Het kerstkoor

 

Het gebeurde in de zomervakantie. Henk was met zijn vrouw en twee kinderen onderweg naar Italië. De meisjes sliepen op de achterbank, zijn vrouw schilde een appeltje ‘om wakker te blijven’.

 

 

Toen de zon aan de horizon verscheen beleefde hij een moment van volkomen geluk, herinnerde hij zich later. Alsof iemand of iets hem eraan wilde herinneren dat hij het verrekte goed getroffen had. En toen gebeurde het. Voor hem raakte een auto in de slip en begon te spinnen. Hij zag het aankomen, dat hij het niet ging redden. Hij remde zo fors dat hij voelde hoe zijn auto negentig graden naar links draaide. Daarna een enorme klap, brekend glas, gekrijs. En toen die ijzige stilte. Die stilte die hem vertelde dat zijn leven in één rake klap stil was komen te staan. Zijn vrouw en één van zijn meisjes waren op slag dood. Hun ogen allebei wijd open. Verbijsterd over hoe snel de ramp zich had voltrokken. Zijn andere meisje en Henk zelf kwamen er redelijk ongeschonden uit. Zij zaten aan de kant waar de auto zich niet in het plaatstaal van de tollende auto had geboord.

 

Alle clichés gaan op, weet Henk inmiddels. Na de shock van de eerste dagen volgden de ontkenning en het ongeloof, de boosheid en de woede en toen de desoriëntatie. Het totaal de weg kwijt zijn, het geen zin meer hebben in het leven, het geen idee hebben over hoe het verder moest en al helemaal niet hoe dit ooit nog goed kon komen. Als het niet voor zijn meisje zou zijn, weet hij niet of hij er nog zou zijn. Maar voor haar moest hij wel door en moest hij er iets van maken. Ook nu er weer een miserabele kerst voor de deur stond en de eenzaamheid zo mogelijk nog pijnlijker was dan op de andere dagen.

 

 

Pizza op schoot en samen naar ‘All you need is love’ kijken. Dat was vorig jaar de beste optie voor kerstavond gebleken en dit jaar zou het niet anders zijn. Maar toen ze de oven hadden aangezet werd er plots aangebeld. Nog voordat hij de deur van het nachtslot had gehaald hoorden ze het ‘jingle bells’, gezongen door kerstengelen die met hun fonkelende lampionnetje licht brachten in de duistere hemel. Henk kon het niet met zekerheid zeggen, maar hij dacht dat zeker de helft van alle kinderen uit zijn dochters klas waren gekomen om hen toe te zingen.

Terwijl hij zijn dochter tegen zich aanklemde huilde hij dikke tranen. De eerste tranen waren bitter, maar naarmate er meer vloeiden leken ze zoeter te gaan smaken.

 

Die nacht droomde Henk van zijn vrouw. Ze was gekomen om hem te zeggen dat het gedaan moest zijn met het rouwen. Hij moest weer vooruit in het leven. Ze zou hem helpen, zo beloofde ze plechtig. Helpen om weer te lachen en het leven te omarmen.