Funda voor vogels

 

Wieke heeft haar man er wel heel goed ingeluisd… Gelukkig heeft hij een goed gevoel voor humor en pakt hij haar ook weer heel goed terug

 

 

Toen we ons vakantiehuisje verkochten, kregen we van de makelaar een vogelnestkastje. Wij geen huisje meer, maar de vogels wel, zo was zijn attente gedachte. Ik heb hoogtevrees, dus ik ga geen ladder op om het kastje op te hangen. Het staat al weken op de grond en grappig genoeg komen er toch steeds vogels kijken.  Maar kijkie kijkie niet kopie, hè? Het moet hóóg hangen van hen. 

 

We hadden trouwens meer vogelhuisjes, zo ontdekten we bij onze Grote Opruimactie. Het nestkastje dat er al honderd jaar hangt wordt elk seizoen bevolkt door een mezensetje.  De bewoners voor ons bedongen met klem dat we dat kastje niet weg mochten halen. Natuurlijk niet. Het krioelt van de mezen in onze tuin. Appelvinkjes, sijsjes, roodborstjes, bonte spechten, Vlaamse gaaien, merels, lijsters, winterkoninkjes, boomklevers… Ze vinden het allemaal jofel bij ons. Ik doe er alles aan. Hang verantwoord eten op (mag best van de vogelbescherming, ook in het voorjaar) en in de winter laten we de bladeren in de borders liggen. 

 

 

Na zeker 27x keer vragen gaat man eindelijk haken halen voor de nestkastjes. Nu schijnen veel vogels eerst poolshoogte te nemen voordat ze besluiten het kastje definitief te betrekken. Geef ze eens ongelijk. Eerst een grondig bouwkundig onderzoek. Als ze allemaal hangen, vind ik het tijd voor een geintje. Ik heb een nepvogeltje dat er bedrieglijk echt uitziet. Zat in een bloemstukje. Ik wurm hem in het gaatje van het nestkastje. ‘Kom eens kijken, er zit er al eentje in!’ roep ik opgetogen tegen man. 

 

‘Goh, dat is snel!’ zegt hij verbaasd. ‘Zo zie je maar weer, je bent geen minuut te vroeg met je ophangwerkzaamheden,’ roep ik blij. Hij haalt zijn fototoestel. ‘Niet bewegen,’ waarschuwt hij, ‘anders vliegt hij weg!’ Hij richt de lens op het diertje en drukt na minutenlang pielen eindelijk af. Hij kijkt nog eens goed. ‘Het lijkt wel alsof hij dood is,’ oppert hij, ‘toch niet natuurlijk hoe hij in het gaatje hangt?’ Ik stik er bijna in, zo’n leuke grap vind ik het van mezelf. Uiteindelijk lacht hij ook. Met een beetje kiespijn.

 

 

Ik zit te tikken als man rond halfzeven roept dat het eten klaar is (wij koken om de beurt). Lekker, om zo aan te kunnen schuiven. Stomverbaasd kijk ik op mijn bord. Daar ligt het nepvogeltje, op een bedje sla. Bij man ligt een stuk kip. ‘Ik dacht: we kunnen wel weer eens gevogelte eten,’ zegt hij bloedserieus. En met een stalen gezicht: ‘Eet ze!’  We krijgen de slappe lach. Twee keer bejaardenlol om een dood vogeltje, zouden wij ons zorgen moeten maken over onszelf? 

Door: Wieke Biesheuvel

Wieke Biesheuvel werkte en woonde zes jaar in Zambia, is nu voorgoed terug en probeert het Nederlandse leven weer onder de knie te krijgen. Waarbij ze beurtelings verbaasd, boos, dolgelukkig, verward of blij is.

Afbeelding van Wieke Biesheuvel