Waarom je nooit in een luchtballon moet stappen

esther goedegebuure

 

Ik ben in de Achterhoek, in het vakantiehuisje van de familie van mijn man, helemaal alleen.

 

 

 

Tenminste, als je het gezelschap van mijn hondje niet meerekent en dat zou onterecht zijn want ze laat zich nogal gelden. Ze blaft tegen alle koeien die ze ziet, tegen een enkele auto die ze honderden meters verderop voorbij hoort razen, tegen de kikkers die ze hoort kwaken. Ze bewaakt ons fort in het bos alsof er een pot goud onder mijn bed ligt en zij een bloeddorstige draak is.

 

Het enige van waarde dat ik bij me heb, is de laptop waarop ik mijn boek aan het schrijven ben. Dat boek is ook precies de reden dat ik hier zit. Kilometers moet ik maken, ik mag pas naar huis als ik 10.000 bruikbare woorden heb opgetikt. Als ik een paar dagen kan leven als een kluizenaar met aldoor dezelfde legging aan en ongewassen haar in een knot, als ik niet hoef te koken maar kan leven op boterhammen met pindakaas en Pyramidedrop en verder aan niets en niemand aandacht of energie hoef te besteden, dan moet dat lukken.

 

Mits die waakhond ophoudt met blaffen.

 

Als ze echt onuitstaanbaar wordt blijkt dat er op het weiland aan de overkant een luchtballon probeert te landen. De afgelopen dagen zag ik ze vaker, die ballonnen, hangend in de lucht als gekleurde kwallen in de zee. Op mooie, heldere zomeravonden stikt het ervan in deze regio.

 

Waarom zou je, vraag ik me altijd af. Zo’n ding kan je dood worden. En ik kan het weten.
In februari 2013 maakte ik samen met mijn schoonfamilie een reis door Egypte, we waren met zeven volwassenen en acht kinderen. Na het mythische Cairo en een fantastische boottocht over de Nijl, wilde mijn zwager ons in Luxor trakteren op een heel bijzondere verrassing. In het holst van de nacht moesten we opstaan en reden we naar de Vallei der Koningen, waar de graven van de Farao’s gevonden waren. Met zonsopgang zouden we een ballonvaart maken over het gebied dat in het ochtendlicht zo mooi van kleur verandert.

 

Een verschrikkelijk cadeau, vond ik meteen. Maar zeker onder de avontuurlijk ingestelde kinderen werd het met luid gejuich ontvangen. Na lang wachten ontstond er, vlak voor we aan boord gingen, gedoe. We gingen toch niet. Of toch wel. En toen toch echt weer niet.

 

Mijn zwager drong nog even aan, zeker toen de kinderen onder aanvoering van mijn middelste zoon hinderlijke symptomen van teleurstelling begonnen te vertonen. Maar de Egyptenaar was niet te vermurwen, de ballon bleef aan de grond. De rest van de dag werd besteed aan het bezoeken van de koningsgraven, waarbij mijn zoon uit protest zijn ogen steeds stijf dichtgeknepen hield.

 

De volgende dag vlogen we naar huis en belde mijn zwager ons dat we de televisie even aan moesten zetten. Er waren beelden van een neergestorte ballon in Luxor, van de twintiger opvarenden hadden negentien het niet overleefd. Het was dezelfde maatschappij, mijn zwager herkende het kantoortje waar hij zijn voorschot had op kunnen halen toen onze ballonvaart de dag daarvoor geannuleerd werd.

 

De blaf-radar van mijn hondenbeest staat in de regel iets te strak afgesteld, ik ben de eerste dat toe te geven, maar in het geval van alarm slaan bij een luchtballon heeft ze gewoon groot gelijk.

 

Ik zeg je: stap nooit in zo’n ding. Een reis door Egypte daarentegen kan ik van harte aanbevelen, ook met schoonfamilie.