‘Doe nou even niet zo moeilijk Britt!’

We moeten praten deel 41-50

britt bottelier

Hoofdstuk 41

Als er geen Bert en Chantalle, Jordy en Danny waren geweest, dat was Kreta my worst nighmare geworden. Maar ze waren er door er gewoon te zijn, niets van me te hoeven, geen ingewikkelde vragen te stellen. Op de laatste avond, als we na het eten en de verplichte animatie waar ik maar niet warm voor kon lopen deze week, ook al vaste prik in de bar belanden, kijk ik ze aan. Van de een kijk ik naar de ander en weer terug.

‘Nou gaan we het krijgen,’ voorspelt Bert.

Ik lach. ‘Ik wil alleen maar even zeggen dat ik jullie uit de grond van mijn hart oneindig dankbaar ben dat jullie zo aardig waren om mij en Chrissy te adopteren zoals mijn bijna ex het noemde.’

Nu is het aan Bert om te lachen. ‘Geinig,’ murmelt hij. ‘Die gozer moet humor hebben.’

Ik zeg dat ik het meen. En dat ik graag hun telefoonnummer zou krijgen zodat we een keer iets kunnen drinken als we thuis zijn. ‘Tenminste. Als jullie dat leuk vinden.’

‘Drinken altijd,’ zegt Chantalle terwijl ze haar glas naar me heft. ‘Hartstikke leuk mop,’ beaamt Bert.

Voor dag en dauw vertrekken Chrissy en ik naar de luchthaven waar we tot de lunch verplicht rondhangen omdat we mega vertraagd zijn. Ik bel Makelaar Marc om te zeggen dat ik onderweg ben en of hij al iets voor me heeft. ‘Zeker wel, heb ik wat voor je. Maandag komt er een bovenwoning op de markt. De verkopende makelaar staat bij me in het krijt. Als je wilt kunnen we bezichtigen voordat het de markt op gaat. De vraagprijs is binnen je budget. Ik weet wat er overboden moet worden, mocht je het willen hebben. En dan nog past het binnen je budget. Precies wat je wilt. Wat denk je?’

Ik voel dat ik warm word, van excitement nu. Het is pure energie die door mijn lijf giert. Blijdschap, een blij voorgevoel, hoop, geloof. ‘Hoe is de staat?’ weet ik nog te verzinnen.

‘Buiten zeer goed onderhouden, binnen redelijk. De badkamer zou vervangen moeten worden. Stucen en schilderen ook en de vloeren weet ik eigenlijk niet. Hangt ervan af hoe hoog je de lat legt. Het is in ieder geval in bewoonde staat. Geen dakterras alleen. Wel een redelijk balkon op het westen.’

‘Ja!’

‘Ja?’

‘Meteen maandagochtend?’

‘Ik app je nog, maar ga maar uit van acht uur.’

‘We hebben misschien een huis Chris! Maandag kan ik gaan kijken.’

Ze kijkt me vragend aan.

‘Weet je het bakkertje op de hoek van de winkelstraat? Als je die straat inloopt is het een paar huizen van de hoek.’

‘Spannend,’ zegt Chrissy.

‘Nou en of dat spannend is.’ Ik sta op van mijn plastic kuipstoeltje en kijk voor de zoveelste keer op de schermen. We kunnen over niet al te lang boarden. We gaan naar huis. Naar ons nieuwe leven. Een heel nieuw leven. Ik heb er zin in. Echt oprecht zin in. En ik sta te popelen om het huis te zien. Als dat toch eens waar zou zijn. Dat zou toch echt te mooi zijn om waar te zijn?

Thuis staat Hugo ons op te wachten bij de gate. Onaangekondigd en onverwacht staat hij daar te staan in een veel te oranje shirt waar ik hem nog nooit in heb gezien.

‘Pappa!’ Chris rent in zijn armen.

‘Zo zeg. Vanwaar deze eer?’

‘Leuk toch? Ik dacht, kom.’ Hij maakt zijn zin niet af. We lopen samen naar de uitgang, samen naar zijn auto en rijden samen naar ons huis. Hugo en Chris babbelend en ik voornamelijk luisterend omdat ik me overvallen voel door zijn aanwezigheid, zijn aandacht, maar er niets van wil zeggen om voor Chrissy de pret niet te drukken. Dat is vast waarmee hij gerekend heeft. Dat ik hem toelaat, hem zijn plek laat innemen. Hij vraagt niet of hij even mee naar binnen zal, maar maakt de voordeur open en gaat ons voor.

‘Is er wat te drinken in huis?’ Hij loopt naar de ijskast. Zijn vaste gang vanaf de voordeur sinds we hier introkken. Het huis voelt leeg maar licht. Teddy komt voorzichtig om de hoek kijken en mauwt ter begroeting. ‘Ga je mee?’ Chrissy tilt haar op en verdwijnt naar haar eigen wereld een etage hoger. Ik kijk Hugo aan. Vragend. Ik weet dat hij me ziet. Hij doet alsof dat niet zo is. Ik vraag hem of er iets te bespreken valt misschien, dat hij zo maar op Schiphol stond wat hij anders, vroeger, nooit gedaan zou hebben. ‘Nee. Gewoon aardig toch? Of is dat ook weer niet goed?’

‘Weer? Alsof het nooit goed is zeg. Dit is toch zeker opmerkelijk? Of niet?’

‘Gewoon Britt. Geen bijbedoelingen. Nu het huis eruit gaat en alles definitief wordt is het… och, hoe zal ik zeggen?’

“Definitief bedoel je?’ Mijn hersenen raderen op volle toeren. Heeft hij ruzie met haar? Spijt? Of is dit wat zijn oude moeder me ooit voorhield? Dat als ik ooit bang zou zijn om Hugo kwijt te raken, ik dan vooral niet aan hem moest gaan lopen trekken. ‘Zet hem op straat, neem je telefoon niet op en zwijg hem dood en moet jij eens kijken hoe hard hij naar je terug komt.’ Hugo Aardeman is de regie over Britt Bottelier kwijt en dat vindt Hugo Aardeman ingewikkeld.

Hoofdstuk 42

Het trappenhuis is nogal Amsterdams: 32 treden, met een kleine onderbreking in de vorm van een bordes halverwege, leiden linea recta naar de tweede verdieping. De muren van het trappenhuis zijn bekleed met een foeilelijk behang en de lambrisering achter de trapleuningen is in jaren zeventig donkerbruin. Makelaar Marc ziet me kijken. ‘Tja,’ murmelt hij. ‘Dit is inderdaad wel een iets andere entree dan je gewend bent.’

Ik heb afgelopen weekend wel tien keer voor het pand gestaan om omhoog te kijken. Zittend op het bankje van de bakker op de hoek heb ik zondag wel een half uur naar de gevel zitten staren en het viel me vooral op hoe lelijk die is vergeleken met de rijkere bouw van de tempel waarin ik nu woon. Verschillende keren sprak ik mezelf toe om geduldig te zijn, niet teveel verwachtingen te hebben en de lat niet te hoog te leggen. Maar eerlijk gezegd zonk de moed me al een beetje in de schoenen tijdens de uitputtende klim naar boven en de ontvangst in het smalle gangetje boven. De deur bovenaan de trap geeft toegang tot een smal gangetje.

