gevecht tegen de tranen heb ik verloren. Ik snotter dat ik het niet verdraag dat Chrissy meteen met haar – de andere vrouw – werd opgescheept en dat ik het nog minder verdraag dat ze het leuk hadden samen. Maar dat zie ik niet helemaal scherp, volgens Suzan. De nieuwe juffrouw van Hans – Hans is haar ex en de vader van Noor – liet Noor boterhammen met dropveters beleggen om in de smaak te vallen. ‘Maar ze houden nooit lang stand, die nieuwe juffrouwen. Want als het erop aankomt moeten ze schuiven en zichzelf inleveren omdat ze at the end geen enkele andere rol kunnen opeisen dan die van het ‘nieuwe vriendinnetje van pappa’. Ze sloven zich allemaal uit om leuk gevonden te worden en maken zichzelf allemaal wijs dat ze zich kunnen inlikken bij de kindjes, hun pappa en zelfs bij hun mamma. Let maar op. Die juffrouw van Hugo zal niets liever willen dan een leuke band met jou opbouwen. Die van Hans wilde graag vriendinnen met mij worden, kun je nagaan.’
Ik vertel over mijn kennismaking met zijn nieuwe vlam op straat en dat ik haar uitgestoken hand negeerde. Suzan moet lachen. En dan zegt ze wat mijn zusje ook al zei, dat het uiteindelijk elke andere vrouw mag worden die mijn plek naast Hugo inneemt, behalve deze.
‘En dat de kans dat deze het wordt ieniemienie klein is. Heb je enige idee hoe oud ze is?’
‘Jonger dan ik in ieder geval.’
‘Nog jonger? En jullie schelen al zowat een generatie.’ Ze pauzeert even voordat ze verder gaat. ‘Denk je dat Hugo nog te porren is voor een nieuwe baby?’
‘Hugo is gesteriliseerd. Dat heeft hij meteen na Chrissy’ s geboorte laten doen. Bij één kind heb je een kind en bij twee een gezin, had hij bedacht. Een gezin zag hij niet zitten.’
‘Ach, kijk eens aan. Geen tweede leg, dus ook geen zekerheid voor de nieuwe mevrouw Hugo, wie dat ook ooit moge worden. Trouwen hoeft van de meeste kerels ook niet meer en in zich binden waren ze al bar slecht, dus waar ben je nog bang voor?’
Ik neem me voor om elk woord van Suzan in mijn oren te knopen.
‘En dan is er nog iets om je op te vrolijken,’ zegt ze. ‘Ik ben lid geworden van een kunstenaarssociëteit in de stad. Op vrijdagavond komt er altijd een dj met een koffertje plaatsjes vol uit de oude doos. Het betere discowerk en de oude soul van toen we er nog echt toe deden zeg maar. Het is er een beetje de boulevard of broken dreamsmet veel verlopen types en drankmisbruik, maar heerlijk om jezelf af en toe eens te laten gaan. Wanneer ga je mee? Dan regelen we een oppas voor de meisjes zodat die ook een heerlijk avondje hebben.’
Hoofstuk 18
Vanavond ben ik Susan’s introducee op de kunstenaarssociëteit en het is vrijdag discodag. Ik dein mee op Shocking Blue’s Inkpot alsof mijn leven ervan afhangt. Bij elke shu-bi-do-ah zie ik Mariska Veres’ ravenzwarte oogmake-up onder haar veel te lange pony oplichten. Als ik mijn ogen dichtdoe dansen honderden kleine sterretjes met me mee. Ik voel me vrolijk en licht. Voor het eerst in maanden is er niets dat knelt of schuurt. Net als ik allebei mijn armen hoog in de lucht heb gegooid, sterft de beat van Inkpot weg om langzaam over te vloeien in Angie. Ik ga een beetje aan de kant staan, want om nou in mijn eentje kan gaan staan slowen op de Stones gaat waarschijnlijk wat ver. Bij ‘when will those dark clouds all disappear’ wordt er op mijn schouder getikt. Hij is jong en blond en hij glimlacht.
