Wanneer ben je rijk?

Als je huis is ingericht volgens de laatste modetrends? Of als iedereen er graag komt?

 

‘Is je huis nou nóg niet af?’ vraagt iemand. En tot mijn schaamte moet ik bekennen dat dat zo is.

 

Of schaamte?? Waarom moet ik me er eigenlijk voor schamen? Wie doe ik er kwaad mee als mijn huis geen toonzaal is? En wanneer ben je eigenlijk klaar?

 

Vijftien jaar geleden zagen wij dit huis telkens weer voorbijkomen in de krant. Te veel ruimte, te veel grond, te veel werk en te veel geld. We hadden het al twaalf keer van buiten bekeken, de mogelijkheden besproken, het opzij gelegd, nóg eens bekekenen, wéér weggelegd, en toen besloten om – uit pure nieuwsgierigheid – toch maar een afspraak te maken om binnen te kijken. Het stond nu zó lang te koop, er móest wel iets mis mee zijn, dachten we. En we hoopten dus dat we er – na het zien van de binnenkant – eindelijk eens klaar mee zouden zijn.

 

Maar het tegendeel gebeurde! Wij zagen de ruimte, de mogelijkheden, de schade, de “authentieke” details, de enorme hoeveelheid werk, de groeiende hypotheeklast, en we dachten: wie wil dat nou niet?

 

En dus deden we een heel raar bod (raar laag, omdat we niet meer hadden) en hoopten we dat we het daarna alsnog konden vergeten.

 

Maar tot onze grote schrik ging de verkoper akkoord en hadden we ineens nergens meer tijd voor, en ook geen geld. Zaten we ineens met zeeën van ruimte, hoofden vol plannen, tafels vol bouwtekeningen, pen, papier en (vooral) een rekenmachine. ‘Jullie zijn rijk’, zei iedereen. Maar ik twijfelde.

 

Er volgde toen een drukke tijd. En ik zal je de toestanden à la “Ik vertrek” besparen, maar na veel slopen en héél hard werken waren twee slaapkamers omgebouwd tot een keuken (met een rare scheve vloer), was het dak vervangen (maar hadden we nog steeds lekkage), was de riolering omgelegd (en daardoor de hele tuin verzakt) en waren ook de kozijnen vervangen, en dat ging in één keer goed.

 

Helaas viel nog wel de garage om – toen een buurjongetje zijn bal eraf wilde pakken en door het dak zakte – maar vooruit, een kniesoor die daarop let. 

 

Echt! Nu ik het opschrijf denk ik: ‘”Ik vertrek” was er eigenlijk niks bij!’

 

Zeker toen we daarna ook nog een muur wegsloegen die vol bleek te zitten met waterleidingen en gasbuizen. Toen was ik het wel even zat, en wilde ik eindelijk toegeven dat (ver)bouwen gewoon een vak is.

 

Maar ja… toen was de zak met centjes natuurlijk al leeg. Toen moest het plan voor de antieke houten vloer dus worden geschrapt, en mocht de oubollige openhaard gewoon lekker blijven staan.

 

 

Dan maar geen “vt-wonen-huis”!

 

En weet je? De goedkope laminaatvloer, die mijn gedroomde kasteelvloer heeft vervangen, die ligt er nog steeds! We zijn inmiddels dus vijftien jaar verder en ik vind hem eigenlijk nog wel mooi. En praktisch! Ik kan dweilen tot ik een ons weeg, en mijn man is inmiddels kaal geworden, maar mijn vloer dus niet! Dan ga ik hem toch niet vervangen?

 

De vloer, hè?! Mijn man, daar heb ik tijdens de verbouwing weleens over gedacht, maar dat was waarschijnlijk geheel wederzijds toen.

 

En nu hebben we van het geld dat we opnieuw hadden gespaard voor de vloer dus maar gezellig een tuinhuisje gebouwd voor logées. En dat brengt hier erg veel gezelligheid!

 

‘Dus wanneer is je huis eigenlijk af?’, denk ik wanneer die vraag wordt gesteld.

 

Als alles spiksplinternieuw is, en volgens de laatste modetrends is ingericht?

 

Of toch, als iedereen zich er thuis voelt en graag langskomt?

 

Ik vind mezelf eigenlijk rijker met dat laatste!

 

Door: Tineke

Tineke is schrijfster van de boeken “Toch?” en “Stof Genoeg” en ze blogt ook zo nu en dan. Ze woont op het platteland met één (leuke) man, twee (lieve) kinderen, drie (onbespeelde) muziekinstrumenten, vier (wisselende) mantelzorgprojecten, een (bijna) vijfde boek, haar zesde (luie) kat, en (dus) ongeveer zeven muizen.

Afbeelding van Tineke