Maar dan gaat Marc me voor naar de keuken die uitkijkt op de tuinen. De deuren naar het balkon met de uitpuilende bloembakken staan wagenwijd open. De zomerzon wordt gefilterd door een hoge berk en verderop links staat een uit de kluiten gewassen rode beuk te pronken met zijn dichte bladerdek. ‘Wow!’ Ik loop als eerste het balkon op. Zet mijn handen op de balustrade en doe even mijn ogen dicht. Dan terug de keuken in. Die is groot en lijkt in niets op waar ik vandaan kom. Dit is een woonkeuken, tikje Oudhollands, met vitrinekasten in zachtgrijs, een uitgesleten marmeren aanrechtblad en een diepblauw hoogglans geschilderde houten vloer. ‘En dan hebben we hier de  pièce de résistance,’ zegt Marc wijzend op een open haard met een beetje oubollige schouw. Ik vraag of die het doet, veilig is, en dat schijnt ie te zijn. ‘Wow,’ hoor ik mezelf weer. In mijn gedachten zie ik mezelf hier al zitten. Samen met Chrissy aan de zondagochtend-kaascroissants, aan de maandagavond-spinazieschotel met gegratineerde kaas – haar lievelingsgerecht sinds jaar en dag. ‘Kom!’ Marc gaat me voor. Terug naar het smalle gangetje en door naar de woonkamer die weliswaar spuuglelijk is ingericht maar waar verder niets mis mee is en waar ik alle kanten mee uit kan. Het Franse balkonnetje aan de straatkant ziet uit op het bankje van de bakker dat nu wordt bezet door de bakkers die zwetend hun ochtendkoffietje zitten te slurpen. Op de twee zitvensterbanken aan weerszijden van de balkondeuren liggen fluffy kussens. En weer zie ik mezelf al zitten. Samen met Chrissy glurend naar het posh zaterdagpubliek in de winkelstraat.

Marc weer: ‘Niet verkeerd toch?’

‘Niet verkeerd!’ Ik zeg nog net niet dat het liefde op het eerste gezicht is tussen mij en dit veel te dure optrekje. Maar het is wel zo. En het is een verliefdheid waar de aftandse badkamer boven niets aan afdoet. Daarbij maakt de slaapkamer boven de keuken, die ook een schouw heeft – en waar ook een open haard gerealiseerd kan worden, hoor ik naast me zeggen – weer alles goed. Ik heb de kamer in mijn hoofd al aan Chrissy toegewezen en dan draai ik me om naar Marc.

‘Dit huis is voor mij!’ Hij lacht, geeft me een hand, noemt de prijs, telt er een bedrag bij op wat ik minimaal nodig heb om een beetje te verbouwen en zegt dat hij het gaat regelen. Er is alleen één maar: deze mensen gaan er pas over drie maanden uit dus ik zal even moeten overbruggen tussen het opleveren van wat opeens ‘mijn oude huis’ is en ‘dit nieuwe huis’ waar ook nog even verbouwd moet worden. Maar daar verzinnen we wel wat op, als ik Marc mag geloven.

Thuis in mijn ‘oude huis’ loop ik mijn bekende rondje door de woonkamer. Hand op de marmeren schouw, blik op de foto van het meisje in het roze balletpakje, omdraaien, langs de salontafel, door de en-suite-deuren, naar de eetkamer, rondje om de eettafel, rechtervoet op het opstapje van de serre, langs de open keuken, omkeren en opnieuw. Met mijn handen op de schoorsteenmantel blijf ik staan. In mijn hoofd maak ik een vergelijking met de schouw in mijn nieuwe woonkeuken. Het contrast kan bijna niet groter zijn. Hoe lang zochten we destijds niet naar dit model in deze kleur marmer? Hugo had het heel scherp voor ogen, wist precies wat hij wilde. De dag dat we deze joekel eindelijk op de kop tikten, was een donkergrijze januaridag. We waren de polder ingereden, naar een groothandel van antieke bouwmaterialen waar de mist nóg dichter was dan in de stad. Die mist was er al dagen aan een stuk. Alsof ik onder een stolpje leefde waar geen ontsnappen aan was. Hugo was goed te spreken op de terugweg, blij dat die verdomde schouw eindelijk van zijn to do lijstje kon worden afgevinkt.

‘Blij?’ vroeg hij toen we de A2 weer opdraaiden. Maar dit was Hugo’s schouw. Zijn keuze, zijn smaak, zijn geld en het huis, – óns huis – zijn project. Ik had van mijn spaarrekening alleen een fors uitgevallen antieke vogelkooi gekocht die ik per se in de serre wilde hebben en het was nog geen sinecure geweest om die erdoorheen te drukken. De kleuren die ik voorstelde voor de muren, waren stuk voor stuk afgeschoten. Hij had voor ogen om er ‘een ziekenhuis’ van te maken, zoals hij dat noemde. Ons huis werd wit, steriel, strak, leeg en ik vroeg me nooit af wat ik daar van eigenlijk vond. Al weet ik bij voorbaat dat mijn nieuwe huis heel anders gaat worden. Kleurrijk, knus en uitpuilend van de vrouwelijke energie.

Ik bel mijn moeder. ‘Ik heb een huis!’ Daarna bel ik mijn zusje, Claire, Suzan, Ruud van de redactie. Telkens opnieuw draai ik in staat van euforie mijn verhaal af en tot slot bel ik Hugo. ‘Er is alleen één maar,’ zeg ik. De overdracht kan op z’n vroegst over drie maanden zijn dus ik zal even moeten overbruggen tussen hier en daar.

‘Daar vinden we wel wat op.’ Hugo en Makelaar Marc zijn het roerend eens. ‘Jullie kunnen natuurlijk altijd even bij mij terecht ter overbrugging.’

Hoofdstuk 43

In dezelfde week dat ik het huis officieel mijn huis mag noemen, komt ook de papierwinkel voor de scheiding rond. Een scheiding volgens het boekje want verbluffend soepeltjes verlopen, keurig in overleg en zonder noemenswaardige aanvaringen tussen Hugo en mij. We spreken geen omgangsregeling voor Chrissy af. Ze woont bij mij – precies zoals ik dat wil – en gaat naar Hugo als dat zo uitkomt – precies zoals Hugo dat wil. Er is ook geen officiële lijst voor de boedelverdeling, want ook dat zullen we in goed overleg doen en dat staat voor vandaag op de planning daar waar de boedel zich bevindt: in mijn ‘oude’ huis.

Persoonlijke dingen en dingetjes, die kunnen we overslaan, zegt Hugo en vind ik ook. ‘Persoonlijk als in kleding, sieraden, persoonlijke cadeaus en persoonlijke familiedingen?’ vraag ik voor de zekerheid.

‘Yes.’

‘Dus die kandelaar die ik aan jou heb gegeven voor je verjaardag, die blijft van jou?’

Maar net als ik denk dat dit wel héél erg in harmonie en vlotjes gaat, slaat de vlam in de pan en dat gebeurt zo snel en met zo’n heftigheid dat het totaal uit de klauwen giert tussen ons. Het gaat over de auto. Mijn auto. Als een donderslag bij heldere hemel blijkt die opeens niet van mij te zijn, maar van hem.

‘Hoezo? Je hebt toch zeker zelf een auto? Je hebt er toch geen twee nodig?’

‘Nee lieverd.’

‘Ik ben je lieverd niet.’

‘Doe nou even niet zo moeilijk Britt!’

‘Ik moeilijk? Wie doet er hier nou moeilijk?’

‘Die auto staat op mijn naam Britt. Ik heb die auto gekocht en jij mocht erin rijden.’

‘Ik rij al twee jaar in die auto eikel. Wat moet je nou opeens?’

‘We moeten die auto verrekenen.’

‘Verrekenen waarmee? En waarom staat die auto op jouw naam en weet ik dat niet?’

‘Omdat je niet op zat te letten.’

‘Heb je me met die auto nou ook nog verneukt? Ik dacht dat het alleen het buiten de deur neuken was waarmee je me bedonderd hebt. Heb je nog meer geintjes?’