‘Schuifelen?’ Het is geen vraag want hij houdt me al vast. Mijn hoofd past precies onder zijn oksel die kruidig ruikt. Ik vlei me tegen hem aan, doe mijn ogen dicht en laat me leiden. Zijn handen zakken van mijn schouders omlaag naar mijn middel en na ‘oh your kisses still taste sweet’ gebeurt het en raken zijn lippen, zonder woorden en zonder aarzelen, die van mij. Mijn knieën worden er meteen slap van.
“Alles goed mooie vrouw?’ Zijn stem klinkt zwoel als een mooie zomeravond. ‘Ik heb de hele avond al naar je zitten kijken.’
‘Oh. Niks gezien.’
‘Nee daarom juist.’
De Stones zijn klaar met hun Angie. Wachten we op wat er komen gaat of was dit het? ‘Kom,’ zegt hij en dat laat ik me geen tweede keer zeggen. Hij loopt naar de bar, bestelt een witte wijn voor me en heft zijn glas bier naar me: ‘proost mooie vrouw’. Een vlindertje kietelt mijn maag als hij me voorgaat naar het biljart. Met mijn handen pak ik de rand vast voordat ik me erop hijs. Suzan, die aan de bar staat, steekt lachend haar duim naar me op. Kong en blond gaat voor me staan. Net iets té of net niet genóeg dichtbij. Wie zal het zeggen? ‘Proost!’ Ik pak zijn hand en meer aanmoediging heeft hij niet nodig. Als ik niet al was gaan zitten hadden mijn benen het nu begeven. Deze man kust alsof hij ervoor heeft doorgeleerd.
‘Misschien ben ik wel nog nooit zo intens kostelijk gezoend.’ En misschien lal ik wel een beetje.
‘Kostelijk? Zei je kostelijk?’ Hij lacht. ‘Dan zal het je duizelen van wat ik nog meer voor je in petto heb.’ Ik heb even nodig om deze dubbele bodem tot me door te laten dringen. Hij haalt zijn hand door mijn haar. ‘Mooie krullen. Zijn je ogen nou blauw?’ Zijn vleierijen werken niet zoals hij ze bedoelt, want opeens weet ik zeker dat ik naar huis wil in plaats van in een vreemd bed te belanden of morgen met hem wakker te worden in mijn eigen bed, wat me nog erger lijkt. Ik zeg dat ik even naar de wc moet. Onderweg schiet ik Suzan aan. ‘Kun je mij vanavond tegen mezelf in bescherming nemen?’
‘Als dat ik wat je wilt.’
‘Dat wil ik.’
‘You go girl.’
Jong en blond vraagt of hij me nog eens ziet. Ik beloof hem dat hij me nog eens ziet. Weer op vrijdag en weer in deze tent schat ik zo in. Hij pakt me vast en trekt me tegen zich aan ter afscheid. ‘Jij hebt ook geen grammetje vet teveel hè?’
‘Ik volg het echtscheidingsdieet. Werkt als een tiet!’
Onderweg naar de uitgang draai ik me nog een keer naar hem om.
‘Hij lijkt op een acteur uit een pornofilm,’ fluister ik tegen Suzan. Als ik begin te lachen kan ik niet meer stoppen. Het is de eerste echte, diep uit mijn tenen lach sinds 4 januari en hij werkt bevrijdend, reinigend en louterend. Precies op de plek waar eerst de bal drukte, voel ik nu een klein kriebeltje.
Als ik de volgende dag wakker word, heel laat en met een zieke kater, schijnt de zon. ‘What the fuck?,’ mompel ik tegen mezelf. ‘De zon!’ Voor het eerst na maanden van laaghangend grijs heeft de zon besloten om uit haar winterslaap te ontwaken en heel voorzichtig de lente aan te kondigen. Vanuit de serre op de beletage kijk ik naar de tuin. De rododendron zal weldra zijn bloemen laten ontsnappen uit hun knoppen om de tuin diep paars te kleuren. Elk jaar weer hetzelfde bevrijdende ritueel van nieuw leven in een nieuw seizoen. ‘Mooi,’ mompel ik tegen niemand in het bijzonder en op dat moment weet ik wat me te doen staat. Hoewel ik zijn voicemail verwacht neemt Hugo zomaar zelf op.
