Zij lacht, ik lach terug. We zien aan elkaars blik dat we allebei weten dát we elkaar kennen, maar waarván, dat weten we allebei niet. Als we naast elkaar in de slurf van het vliegtuig staan, weten we het weer. Natuurlijk! Van een vorige vlucht. Alleen nu ben ik zonder Flo, het grote herkenningsteken.
Ze vertelt me dat ze zo onder de indruk was van Flo en mij. Dat ze aan mensen had verteld hoe het ook kon: ik die Flo voorlas in het Engels uit Lady in Waiting en Flo die me verbeterde als ik ook maar een vrije interpretatie aan een syllabe gaf. Ik probeer haar te vertellen dat het er bij ons echt niet altijd zo perfect aan toegaat — en al helemaal niet in het vliegtuig — maar ze schudt haar hoofd. De liefde had haar geraakt, en vooruit: daar ben ik het eigenlijk wel mee eens.
We mogen het vliegtuig in, het rituele worstelen met de handbagage in de opbergruimtes boven de stoelen begint. We glimlachen nog, ten teken van ‘goede reis’, en duiken in ons boek. Bij het uitstappen lopen we toevallig weer naast elkaar richting de pendelbus. Zij blijkt ook een huis te hebben in Puglia, vandaar dus dat we elkaar al eerder troffen in de lucht. Nadat we wat favoriete restaurants delen (ik Da Michele in Torre Sante Sabina, zij de kleine trattoria in Speziale) daalt haar stem en zegt ze: “Mijn man is ernstig ziek. Dit is onze laatste keer samen naar Italië.”
Tussen al het vakantiegeweld om ons heen wordt er een schilletje om ons geworpen. Wij twee zijn even heel erg samen en verbonden. Ik leg mijn hand op haar arm en dan lopen we toch maar weer door. Haar man moet ondersteund als hij de stoep opstapt en ik moet rennen richting het portaaltje van Avis.
Ik denk nog wel eens aan haar. Aan haar man, hun laatste reis. Een jaar later reist mijn lief alleen naar ons huis. Als hij “Je raadt nooit met wie ik in het vliegtuig zat” zegt, weet ik het antwoord al. Ze had gepraat, gehuild en gezucht. We hadden aan haar gedacht, hoe dat nou zou zijn: je droom samen ineens solo beleven.
Deze zomer vlieg ik “even” heen en weer met mijn moeder vanuit Italië. Haar oudste zus is overleden en samen gaan we naar de begrafenis. Als we terugvliegen, zie ik op Schiphol een bekend gezicht. Een gezicht dat ik niet kan plaatsen. Een mooie vrouw met aan haar zijde een gelukkig uitziende man. We glimlachen naar elkaar; daar blijft het bij.
Als we op het vliegveld van Bari aankomen, staat mijn lief in de aankomsthal. De mooie vrouw en hij herkennen elkaar. En dan weet ik het weer. Zij is het. En de reden waarom ik haar niet kon plaatsen, was meteen het mooiste nieuws: aan haar zijde blonk een nieuwe liefde. Een nieuwe liefde en een nieuw leven.