Het heeft een open zenuw bij me geraakt. De woede stuwt met zo’n kracht omhoog dat ik ervan ga trillen. Ik heb mezelf niet meer in de hand. Ik wil hem iets aandoen. Ik begin te huilen. Het huilen gaat over in snikken – met piepende uithalen die door de kamer, het huis, gieren. Ik wend mijn hoofd af. Wil hem niet meer zien. Gebaar dat hij moet opsodemieteren. Dat ik hem nooit meer wil zien.

‘Kom op nou Britt. Doe eens effe rustig nou.’ Hij probeert me vast te pakken. Ik sla zijn hand weg. Zo hard dat mijn eigen hand ervan tintelt. Hij trekt me naar zich toe.

‘Wat gebeurt hier nou?’ Hij is van me geschrokken. Net zo erg als ik van mezelf ben geschrokken.

‘Wil je weggaan? Ik wil dat je weggaat.’

Hij loopt de kamer uit en komt meteen weer terug. ‘Zo gaan we dat niet doen Britt. Zo gaan we niet uit elkaar.’

‘Dan had je je moeten gedragen Hugo. Meen je dat nou? Dat we mijn auto moeten verrekenen? Vind je dat ik te veel krijg? Of jij te weinig?’

‘Nee. Nee dat vind ik niet. Ik vind dat we het best goed gedaan hebben. Dat vind ik.’

‘En als ik nu zeg dat ik mijn eigen auto van jou wil kopen, dan is het helemáál goed geregeld voor je?’

‘Nee laat maar zitten.’

‘Waarom begon je er dan over?’

‘Laat nou maar zitten, zeg ik toch? Zullen we verdergaan?’

De eruptie van die middag dreunt nog lang bij me na. Want wat daar gebeurde stond voor veel meer dan alleen het akkefietje met de auto. Het was de onderhuidse, opgekropte woede die zich in de loop van ons samenzijn in me nestelde, die aan de oppervlakte was gekomen. Het gevolg van het feit dat ik mezelf afleerde om boos te worden omdat boosheid meestal uitmondde in ruzie en nog meer afstand tussen ons. Ik gaf het op om mijn mond open te doen en maakte mezelf wijs dat het ’t sop in de kool niet waard was om hem de waarheid te zeggen.Maar opgekropte woede verdwijnt niet vanzelf. Die lost niet op door hem te onderdrukken maar gaat rotten, maakt de vervreemding tot jezelf en de verwijdering tot die ander tot een gapend gat dat niet meer te overbruggen valt.

Sinds het begin met Hugo gaf ik meer weg dan ik kon missen en het heeft zin om dat terug te willen halen omdat dat schip al lang geleden gevaren is. Onderweg vervreemdde ik van mezelf en werd daardoor een vreemde voor de mensen om me heen. Voor mijn ouders, mijn zus en voor Jeanny en Lieke: oude vriendinnen waarmee het contact steeds verder verwaterde totdat het op een dag was doodgebloed.

Hoofdstuk 44

Chrissy ’s weekje weg met Hugo staat te gebeuren: morgen, zaterdag, vliegen ze samen voor dag en dauw naar Ibiza waar Hugo een appartement in Ibiza Stad heeft geboekt. ‘Weet je het wel zeker? Dat het in de stad is?’ vroeg ik Chrissy toen ze het vertelde. Ze had haar schouders opgehaald. ‘Pappa zei dat een vriendin van hem er ook is met haar dochter en dat die ongeveer net zo oud is als ik. Dat leek pappa wel chill.’

Het lijkt erop dat ze dit hele idee pas tot zich door laat dringen nu we aan het pakken zijn en opeens slaat de twijfel toe en wordt ze onzeker. ‘Ik weet niet of ik met pappa naar Ibiza wil, mam.’ Ze kijkt me niet aan als ze de woorden uitspreekt. Haar wangen zijn rood en ze laat haar schouders laag afhangen.

‘Hoezo twijfel je?’ Als ik haar daar zo zie staan, met haar knalgele bikinietje in haar ene hand en haar favoriete jurkje van witte broderie met ruches aan het minuscule rokje in de andere hand, bekruipt me een ongemakkelijk gevoel. Ik ga op haar bed zitten. Ze volgt mijn voorbeeld.

‘Nou. Dan ga te gewoon niet mee.’

‘Hoe kan dat nou?’ Ze kijkt een beetje wazig langs me heen.

‘Als je niet met pappa op vakantie wilt, bel ik hem af en dan blijf je lekker thuis.’  

‘Dat kan toch niet?’ Ze kijkt me nu aan. Een klein meisje dat moederziel alleen op haar grote bed zit om zich klaar te maken voor wéér een ander onderdeel van haar nieuwe leven waar ze nooit om heeft gevraagd, waar ze akelig alleen in staat en waar ze wonderwel mee wist te dealen – dacht ik. Maar wat weet ik nou echt van haar innerlijke wereld? In hoeverre kan ik haar gedachten nou écht lezen? Spreekt ze zich überhaupt wel eens uit of stopt ze haar gevoelens heel diep weg om ze straks, als ze ouder is, weer op te graven omdat ze haar in de weg zijn gaan zitten en het niet langer lukt om ze te negeren?

‘Dat vind ik zielig voor pappa.’

We gaan verder met inpakken. Als we klaar zijn gaan we naar beneden. Ze wil niets eten, niets drinken. Tegen tienen neem ik haar weer mee naar boven, naar mijn slaapkamer waar ik naast haar in bed kruip. We kijken televisie zonder te zien waar we naar kijken en als Chrissy eindelijk in slaap sukkelt loopt het tegen middernacht. Om half drie ga ik er zelf uit om koffie te zetten. Ik neem mijn mok mee naar boven en ga op de rand van het bed naar mijn kleine meisje zitten kijken waar ik zo erg mee te doen heb.  Ze wordt wakker, wrijft in haar ogen en krabbelt meteen overeind. Ik help haar in de badkamer en help haar haar koffertje dicht te ritsen. Ik zeg dat ik heel erg veel van haar hou. Ik zeg dat ze het vast en zeker heel erg fijn zal hebben met pappa en dat we elke dag samen zullen bellen en dat een week heel snel voorbij is. Ik knuffel haar. Ze zegt ‘au’ en trekt zich los.

Om vijf voor drie gaat de voordeur open. Hij roept naar boven of ze klaar is en dat hij er zin in heeft. Ze houdt zich groot. Zoals ze zich voor Hugo vaak groothoudt omdat dat blijkbaar zo werkt tussen hen.

‘Wil je alsjeblieft heel goed op haar passen? Heel goed voor haar zorgen?’

‘Wat dacht je dan dat ik ging doen?’ Hij klinkt gepikeerd. Dan pakt hij haar koffertje en gaat de grote voordeur weer open. In mijn ochtendjas loop ik de trapjes af naar de stoep. Ze staat pal aan de overkant van de straat geparkeerd en ze zit achter het stuur, met het raampje naar beneden en haar arm half buiten boord. Ze wacht totdat ze zeker weet dat we oogcontact hebben. Dan gaat haar arm iets omhoog en steekt ze twee vingers naar me op ter begroeting – een hooghartig hallo-hier-ben-ik-en-vandaag-ben-ík-weer-aan-zet.