‘We moeten praten,’ zeg ik zonder inleiding. Ik koos de woorden niet eens bewust maar dat maakt ze niet minder komisch. ‘Het lijkt me het beste als je even langskomt als dat zo uitkomt.’
‘Wat dan?’ probeert hij nog.
‘Kom nou maar gewoon even langs als je tijd hebt, want dit gaan we niet over de telefoon doen.’
Nog diezelfde avond hoor ik de sleutel in de voordeur en zijn voetstappen in de gang. Als de kamerdeur openzwaait wil ik zeggen dat hij niet meer zonder meer binnen zou lopen, maar ik slik de woorden in.
‘Wat zie jij er goed uit.’ Het klinkt bijna als een verwijt. Om te voorkomen dat hij zelf zijn gang naar de ijskast maakt, vraag ik of ik hem iets te drinken kan aanbieden. Hij ploft wat onhandig in een stoel en haalt net iets te vaak zijn hand door zijn haar. Vragend kijkt hij me aan, maar ik wil dat hij hardop vraagt waarom we moeten praten.
‘Proost!’ zeg ik en dan hoor ik wat ik horen wil.
‘Wat was er zo dringend dat ik moest komen?’
Grappig dit, want ik heb de woorden ‘dringend’ en ‘moeten’ natuurlijk nooit in mijn mond gehad.
‘Ik denk dat het tijd wordt om de scheiding in gang te zetten, Hugo. Ik wil dat het geregeld wordt.’
Hij zit om woorden verlegen – wat ik lekker zo laat.
‘Vanwaar die haast?’ Hij schraapt zijn keel. ‘Wat mij betreft kan het nog wel even wachten hoor. Er is toch geen haast bij?’
‘We kunnen het maar beter geregeld hebben, vandaar.‘
‘Heb je iets te verbergen soms?’
‘Denk er anders nog maar even over na Hugo, als dit too much voor je is nu. Maar het is voor mij belangrijk om verder te kunnen met mijn leven. Ik wil mijn eigen huis, mijn eigen leven, mijn eigen toekomst.’
‘En dit huis dan?’
‘Verkopen zou ik zo denken.’
‘Maar misschien wil ik er wel zelf blijven wonen!’
‘Jij hier zelf blijven wonen?’
Hoofdstuk 19
Als ik toep, toept Hugo over. Zo was het en zo zal het altijd zijn. In een nanoseconde zag hij zijn kans schoon om me de pas naar mijn eigen weg af te snijden door zich in te laten vallen dat hij misschien wel zelf in ons huis wil blijven wonen en aan de schrik in mijn ogen wist hij dat hij beet had. Zijn woorden dreunen die hele zondagavond na en in de nacht op maandag komen er beelden bij van de ‘andere vrouw’ die mijn huis overneemt met de snelheid waarmee Hitler zijn blitzkrieg voerde. Haar handen steunen vergenoegd op het blad van mijn keukeneiland dat nu haar domein is. In de badkamer staan haar potjes en flesjes als soldaatjes opgelijnd op wat mijn planchet boven mijn wastafel is en in wat mijn deel van de inloopkast heet, liggen en hangen nu haar kleren. Ze heeft niet alleen mijn huis ontzield maar mij erbij, want terwijl ik mijn spullen pakte om naar elders te verkassen nam zij in mijn gedachten rücksichtslos mijn leven over. Niet alleen als de vrouw van Hugo maar ook, als het haar zo uitkomt, als de moeder van Chrissy en vooral dat laatste jaagt me de stuipen op het lijf.
Ik zing het die hele lange maandag uit tot ergens in de loop van de middag. Dan kan ik de behoefte om Hugo te spreken niet langer bedwingen en pak ik de telefoon. Bijna tot mijn schrik neemt hij, net als gisteren, meteen op.
