‘Er komt maar geen einde aan deze nachtmerrie’

 

De dochter van Britt opende vorig jaar samen met haar vriend een eigen zaak. Het was meteen een succes, maar toen veranderde alles.

 

 

‘Als ik de straat inrijd zie ik het al van een afstandje. Een lege donkere koffiezaak waar de stoelen omgekeerd op de tafeltjes staan. Het is een treurige aanblik die nog verdrietiger voelt omdat het om de zaak van mijn dochter Cato en haar vriend Bas gaat.

 

In januari van vorig jaar werden ze de eigenaar van het pand. Een oude bakkerij waar heel veel aan moest gebeuren. Er volgde een dure verbouwing om het interieur te moderniseren en in te richten. Wat waren ze trots toen ze opengingen. Het resultaat mocht er zijn: een mooie lichte zaak met een gezellige sfeer waar je terecht kon voor koffie, een lekkere lunch of een borrel aan het einde van de dag.

 

Zeven dagen in de week waren ze open en dagelijks maakten ze alles zelf. Het brood, de taarten, de quiches. Veel werk, maar ze waren zo enthousiast dat ze het helemaal niet erg vonden dat ze zestig uur in de week moesten werken. Dat hoorde er toch gewoon bij?

 

Vanaf de eerste dag was de zaak een succes en hadden ze het hartstikke druk. Gelukkig maar, want de aanpassingen van het pand waren veel duurder uitgevallen dan begroot. Maar met financiële hulp van vrienden was het toch gelukt om het benodigde bedrag rond te krijgen.

 

De koffiezaak werd de huiskamer van de buurt en ze kregen veel vaste gasten. Na verloop van tijd konden ze zelfs een kok aannemen die ze in de keuken hielp met de bestellingen voor bedrijven uit de buurt. Maar toen kwam corona en werd alles anders.

 

Cato en Bas hebben werkelijk alles geprobeerd om toch nog een beetje omzet te draaien. Maar met alleen de verkoop van koffie-to-go en maaltijden voor thuis verdienen ze niet genoeg om de maandelijkse facturen van leveranciers en de bank te betalen. Ook de omzet die ze haalden uit de bestellingen van bedrijven in de buurt is weggevallen, maar de kok die ze daar speciaal voor hadden aangenomen staat nog steeds op de loonlijst. En dan durf ik nog niet eens te denken aan het bedrag dat ze aan hun vrienden terug moeten betalen die ook in de zaak hebben geïnvesteerd.

  

De donkere wolken blijven zich maar opstapelen. Want omdat ze al hun spaargeld in de zaak hebben gestoken zijn er geen reserves meer om de huur van hun appartement te betalen, laat staan dat er nog wat overblijft om van te leven. Cato heeft al meerdere keren geprobeerd om nieuwe afspraken met hun huurbaas te maken, maar hij houdt voet bij stuk en is niet van plan om uitstel van betaling te geven.

 

Bas probeert de moed erin te houden en zoekt naar allerlei manieren om toch nog wat te verdienen. Hij pakt werkelijk alles aan en werkt nu tijdelijk als klusjesman in het bedrijf van zijn broer. Een druppel op de gloeiende plaat als je ziet hoe hun schulden oplopen, iedere dag dat hun mooie zaak langer dicht moeten blijven.

 

Tot overmaat van ramp is Cato nu onverwacht zwanger van hun eerste kindje. De baby is door hen allebei heel erg gewenst, maar de timing is werkelijk beroerd. Door de stress van de situatie waarin ze zitten groeit het kindje niet goed en daar maken ze zich natuurlijk ook grote zorgen om.

 

Ze zijn werkelijk alles kwijt. Hun droom, hun geld, hun toekomst. Wat de gelukkigste tijd van hun jonge leven had moeten zijn is veranderd in een verschrikkelijke nachtmerrie waar maar geen einde aan lijkt te komen. En ik heb werkelijk geen idee hoe ik dat voor ze op kan lossen.’