Ik voel hoe het bloed uit mijn hoofd wegtrekt. Als ik Hugo aankijk weet ik geen woord uit te brengen. ‘Ben je er klaar voor?’ Hij slaat zijn arm om Chrissy heen. ‘Caroline brengt ons even weg.’ Het is voor het eerst dat ik hem haar naam hoor uitspreken. Chrissy zegt niets. Ik zeg ook nog steeds niets. Ik pak Chrissy nog een keer vast om te zoenen. Dit keer laat ze me begaan. Als ze de straat zijn overgestoken doe ik een stap terug op het trapje. Met de ochtendjas nog steeds dicht om me heen blijf ik staan kijken hoe hij de kofferbak opent om Chrissy ’s koffertje in te laden. Dan houdt hij het portier open om haar te in laten stappen en stapt hij zelf ook in. Hij gaat naast haar voorin zitten. Voordat ze optrekt zwaait ze nog een keer naar me. Chrissy kijkt van achter het raampje op de achterbank toe.

‘Dag mamma,’ mimet ze.

Ik hou mijn hand op mijn hart en mime terug hoeveel ik van haar houd.

Als ze de straat uit zijn keer ik terug naar binnen. Achter de voordeur zak ik in elkaar. Met mijn knieën hoog opgetrokken tegen mijn borst blijf ik zitten. Net zo lang totdat het bloed weer gaat stromen en mijn zenuwen weer tot leven komen. En dan komen de woorden. Een woedende stroom tegen haar en tegen hem. Net als op die middag nadat mollige Wiesje van de overkant me had aangesproken om me te vertellen over wat ze die nachten ervoor had waargenomen – ze had haar gezien en ook hoe ze zich aan Hugo had vastgeklampt – begin ik weer te wiegen. Te huilen en te wiegen. Net zolang totdat mijn ademhaling weer regelmatig is en de tranen niet meer vloeien blijf ik mezelf, zittend op de harde mat van het tochtportaaltje en mijn rug tegen de zware voordeur,sussen en wiegen.

Hoofdstuk 45

Hoe lang heb ik daar gezeten met mijn rug tegen de voordeur en mijn knieën hoog opgetrokken tegen mijn borst? Als ik terug de keuken inloop geeft het klokje van de oven aan dat het bijna half vijf is. Het zal niet lang meer duren voordat Chrissy en Hugo kunnen boarden. Buiten in de tuin zie ik Teddy terugkeren van haar nachtelijke strooptochten door de binnentuinen. Ik roep haar door de kier van het openstaande raam. Zachtjes mauwend hoor ik haar even later de trap van het souterrain naar de beletage omhoog klimmen. Nieuwsgierig steekt ze haar koppie om de deur van de kamer. ‘Hé snoetebolletje. Ben je daar?’ Ik til haar op. Ze vleit zich tegen me aan en laat me begaan als ik mijn neus diep in de vacht bij haar oortje stop.

Ga ik terug naar bed? Bel ik mijn moeder uit bed? Net als aan het begin van dit jaar toen ik er soms zo doorheen zat dat ik er niet meer uit kon komen in mijn eentje? Of neem ik koffie en maak ik plannen om de komende week een beetje door te komen? Met Teddy nog steeds dicht tegen me aan loop ik besluiteloos naar beneden de tuin in waar een verse zaterdagochtend al door de toppen van de bomen piept. Ik duik weg in mijn favoriete hoekje onder de overkapping. Als er een ochtendzonnetje verwacht kan worden – en daar lijkt het wel op – duikt het hier gegarandeerd als eerste op.

De gedachte dat ik hier over een paar maanden niets meer te zoeken heb, dringt zich aan me op en met een steek in mijn hart besef ik dat als de nieuwe eigenaren mijn rododendrons zat zijn, het hen vrij staat om ze te slopen en dat Teddy haar goddelijke territorium hier vaarwel moet zeggen om het voor de rest met een balkon op twee hoog te doen. Alsof ze mijn gedachten kan lezen springt ze van mijn schoot. Tegen de stam van de lijsterbes gaat ze uitgebreid haar nagels staan scherpen en dan kuiert ze verder, onder de schutting door de brandgang in. Het is geen eenzaamheid die knaagt ter hoogte van mijn borstbeen. Geen paniek of een andere oude bekende. Deze emotie is relatief nieuw voor me en voelt als een innerlijk dolen, alsof ik de vaste grond onder mijn voeten kwijt ben. Het is een leegte. Een gevoel dat er iets ontbreekt. Alsof ik even nergens thuishoor en nergens thuis kan komen.

Ik heb het besluit al genomen voordat ik het goed en wel besef. Met twee treden tegelijk ga ik terug naar de beletage om koffie te zetten, boterhammen met kaas te smeren en eten voor Teddy neer te zetten. Veel eten en in ieder geval genoeg tot maandag. Ik spring onder de douche, trek een jeans aan en een T-shirt en sneakers en pak wat spullen in mijn weekendtas: een sweatshirt, schoon ondergoed, instappers en slippers, nog een jeans, nog een T-shirt en een oversized overhemd. Binnen no time sta ik weer beneden. Telefoon, tas, sleutels, autosleutels. Ik draai het slot van de buitendeur aan de buitenkant twee keer om en speur de straat af op zoek naar mijn auto.

Het is stil in de stad, stil op de Ring, stil op de snelweg. Op de A2 stop ik bij het eerste beste tankstation om mijn tank vol te gooien. Ik kan de verleiding niet weerstaan om een pakje rode Marlboro ’s en een aansteker te kopen. Ik steek er meteen een op voordat ik weer start en draai dan terug de A2 op die ik helemaal tot voorbij Maastricht afrijd. Tegen de tijd dat het heuvelland zich aan me ontvouwt loopt het tegen half acht.

De rode bakstenen van mijn ouderlijk huis worden aangelicht door de ochtendzon. Ik parkeer bij het kippenhok en loop om het huis heen naar de achterkant waar ik door het keukenraam naar binnen kan kijken. Mijn moeder zit aan haar kruiswoordpuzzel – een dagelijks ritueel om haar verstand scherp te houden. De koffiekan staat als altijd voor haar. Een sigaret ligt te dampen in de asbak. Als ze ernaar reikt houdt ze even stil en draait dan haar hoofd naar me toe. Haar glimlach verwarmt mijn hart. Ze gebaart dat ze de voordeur open komt doen die nog op het nachtslot zit. Nog voordat ik een voet over de drempel heb gezet val ik haar in de armen. Ze streelt over mijn haar.

‘Goed dat je thuisgekomen bent. Voelde je je een beetje verloren?’

Ze schenkt koffie voor me in en doet de deur naar het terras open dat uitkijkt over het dal. De paarden komen nieuwsgierig dichterbij en houden halt achter het prikkeldraad. Ik adem mijn thuisland diep in terwijl mijn moeder een lap over de tuintafel haalt en de kussens in de stoelen schikt.

‘Hoe ging het afscheid van Chrissy?’

‘Zij was erbij.’

‘Zij?’

‘Zijn vriendin. Het loeder zat voor mijn huis te wachten in haar auto.’

‘Ze is toch niet mee op vakantie?’ vraagt ze geschrokken.

Mijn vader komt, gewekt door ons gekwek, het terras oplopen. Hij strekt zijn armen naar me uit. ‘Kind!’ Hij houdt me een stukje van hem af om mijn gezicht te kunnen zien en trekt me dan weer naar zich toe. ‘Wat goed om je thuis te hebben!’ Zijn stem slaat over.

‘Die gaat het echt niet worden,’ murmelt mijn moeder op de achtergrond. Ik kijk haar vragend aan.

‘Die vrouw. Die gaat het echt niet worden. Ik geef ze nog hooguit een half jaar en dan is het schluss.’

‘Over wie heb je het?’ vraagt mijn vader.

‘Over Hugo’s vriendin.’

‘Oh die.’ Hij haalt zijn schouders op en laat zijn rechterhand naar achteren wapperen: weg met die vrouw.

Dan pingt mijn app. ‘We zijn er mamma! Het is een heel cool appartement. We gaan nu ontbijten op het strand. Ik bel je straks. Xxxx Je sweety pie dochter Chrissy.’