‘Dat verbaast me niks,’ hoor ik hem zeggen.
‘Wat?’
‘Ik verwachtte je telefoontje al dus zeg het maar.’
‘Kunnen we ons gesprek van gisteren nog een keer overdoen? Oppakken? Afronden?’ Mijn stem kan mijn gemoedstoestand onmogelijk verraden hebben, want die had ik onder controle.
‘Vanavond?’
Ik zou nattigheid moeten voelen met zo veel inschikkelijkheid maar ik ben te gretig om de boot af te houden.
‘Uur of zes? Dan zie ik Chrissy ook nog even.’
‘Uur of zes. Eet je mee?’ Was ik dit écht zelf die dat vroeg?
‘Ja lekker.’
Chrissy schept als altijd twee keer op van de spaghetti met gehaktballetjes in tomatensaus en gooit er als altijd een lading Parmezaan overheen om u tegen te zeggen. Ze bunkert zonder woorden. Net zoals ze Hugo zonder veel woorden begroette en na het eten zonder woorden voor de televisie gaat zitten. Ze staat net op om naar bed te gaan als Hugo’s telefoon overgaat. Hij kijkt even op zijn schermpje en drukt het gesprek weg. Onderweg naar boven op de trap hoor ik zijn telefoon alweer overgaan.
‘Wat komt pappa doen en waarom bleef hij eten?’ vraagt Chrissy. ‘Is het weer goed tussen jullie?’
‘Zou je dat fijn vinden?’
‘Weet ik niet. Maar ís het weer goed?’
Zoals ze wel vaker doet de laatste tijd wacht ze het antwoord niet af en is ze alweer in de badkamer. Tijdens het voorlezen zijn we er allebei niet bij. Als ik het verhaaltje afgedraaid heb ligt ze al op haar zij met haar gezicht naar de muur.
‘Dag lieverd. Welterusten.’
Ze steekt alleen haar hand op naar me en hoewel ik weet dat ik nu bij haar zou moeten blijven om haar gerust te stellen en om haar te laten voelen dat ik er voor haar ben, ga ik terug naar beneden. Onderweg op de trap hoor ik zijn telefoon voor de zoveelste keer overgaan en even daarna weer.
‘Moet je niet opnemen?
Hoofdstuk 20
Maart heeft er zin aan dit jaar. De tuin loopt uit alsof hij achter zijn vodden wordt gezeten en weggedoken op een stoel in een hoekje onder de overkapping koestert poes Teddy zich in de zon dat het een lieve lust is. Ik pak haar op en neem haar op schoot. Met mijn ogen dicht en mijn hoofd leunend tegen de muur probeer ik terug te gaan naar drie dagen geleden toen de rododendrons me influisterden dat het tijd wordt om op eigen benen te gaan staan, het huis in de verkoop te doen en de scheiding in gang te zetten. Er zou niets veranderd moeten zijn sindsdien want Hugo verandert net zo makkelijk van mening als een kameleon van kleur. Toen zijn moeder nog leefde hield me op een dag voor dat als ik ooit bang was om Hugo kwijt te raken, ik dan vooral niet aan hem moest gaan lopen trekken. ‘Zet hem op straat, neem je telefoon niet op en zwijg hem dood en moet jij eens kijken hoe hard hij naar je terug komt.’ De oude heks kende haar pappenheimers. Hugo was inderdaad pas weer beschikbaar nadat ik de deur had dichtgedaan en klaar was om hem te laten gaan.
‘Allemaal spelletjes,’ volgens mijn moeder, die ik even later aan de telefoon heb. ‘En leen je er in godsnaam niet voor om daaraan mee te doen, want een huwelijk dat met spelletjes overeind gehouden moet worden… alsjeblieft Britt! Je moest beter weten. En je moet aan je werk in plaats van je dagen te verdoen met wachten op een man die het niet waard is. Je werk verschaft jou en Chrissy een toekomst samen en die toekomst gaat er nog wat rooskleuriger uitzien dan je je nu kunt voorstellen.’
