songfestivalfeest
songfestivalfeest

 

Anna Maria is 48, moeder van een dochter van vijftien en ze woont in de Randstad. Na twintig jaar strandt haar huwelijk. Op deze plek deelt ze wekelijks haar ervaringen. 

 

‘De blauwe verhuisstickers voor uw man, de rode voor u en de gele naar de opslag was het toch?’ De baas van de verhuizers is een beer van een kerel. ‘Ex-man’, antwoord ik. Hij kijkt me aan. Niet-begrijpend eerst. Dan valt het kwartje. ‘Ex dus. Nou. Dan valt het hier wel mee.’ Nu is het mijn beurt om niet-begrijpend te kijken. Wat hij bedoelt is dat het zoveel erger kan dan hier bij ons. Laatst nog: oorlog was het tussen die twee. De schilderijen vlogen door de lucht, en dat bedoelt hij letterlijk. ‘We moesten bukken om ze niet tegen onze harses te krijgen.’ 

 

We kijken elkaar aan, mijn ex-man en ik – en beginnen te lachen. We lachen zoals we dat deden toen alles nog koek en ei was en we aan een half woord genoeg hadden. Of eigenlijk zoals we dat deden toen er zelfs helemaal geen woorden nodig waren om precies te weten wat er in elkaars kop omging. Het besef elkaar nog steeds door en door te kennen ontroert me. Mijn lach wordt een soort snik en houdt dan op. Hij komt naar me toe en slaat zijn arm om me heen. Zegt dat hij vindt dat we het eigenlijk helemaal zo slecht nog niet gedaan hebben. ‘Toch?’ Ik kijk naar mijn sneakers en trek met mijn rechtervoet rondjes over het parket. Links en rechts sjouwen de verhuizers langs en om ons heen met dozen en meubels. De beer van het spul roept dat ze bijna ‘geladen’ zijn. 

 

Hij staat nog steeds met zijn arm om me heen, mijn ex. ‘Nee. We hebben het eigenlijk helemaal nog niet zo slecht gedaan’, zeg ik. Het lachen is ons vergaan nu we op het punt staan om het hoofdstuk ‘samen’ af te sluiten. Sleutel in de deur en nooit meer terug. Als we er over een paar dagen voorbijlopen zijn we net als iedereen passanten en moeten we het doen met onze herinneringen en de foto’s die ik keurig verdeeld heb over de dozen met de blauwe, rode en gele verhuisstickers. Hij vraagt of hij straks even langs zal komen in mijn nieuwe huis. Ik knik van ja. Straks, als de beer van het spul het teken ‘los’ heeft gegeven zien we elkaar nog wel even. Al is het maar omdat we samen de ouders van onze dochter zijn en omdat zij ons verbindt voor het leven, denk ik.

 

‘Komt goed’, zegt hij. Ik hoef hem niet aan te kijken om te weten wat er in hem omgaat. ‘Komt goed’, zeg ik terug. Alsof we nog steeds geen woorden nodig hebben.’

 

Benieuwd naar hoe het begon? Lees het hier.