Hoofdstuk 46

Het is voor het eerst in jaren dat ik een weekend in mijn eentje bij mijn ouders ben. In het begin was Hugo er nog meestal bij en sinds Chrissy er is, ging ik nooit meer zonder haar en bleef Hugo steeds vaker thuis. Altijd was er die onrust over waar hij was en wat hij deed. Altijd die ongrijpbare onzekerheid, dat knagende gevoel dat steeds nadrukkelijker ging knagen naarmate hij langer niets liet horen. En dan sloeg, als de radiostilte maar lang genoeg duurde, de paniek toe. Die probeerde ik ten einde raad ondanks mezelf en tegen beter weten in te sussen door hem zelf te gaan bellen. Voicemail. Niet inspreken. Mezelf voornemen om het niet meer te proberen, om vervolgens toch weer voor gaas te gaan en weer zijn voicemail te krijgen die me tussen de regels door vertelde dat Hugo geen enkele behoefte had om mij te spreken.

‘Wisten jullie het? Dat hij vreemdging als ik bij jullie was met Chrissy en geen contact met hem kon krijgen?’ We zitten op het terras aan de rosbief met aardappels, veel jus en bloemkool, een menu dat mijn moeder die middag voor me heeft gemaakt in de veronderstelling dat dit na al die jaren nog steeds mijn lievelingseten is, wat ik steeds maar zo laat omdat het me zo ontroert. Mijn moeder neemt even een pauze die ze vult met het opscheppen van meer bloemkool.

‘Nou ja weten.’

‘Dat heeft me altijd veel pijn gedaan,’ komt mijn vader tussenbeide. ‘Ik zag het wel, dat je constant op je telefoon zat te kijken en dat hij niet thuis gaf. Bah!’

‘Weten is een groot woord,’ gaat mijn moeder verder. ‘Maar vermoeden wel.’

‘Mijn vader legt zijn bestek neer en neemt een grote slok van zijn rode wijn. ‘Echt verschrikkelijk vond ik dat altijd.’ Zijn stem breekt voor de tweede keer die dag. Hij staat op en verdwijnt naar binnen.

Buiten worden de paarden onrustig. De schimmel hinnikt een zet het op een rengalop. De pony volgt zijn voorbeeld. Aan de horizon klinkt het gesis van de branders van een luchtballon. ‘Daar hebben we de boosdoener,’ wijst mijn moeder met een knik naar de paarden en haar blik op de luchtballon. ‘Ze gaan helemaal door het lint van luchtballonnen.’

‘Rustig maar jongens!’ Mijn vader neemt weer plaats maar aan eten heeft hij geen zin meer. ‘Hebben we nog iets van Chrissy gehoord?’ Hij wil het gesprek een andere wending geven. Ik pak mijn telefoon en app Chrissy of alles goed is. En daarna nog een met de tekst ‘Effe bellen?’ Ongeveer per omgaande meldt ze zich. Ze klinkt opgewekt, blij. Mijn adem ontsnapt langzaam aan mijn mond bij het horen van haar stem.

‘Vertel eens even, lieverd. Hoe hebben jullie het tot nu toe?’

‘Leuk mam. Super leuk. Pappa is aan het douchen en we gaan zo uit eten met die vriendin van hem, Saar heet ze,  en haar dochter Josje die net zo oud is als ik. Vanmiddag waren we samen op het strand. Zo leuk mam! Echt blij mee. Maar nu moet ik ophangen want we gaan. Dag lieve mamsie. Hou van jou!’ En weg is ze. Ik breng verslag uit aan mijn ouders. Mijn moeder haalt haar neus op.

‘Dan kon het zo maar eens de laatste keer geweest zijn dat die juffrouw Hugo naar Schiphol heeft gereden.’ Ze lacht. ‘Saar zei je dat die mevrouw met haar dochter heet? Is het niet heel toevallig dat die ook net op Ibiza zit als Hugo daar met Chrissy is?’ Ik denk aan zijn juffrouw en hoe ze vanochtend voor mijn huis stond. Haar arm buiten het open raampje van haar auto. Haar hooghartige blik toen ze haar hand naar me opstak. ‘Kutwijf!’ Ik spreek het hardop uit. Mijn moeder lacht. Ik stel voor om straks even samen een biertje te halen op het terras van de herberg op het dorpsplein. Mijn vader is in. Mijn moeder vraagt of het goed is als zij vroeg gaat slapen – al weten we donders goed dat dit niet als een vraag maar als een mededeling is bedoeld.

Na sluitingstijd komen we pas thuis. ‘Eieren?’ stel ik voor. Dat is wat we thuis gewoon zijn te doen na een avond in de kroeg. Een ingesleten patroon dat niets met honger of zelfs maar lekkere trek te maken heeft maar er gewoon bij hoort. Ik zet het oude gietijzeren braadpannetje op het gas, smelt er een royale klont boter in tegen het aanbakken en tik er de eieren van de kippen uit het kippenhok in stuk. Terwijl ze zacht sissend stollen, haal ik het Duitse roggebrood uit de broodtrommel die als sinds jaar en dag in de weg staat midden op het aanrecht. Sommige dingen mogen nooit veranderen. Mijn ouders, dit huis, de keukentafel met de eeuwige koffiepot en de asbak, het aftandse koekenpannetje en de eitjes uit het kippenhok. Ik ben zo intens blij om hier te zijn dat ik nu al weet dat ik morgen nog niet naar huis wil. Ik wil niet terug naar mijn de tempel zonder ziel waar ik moederziel alleen mijn dagen moet vullen totdat ik weer mag moederen. Als ik niets plan, is de kans groot dat de agenda leeg blijft. Want het leven dat vanzelfsprekend werd ingevuld en opgevuld met de dingen van alledag, is niet meer. Dat heeft plaatsgemaakt voor heel veel ruimte die ik naar believen kan vullen. Vanaf nu mag en kan ik alles zelf bepalen en dat lot heeft me vandaag op deze plek gebracht waar ik me mag wentelen in de comfortabele wetenschap dat ik hier altijd terecht kan. Als opvoeden niet meer is dan doorgeven wat jezelf hebt meegekregen, dan geef ik Chrissy voor de rest van mijn leven een plek om altijd thuis te komen. Een plek om aan te kloppen met al je bagage van dat moment. Een plek om te mogen zijn.

Hoofdstuk 47

Ik verleng het weekendje terug naar mijn roots tot de maandagochtend. Dan moet ik aan mijn stutten trekken om terug naar Teddy en aan het werk te gaan. Chrissy heeft niets meer laten horen maar sinds ik weet dat ene Saar en haar dochter bij Chrissy en Hugo zijn aangehaakt, voel ik me gesterkt door mijn moeders voorspelling dat de vrouw voor wie ik verlaten ben, geen blijvertje is. Zij was degene die Hugo wist over te halen om weg te gaan uit zijn huwelijk en bij mij, maar niet degene bij wie alles beter was. Was het niet Susan-de-heks-Smit die zei dat relaties die starten met een breuk, een breuk in zich dragen en een scheef fundament vormen waarop geen stabiele verbintenis kan gedijen? Aan het begin van dit jaar belichaamde die andere vrouw nog het idee dat ik niet genoeg was en dat raakte diep aan mijn gevoel voor eigenwaarde. Ze stond symbool voor de teloorgang van mijn leven en dat deed zoveel pijn dat zij de bliksemafleider werd van mijn verdriet. Door haar te haten kon ik dat verdriet een beetje bij mezelf wegduwen en in stukjes opknippen om die daarna, ergens gaandeweg de rouw, weer een voor een op te pakken en te verteren. Ik wil mezelf wijsmaken dat ik er ben, dat het nu gedaan is met de rouw. Dat is niet zo. Maar na dat gevoel van totale verlorenheid van zaterdagochtend, en na het warme bad van ouderliefde wat me daarna wachtte, voelde ik me gisteren plotseling bevrijd. Nooit meer wachten op Hugo’s telefoontje. Geen verwachtingen meer hoeven te koesteren. Nooit meer wakker liggen en wachten op de sleutel in de voordeur, de stappen op het marmer in de gang en de zure lucht van drank die hij uitademde als hij naast me in bed schoof om zijn roes uit te slapen. Nu dat allemaal niet meer hoeft houd ik ruimte over voor mezelf, om te genieten, na te denken, plannen te maken. Ruimte om tot rust te komen.