Ik verruil de poes voor mijn laptop en begin waar ik gebleven was met mijn interview met de fotograaf. Eerst aarzelend en dan resoluut, woord na woord, zin na zin, alinea na alinea. Als het concept klaar is ga ik naar binnen om thee te zetten en op het moment dat ik de gemberschijfjes in het kokende water laat glijden en mijn handen wrijf om ze weer warm te maken, weer ik wat me te doen staat. Mijn appje aan Suzan wordt per omgaande beantwoord.
‘Natuurlijk ben je welkom! Als je rond borreltijd komt en Chrissy meeneemt kunnen de meisjes samen spelen terwijl wij praten. We kunnen wat te eten laten bezorgen.’
Chrissy ’s gezicht klaart op als ik haar vertel dat we naar Noor en Suzan toegaan. Onderweg ernaartoe fietsen we langs een bloemenstal waar we een bos pioenen voor Suzan kopen.
‘Moest daar niet een schepje suiker bij?’ vraagt ze terwijl ze de stelen schuin afsnijdt. ‘Trammelant of zo maar?’ vervolgt ze dan. Ze kijkt me even van opzij aan.
‘Had jij een goede advocaat?’ Het hoge woord is eruit.
‘De beste! Een dijk van een wijf dat pas loslaat als er geen leven meer in zit.’ Ze lacht om haar eigen woorden. ‘Je wilt vast wel haar nummer. Ben je al zo ver?’
Ik vertel haar over afgelopen zondagochtend; over de kater na onze nacht in de sociëteit, de eerste lentezon, de rododendrons in de tuin en dat ik opeens had geweten wat me te doen stond.
‘Dan heeft die blonde God van afgelopen zaterdag je toch nog iets gebracht,’ lacht ze. ‘Maar goed. Je wist opeens wat je te doen staat en daarom ben je hier. Je vindt dat het tijd wordt om knopen door te hakken?’
‘Hugo heeft nog wel even fors op de rem getrapt. Toen ik hem belde om te zeggen dat ik de scheiding geregeld wilde hebben en het huis verkocht moest worden, bedacht hij zich opeens dat hij misschien wel zelf in ons huis wil blijven wonen, maar toen ik hem gosteren vroeg om even langs te komen stond hij meteen op de stoep en zei hij dat we echt wel netjes met me zal regelen allemaal. Hij heeft me beloofd dat we het goed gaan oplossen samen.’
‘Voor wat het waard is,’ volgens Suzan. ‘Bereid je er maar op voor dat er nog heel wat afslagen genomen worden voordat de kogel door de kerk is en alles zwart op wit staat en getekend is. Lijkt het je niet beter om met een mediator te beginnen? Als je meteen een advocaat op hem loslaat is de toon natuurlijk wel direct gezet. Het is maar een idee natuurlijk, maar ik heb het wel zo gespeeld. Ik had graag gehad dat dat gewerkt had. Dat had een heleboel ellende en een heleboel geld gescheeld. Als de advocaten eenmaal hun messen hebben geslepen, kan het er aardig ruig aan toe gaan. Een vechtscheiding is het laatste wat je moet willen. Je blijft voor de rest van je leven aan Hugo verbonden, dus kan het maar beter zonder slaande ruzies worden geregeld. Al is het maar voor Chrissy toch?’
De gedachte aan Chrissy houdt me die nacht uit mijn slaap. Ik wil haar beschermen en koesteren en ik wil haar vooral niet laten gaan. Want stel dat het in haar andere huis straks leuker is dan bij mij? Stel dat de ‘andere vrouw’ haar weet in te palmen? Ik stel me Chrissy voor met haar tasje onderweg van het ene naar het andere huis. Altijd in haar eentje. Twee huizen met verschillende regels. Hier haar vertrouwde bed met Teddy om haar gezelschap te houden en daar een leeg bed. Zal Hugo haar bed vaak genoeg verschonen? Zal hij eraan denken om haar schoolspulletjes voor haar klaar te leggen? Zal ze mij missen als ze daar is? Mist ze Hugo nu hij niet meer hier is? Wilde ze afgelopen weekend echt niet bij hem zijn? Of wil ik alleen maar heel graag dat ze dat niet wil?
Ben ik vooral met mezelf bezig? Hou ik wel genoeg rekening met haar? Die vraag overvalt me met zo’n kracht dat ik het voor gezien houd in bed. Het loopt tegen vieren als ik mijn laptop openklap en mijn moeder in gedachten hoor zeggen dat het de hoogste tijd wordt dat ik aan het werk ga. ‘Dat werk verschaft jou en Chrissy een toekomst,’ zei ze en zij kan het weten.’
‘Hadden wij niet iets te bespreken?’
‘Meende je gisteren wat je zei? Dat je hier wilt blijven wonen?’
‘Heb je daar problemen mee?’ Dit keer heeft mijn stem me wel degelijk verraden.
‘Ja.’
‘Want?’
‘Ik heb me vannacht een voorstelling gemaakt van haar – ik wijs naar zijn telefoon om haar te duiden – in mijn huis.’
‘Waarom zou je dat doen?’
‘Dat doe ik niet. Dat overkomt me. Het gaat met me op de loop. En zij hier, dat mag niet Hugo. Zij hier met jou en Chrissy. Dat kan niet. Dat verdraag ik niet.’
Hij staat op van zijn stoel en loopt om de tafel heen. Achter mijn stoel blijft hij staan. Zijn handen raken mijn schouders en blijven daar rusten. Ik wil hem wegduwen en naar me toe trekken tegelijk. Hij sjort me overeind uit mijn stoel. Als een slappe pop kom ik tegen hem aan te hangen. Ik snuif zijn geur en voel zijn hartslag onder mijn hand die langzaam de huid van zijn hals streelt. Deze man is alles wat ik ken en ik heb hem nog even hard lief als ik hem haat. Voordat ik de tranen uit mijn ogen voel ontsnappen, veegt hij ze al van mijn wang.
‘Kom nou toch eens hier,’ sust hij. Als hij me tegen zich aandrukt is alles vergeten en glij ik een luchtledigheid waar de tijd heeft stilgestaan. Heel even zijn we weer samen alsof er niets voorviel. De laatste drie-en-een-halve maand zijn gewist alsof ze niet bestonden.
En dan gaat zijn telefoon voor de – wat zal het zijn? – vijfde keer over.
‘Waarom zet je dat ding niet uit?’
‘We gaan dit netjes oplossen Britt.’ De betovering is verbroken. Hij duwt me zachtjes van zich af. Hij is terug op aarde, waar ik nog niet ben. Pas als hij even later de deur achter zich dicht heeft getrokken en de stilte van het grote huis als vanouds op me neerdaalt, besef ik dat ik mijn hart zojuist weer lelijk toegetakeld is. Het was mijn hoofd dat zei dat ik de scheiding geregeld wil hebben, maar mijn hart is er nog niet klaar voor. Deze man zit onder mijn huid en in al mijn vezels. Net als een alcoholist die na één slok weer verslaafd is aan de fles, ben ik na één aanraking en één snuif van zijn geur weer verslingerd aan de man.
‘We moeten praten,’ is een semi autobiografisch verhaal over radeloos verdriet en verlies, over verlaten worden en bedrogen uitkomen; kortom een verhaal over een huwelijk dat gedoemd is om te stranden. Het is ook een verhaal over opkrabbelen, opnieuw beginnen, fouten maken en vergissingen begaan, onderuitgaan en uiteindelijk over healing. Iedereen die ooit heeft geleden aan een gebroken hart door een verloren liefde zal zich in het verhaal kunnen herkennen en er troost uit kunnen putten. Want hoewel geen enkele scheiding hetzelfde is, zijn de worstelingen en het verdriet wel degelijk universeel.