Thuisgekomen tref ik het cadeautasje van de slijter om de hoek aan de deurknop van mijn voordeur. De fles blijkt zijn huiscava te zijn en als ik mijn hand in het tasje stop stuit op een briefje:

Lieve Britt,
We dachten dat het de hoogste tijd werd om onze vriendschap nieuw leven in te blazen want het is veel te lang geleden en we missen je.

Liefs Jeanny en Lieke

In een reflex zoen ik het briefje en druk het tasje aan mijn borst. Jeanny en Lieke! Ik heb de laatste maanden even zo vaak op het punt gestaan om hen te appen dan ik ervan afzag om het te doen. Want stel dat ze niet meer op me stonden te wachten? Stel dat ik een bericht stuurde zonder er iets op terug te krijgen?

We gaan heel lang terug, wij drietjes. Tot aan de introductieweken van de universiteit om precies te zijn. Alle drie alleen, onwennig, onzeker, zoekende en alle drie desondanks niet van zins om lid te worden van het corps waardoor we ons eigen dispuutje maar hadden gesticht en we vanaf dag één onafscheidelijk waren. In het begin van Hugo was alles nog als vanouds geweest, maar naarmate ik meer in Hugo opging, raakte ik verder van hen weg. Zonder dat er ooit iets voorviel en zonder te weten waarom liet ik het contact tussen hen en mij steeds verder voor wat het was. Eerst deed vooral Jeanny nog haar best maar op een dag moet ze het hebben opgegeven en bleef het stil. En dat liet ik zo. Nog voordat ik mijn tas goed en wel en heb neergezet scroll ik naar onze groepsapp en begin ik te typen:

Lieve vriendinnen,

Hoe fijn is deze verrassing!? Een fles met briefje. Zomaar aan mijn voordeur na een weekend bij mijn ouders. Ik heb vanavond tijd en verder elke verdere avond van deze week. Wanneer? Ik kan niet wachten.

Xxx Britt

Lieke antwoordt ongeveer per omgaande dat ze om zes uur bij me kan zijn – ‘tenminste als de geruchten kloppen dat Hugo het pand heeft verlaten?’ Jeanny haakt een half uur later aan. ‘Ik zeg mijn yoga er voor af. Kan half 7 worden.

Ik pak mijn tas even snel uit als ik hem zaterdag inpakte, zet de wasmachine aan, geef Teddy, die in geen velden of wegen te bekennen is, verse brokjes en water, ruim de vaatwasser uit en ga dan de deur uit om boodschappen te doen voor nu en straks. Als ik daarvan terug kom installeer ik me met mijn laptop in de serre. Het loopt tegen vijven als ik mijn uitgewerkte tekst mail en mezelf een glas wijn gun. Dan ga ik de keuken in om Jamie Olliver’s pasta bolognese  voor te bereiden. Ik heb net de pan uitgezet en mijn handen gewassen als de voordeurbel gaat. Lieke kijkt me aan zonder een woord en strekt haar armen naar me uit. We omhelzen elkaar en blijven even woordeloos zo staan.

‘Dat zou godverdomme tijd worden Britt!’

Ik neem haar bij de hand en trek haar mee de huiskamer in. ‘Eerst maar wijn?’

‘Sowieso. En totdat Jeanny er is mag er niets verteld worden wat niet gemist kan worden. dat heb ik haar moeten beloven.’

Bij onze eerste toast wordt er voor de tweede keer aangebeld en zijn we compleet. Startklaar om bij te praten en de draad op te pakken. Doorgaan waar we ooit gebleven waren alsof er niets voorviel en er nooit een adempauze was. Ik hoef niet te vertellen over mijn huwelijk. Ze wisten het wel, dat ik me door Hugo liet afleiden. Dat ik hem voorrang gaf en dat ik het toeliet dat er geen ruimte meer was voor onze vriendschap. Maar ze namen het niet persoonlijk. Ze namen het zoals het kwam en spraken met elkaar af dat ze er gewoon weer zouden zijn als het zo ver was. Want dat die dag zou komen, dat leek onvermijdelijk. Ze gunden het me nooit, dat mijn huwelijk zou stranden. Wat ze me wel gunden was dat ik mezelf weer terug zou vinden en dat ik weer de Britt zou worden die ik was toen we elkaar leerden kennen.

Hoofdstuk 48

Om 11 uur was de witte wijn op en om 12 uur hadden we de eerste fles rood uit Hugo’s voorraad soldaat gemaakt. ‘Lekker wijntje Brittie,’ giechelde Jeanny. Waarop Lieke de Vivino-app opende om de wijn te keuren. ‘What the fuck! Zien jullie dit bedrag?’ We lachten zoals we vroeger al lachten. Een lachen waarvan we dachten dat we dat verleerd waren. Na die eerste fles van een voornaam chateau in de Bordeaux hadden we er nog een opengemaakt. Om 2 uur ’s morgens had Lieke Saturday Night Fiver op standje hysterisch opgezet. Nadat we drie keer dansend en gillend de kamer op en neer waren geshuffled voelde ik me alsof ik weer veertien was, mijn ouders met vakantie waren en ik bezig was hun huis af te breken. Het was al licht toen ze vertrokken. ‘Godverdomme, we kúnnen het nog,’ lalde Jeanny. Waarop Lieke zei dat ze bralde en we alle drie zo verschrikkelijk de slappe lach kregen dat ik zeker wist dat de buren ervan wakker waren geworden.

‘Godverdomme, we kúnnen het nog,’ sprak ook ik tegen mijn spiegelbeeld toen ik met veel pijn en moeite de trap naar boven had gehaald en een poging deed mijn tanden te poetsen. Daarna moest ik overgeven. Niet één keer maar net zo lang totdat het acht uur was en de dinsdag definitief is begonnen. Om half 9 meldt Jeanny zich op onze app om te zeggen dat ze hondsberoerd is (‘Britt! Weten we zeker dat die wijn van je ex geen bocht was??’) en even later komt Lieke erbij om ons te vertellen dat we vrijdag gaan stappen. ‘Na vrijdag zal het nog lang onrustig blijven in de binnenstad! Guys! We komen eraan!’

En dan gaat mijn mobiel. Makelaar Marc belt. ‘Hi Britt! Alles goed met jou? Ik heb denk ik geweldig nieuws voor je. De verkopers van je appartement moeten eerder naar het buitenland dan verwacht en dat betekent dat de overdracht vroeger kan en jij en je dochter niet meer hoeven te overbruggen. Wat denk je?’

Wat ik denk? Ik denk dat ik mijn Volendamse aannemer als de wiedeweerga moet bellen en dat ik hem heel lief moet aankijken. Ik denk dat ik haast moet maken met het uitkiezen van sanitair, van tegels, dat ik een kleur moet kiezen voor de muren en iets moet verzinnen voor de vloeren en voor het foeilelijke behang en de donkerbruine jaren zeventig lambrisering in het trappenhuis. Ik schakel in de vijfde versnelling en begin te zweten en te bellen. Aan het einde van de dag sta ik bij de aannemer op de kalender, is de notaris geregeld voor de overdracht van het huis en de bank geïnformeerd. Tussen de bedrijven door belt Ruud, mijn hoofdredacteur, om te vragen of ik interesse heb in een nieuwe rubriek die een hoog culigehalte moet krijgen. Voor de details spreken we af voor een lunch op woensdag – zijn idee van een vruchtbare briefing. Als ik tegen etenstijd voor dood in een stoel in de serre lig belt Chrissy. Ze hebben het hartstikke tof en pappa is super vrolijk.

‘Dat heeft met Saar te maken, mam. Zij en pappa zitten de hele tijd aan elkaar en pappa en ik doen niets meer zonder haar en Josje.’

Met de prettige gedachte dat Saar inmiddels de plek van ‘haar’ heeft ingenomen stort ik om acht uur in bed om vervolgens het klokje rond te slapen. Op woensdag sta ik als nieuw op. Stuiterend van de energie en klaar om de wereld te veroveren. De lunch met Ruud brengt me voorlopig inkomenszekerheid en alsof dat nog niet genoeg goed nieuws is, ligt er bij thuiskomst de brief op de mat waarin de echtscheiding wordt bekrachtigd. Ik aarzel even om Hugo erover te appen. Besluit eerst om dat niet te doen en kan het dan toch niet laten. Ik maak een foto van de brief en stuur deze door met de tekst:

‘Het is officieel.’
Even later belt hij me.
‘Gefeliciteerd. Toch gek.’
‘Gek? Het zou nog gekker zijn als het niet officieel zou worden.’
‘Ja.’
‘Jullie hebben het goed, toch?’
‘Heel goed.’
‘Leuk? Is ze leuk, die Saar?’
‘Ze is oké.’
‘Doe je een beetje voorzichtig?’
‘Waarmee?’
‘Met de harten van de vrouwen om je heen.’
‘Nou ja zeg! Bij jou ook alles goed?’
Ik praat hem bij over de makelaar en de aannemer en mijn nieuwe rubriek en het weekend bij mijn ouders en Jeanny en Lieke.
‘We hebben je wijnvoorraad geplunderd.’
‘Welke voorraad?’
Typisch Hugo om dat niet te weten.

Op de vrijdag van deze beste-week-sinds-misschien-wel-jaren kan ik weinig bedenken om nog over in te kunnen zitten en besluit ik mezelf te trakteren op iets wat ik beslist niet nodig heb en daarvoor loop ik richting de winkels even verderop. Ik ga als eerste voor gaas voor een paar loafers die ik al tig keer heb zien staan maar steeds te duur vond. Daarna open ik de jacht op iets voor vanavond als ik ga stappen met Jeanny en Lieke – ik kan niet wachten! Mijn oog valt een zwarte satijnen top en op het moment dat ik die uit het rek trek klinkt er achter me een stem die ik zo snel niet kan thuisbrengen maar waarvan mijn nekharen onbewust overeind gaan staan. Als ik me omdraai kijk ik recht in haar schijnheilige smoel.

‘Lekker aan het shoppen?’ Ze lacht maar haar ogen lachen niet mee. Ik antwoord niet. Kijk haar alleen vragend aan.
‘Heb jij nog iets van ze gehoord?’ Natuurlijk snap ik donders goed waar ze op doelt.
‘Ze?’ Ik trek mijn wenkbrauwen op.
‘Nou ja. Ik kan Hugo maar niet te pakken krijgen.’

‘Dat ken ik. Vervelend is dat hè?’ Het was eruit voordat ik er erg in had. Ze knippert met haar ogen. Uit het veld geslagen. ‘Als je het niet heel erg vindt moet ik weer verder. Succes ermee verder.’ Ik stap om haar heen. Met de zwarte satijnen top in mijn ene hand en de tas met mijn nieuwe loafers in de andere. In de paskamer haal ik een paar keer heel diep adem want ik kom lucht tekort. Had ze nou echt gedacht dat ze het uitgerekend met mij over Hugo kon hebben? Zou ze echt zo onnozel zijn? Ik trek de top aan en meteen ook weer uit. Als ik terugkom in de winkel is ze nergens meer te bekennen. Ik loop naar de kassa en trek de pas van de en/of rekening om mee te betalen – nu het nog kan. Buiten gekomen pak ik mijn telefoon.

‘Ik werd net aangeklampt door je vriendin. Ze probeert contact met je krijgen begrijp ik.’

Ik druk op verzend en loop terug naar huis. Als ik onder de douche sta hoor ik mijn mobiel pingen.

‘Waar?’ vraagt Hugo. Ik schiet in de lach.

‘Waar ik haar tegenkwam?’ app ik terug en daarna een nieuwe app met een rits van de emoji’s met het gezicht dat huilt van het lachen.

Hoofdstuk 49

Na het restaurant gaan we naar een kroeg en vandaar naar Sociëteit De Kring waar Lieke lid van is. Bij binnenkomst zie ik hem meteen zitten. Pontificaal op het biljart op dezelfde plek waar ik zelf zat toen ik hem een paar maanden geleden hier was tegengekomen toen ik met Suzan was. Jong en blond en lekker. Hij steekt zijn hand naar me op en lacht. Jongensachtig en opgetogen. Dan springt hij van het biljart af en komt naar me toe.

Mooie vrouw! Wat heb ik lang gehoopt om je hier nog eens tegen te komen.’

Ontwapenend, innemend, kwetsbaar. Lief. Ik lach.

‘Ga je weer met me zoen/schuifelen als ik Angie van de Stones aanvraag?’

Hoe zou ik dat nou kunnen weigeren?’

Hij laat er blijkbaar geen gras over groeien. Jeanny en Lieke komen tussenbeide omdat ze voorgesteld willen worden. Achter zijn rug steekt Jeanny haar duim naar me op. Lieke stoot me aan. Ik pak het glas van haar over dat ze me voorhoudt en hef het naar hen en dan naar hem. Hij loopt naar de dj. Als even later Angie wordt ingestart, trekt hij me mee. We schuifelen en zoenen en zoenen meer, totdat de muziek verandert en het schuifelen over is. Hij trekt me aan mijn hand mee terug naar het biljart en klopt er twee keer mijn zijn vlakke hand op om te gebaren dat ik naast hem moet komen zitten. Ik steek drie vingers de lucht in naar Jeanny en Lieke: duim, wijsvinger, middelvinger – ons gebaar om aan te geven dat het te gebeuren staat. Ze gebaren terug dat ze die wel hadden zien aankomen.

‘Ga je met me mee?’ vraag ik hem terwijl ik met de rug van mijn hand over zijn wang strijk. We lopen samen over het plein richting het park om zo door te steken. Hand in hand, zwijgend en af en toe stilhoudend voor een zoen. Tegen de tijd dat we bij mijn huis komen, voelt mijn lijf alsof het in de fik staat. Zwijgend gaan we naar boven. Zwijgend kleden we ons uit en ook tijdens het vrijen zijn we stil. We hebben alle tijd. Halverwege sukkel ik een beetje weg. Hij fluistert me weer bij de les en vervolgt zijn ontdekkingstocht verder naar beneden. Als ik ongedurig word verhoogt hij het tempo.

De volgende ochtend hoef ik mijn ogen niet eens open te doen om terug te keren op deze aarde. Mijn hand niet eens uit te strekken om zeker te weten dat ik hem niet gedroomd heb. Ik ruik zijn kruidige okselgeur en hoor zijn adem op en neer gaan. Heel stil en heel regelmatig. Hoe lang is het geleden dat ik zo wakker werd? Ik rol op mijn zij. Houd mijn ogen nog even dicht zodat ik beter kan ruiken. Ik strek mijn wijsvinger uit, maar bedenk me. Dan doe ik mijn ogen open. Ik kijk naar de boekenkast, het schilderij aan de muur boven de schoorsteen en de grillige patronen in de gordijnen waar al licht doorheen sijpelt. Hij beweegt traag. Even later voel ik zijn voet tegen mijn been, zijn arm die zich uitstrekt naar mijn hoofd en licht mijn wang raakt. Samen onder de douche, samen naar beneden. Hij loopt door de woonkamer. Kijkt naar de foto’s op de schoorsteen en haalt Teddy aan die ligt te soezen in de serre. Hij komt achter me staan terwijl ik koffiezet. Met zijn armen om mijn middel en zijn hoofd in mijn nek. Kijkt toe terwijl ik eieren bak – met de dooiers stuk omdat we dat allebei liever hebben.

‘Ik heb het van je te pakken, Britt. Ik vind je leuk. Dat vond ik destijds meteen al.’

Ik haal even diep adem omdat ik dit moet zeggen. Ik moet zeggen dat ik hem ook heus wel leuk vind, dat gisteravond en vannacht me goed gedaan hebben, maar dat er een ‘maar’ is. Want dit is nog niet het moment om opnieuw te beginnen. Hij moet geen verwachtingen hebben. Ik heb nog heel veel te doen de komende tijd. Verbouwen, verhuizen, opnieuw beginnen, voor mijn dochter zorgen, werken, mijn leven verder vormgeven. En dat is een weg die ik alleen wil gaan. Omdat ik nog maar net een klein beetje begin te voelen hoe goed ik dat kan in mijn eentje en hoe belangrijk het is om autonoom te zijn.

Maar gisteren en vannacht waren fijn.’

Hoofdstuk 50 – Het laatste deel

De notaris feliciteert me en van de makelaar Marc krijg ik drie zoenen. Vanaf nu is het huis van mij. Suzan is de eerste die me appt om me te feliciteren en om te vragen of Chrissy en ik aan het einde van de middag langskomen om het te vieren. Daarna belt mijn moeder en appt mijn zus. Buiten staan Lieke en Jeanny me op te wachten. Samen lopen we naar mijn nieuwe huis. Het slot wringt – heen en weer, trekken, duwen en dan floept de deur open. We staan met z’n drietjes in het piepkleine halletje dat bezaaid ligt met reclamefolders en kranten.

‘Klaar voor de klim?’ Tweeëndertig treden tel ik hun voor.

‘Dat sportschoolabonnement kan er morgen uit,’ hijgt Lieke.

In de keuken gaan we op het aanrecht zitten. Even later knalt de kurk met een lange echo door de lege ruimte. Ik gooi de balkondeuren open. De bladeren van de rode beuk in de binnentuinen zijn herfstig bruinrood verkleurd. We drinken onze glazen leeg en gaan dan de trap op naar de bovenste verdieping. De badkamer ziet er nog armetieriger uit dan eerst nu die leeg is.

‘Leuk Britt,’ zegt Jeanny. ‘Niks meer aan doen.’

Het idee dat morgenochtend in alle vroegte drie mannen met sloophamers komen en dat ik overal in mijn eentje over ga, geen rekening hoef te houden en rekenschap hoef af te leggen maakt me licht in het hoofd. Nog drie weken te gaan. Drie weken om te verbouwen en het oude huis leeg te maken. Zoveel dozen, zoveel spullen, zoveel herinneringen om afstand van te nemen. Zoveel nieuwe herinneringen om te maken.

Een jaar geleden begon ik nu zachtjes aan af te aftellen voor de skivakantie. Kleren aanschaffen voor kerst en oud en nieuw, weer een maatje grotere skibroek voor Chrissy, een vers tubetje sun block. De jaren van altijd sneeuw met de kerst en altijd dansend het nieuwe jaar in zitten erop. Net zo goed als de jaren van eindeloos wachten op zijn sleutel in de voordeur en zijn voetstappen op het marmer van de gang. Het is goed zo. Beter.

Op de dag van de verhuizing zit ik om vijf uur ’s ochtends al beneden. Hugo stapt een uur later binnen.

‘Ben je uit je bed gevallen?’

‘Moet jij zeggen.’

We drinken nog even koffie – voordat ik de laatste doos dichtvouw – en maken samen een laatste rondje door het huis. Halverwege wordt het me te veel. Hugo slaat zijn armen om me heen.

‘Niet huilen Britt.’ Zijn stem breekt.

‘Moet jij zeggen.’

De verhuizers bellen om half acht aan. ‘De blauwe verhuisstickers voor uw man en de rode voor u, was het toch?’, vraagt de baas van het stel.

‘Ex man’, antwoord ik.

‘Ex dus. Nou. Dan valt het hier wel mee.’ Ik kijk hem vragend aan.

‘Laats waren we bij een stel waar de derde wereldoorlog werd uitgevochten. De schilderijen vlogen door de lucht en dat bedoel ik letterlijk. We moesten bukken om ze niet tegen onze harses te krijgen.’

We kijken elkaar aan, mijn ex man en ik.

En dan komt het moment om alles wat van ons samen was af te sluiten en achter ons te laten. Met een vrachtwagen vol met meubels en losse spullen en stapels verhuizendozen met rode stickers arriveer ik even later een paar straten verderop waar mijn nieuwe leven staat te popelen om te beginnen. Het behang in het trappenhuis is zilver geschilderd en de donkerbruine jaren zeventig lambrisering is nu hoogglanzend wit. De trap is opnieuw bekleed met zwart gemêleerd tapijt.

‘Het lijkt hier wel Kuifje op de maan,’ hoor ik een van de verhuizers zeggen.

Het huis ruikt naar verf. Schoon en nieuw en fris. Als alles is gelost bevrijd ik Teddy, die de dag panisch mauwend in haar mandje heeft door moeten brengen. Ze schiet, nog steeds in paniek de keuken uit en het gangetje door. Ik begin met de dozen in de keuken. De lege dozen vouw ik op en leg ik op het balkon. De stapel groeit naarmate de keuken vordert. Om half vier wordt er aangebeld. Het is Chrissy die haar eigen sleutel nog niet heeft. Nieuwsgierig steekt ze haar hoofd om de hoek van de keuken. Voordat ik kan voorstellen om samen naar boven te gaan is ze al weg, de trap op naar haar eigen kamer waar alle lampen en de gordijnen al zijn opgehangen en haar bed al staat. De muren zijn geschilderd in Chrissy’s lievelingsblauw. Op de drempel blijft ze staan.

‘Cool mam.’

Ik ga op zoek naar Teddy die ik in de woonkamer onder de bank vind. Ik lok haar, til haar op, probeer haar gerust te stellen en neem haar mee naar boven naar Chrissy. Dan wordt er weer aangebeld. De contouren van zijn silhouet krijgen meer vorm naarmate hij meer treden naar boven heeft afgelegd.

‘Ik dacht, ik kom even bij jullie kijken. Even bij Chrissy kijken.’

Hij hijgt als hij boven komt. Bij de openstaande balkondeuren blijft hij staan staren met zijn rug naar me toe. Dan draait hij zich om en slaat hij, voor de tweede keer die dag, zijn armen om met heen.

‘Eigenlijk hebben we het helemaal zo slecht nog niet gedaan, Britt.’

‘Dat klopt Hugo. In van elkaar scheiden waren we zelfs best goed.’

Door: Redactie Franska.nl

Afbeelding van Redactie Franska.nl
newsletter image
newsletter close button newsletter image
Word jij ook gezellig
Franska vriendin?
Zo maak je kans op
prijzen en uitjes!