“En dan nog even wat familienieuws” we zitten op het Italiaanse terras van mijn vader. “Tante Miep is vorige week overleden.” Nog voordat ik een hand voor mijn mond kan slaan, gaat hij door in de geruststellende stand. “Ze is niet ziek geweest, heeft geen pijn gehad, ze was 86, heeft vijf gezonde kinderen op de wereld gezet en is een lieve oma geweest voor haar kleinkinderen.” Terwijl ik knik, kijk ik naar de keuken, waar mijn moeder aan het rommelen is. “Ach Pleuntje, je zús!” Als ze haar voet over de drempel zet, hoor ik haar zuchten. “Ja, zo is het leven. Maar ik heb besloten…” hier komt mijn dappere moeder om de hoek kijken “dat ik niet ga.” Ze zet haar argumenten uiteen. Mijn vader is te slecht ter been om haar te begeleiden, wij zijn hier in Italië met vakantie, mijn broer is in Frankrijk, dus het is ongelooflijk onpraktisch. Bovendien is ze gewend om op afstand te rouwen. De begrafenis van haar schoonvader en van haar moeder hebben mijn ouders allebei niet meegemaakt omdat ze midden op zee zaten. Een lichaam een paar weken gekoeld bewaren om zo de begrafenis uit te stellen, was hoogst ongebruikelijk. Ik denk terug aan de dag waarop ik, in een veel te warme trui maar hij was zwart en dat hoorde bij een begrafenis, de speech van mijn vader voorlas op de begrafenis van mijn opa Mobach. Droef dat ze er niet waren, maar trots dat ik dit voor hem kon doen. Zo hebben wij als familie vaker dingen beleefd. Fysiek op grote afstand maar verbonden in emotie.
We praten nog wat, daar op de veranda in Puglia. Over tante Miep, over de fietstochtjes die ze met mijn moeder maakte maar waarbij oom Henk dan semi-spontaan aansloot. De oudste zus, de eerste die uit huis ging en trouwde, het voelde allemaal heel echt en officieel voor mijnmoeder die zes jaar jonger was.
Als ik de volgende dag wakker word, knaagt er iets. Het is maandag, de begrafenis donderdag en het afscheid woensdag. Ik weet dat als ik mijn moeder tot een ‘ja’ wil bewegen, ik het grondig aan moet pakken. Mijn lief is het meteen met me eens. De laptop klapt open en we kijken naar beschikbare tickets. Als we dinsdag het eerste vliegtuig heen en donderdag het laatste terug nemen, lukt het. Ik bel mijn moeder. Ze neemt zowaar op. Als ik het plan voorleg, is ze even stil. En dan klinkt er een: “Dat zou ik heel erg fijn vinden.” Gevolgd door een “ik vind het een symbool van diepe liefde.”
Als ik tweeenhalve dag in nederland ben kan ik niet níet naar Flo gaan. Onmogelijk. Maar versjtier ik niet ons zorgvuldig opgebouwde bezoekschema dat elke dag met haar wordt doorgenomen? Ik app naar de begeleiding van haar huis. Flo zou een nachtje kunnen logeren bij mij, maar dan zijn papa, Bel, Iggy en Monti niet thuis, dat is misschien verwarrend. Een andere optie is gewoon op bezoek komen, maar dat zal ze lastig accepteren want ze verheugt zich enorm op een nachtje in ons huis. Begeleiding gaat in overleg. Een uurtje later krijg ik bericht van I., ons vaste contact. Dat ze het met Flo besproken heeft, dat Flo begrijpt dat alleen oma en ik er zijn en dat ze ook weet dat Monti op haar logeeradres is.
Dus daar sta ik dinsdagmiddag een kwartier voor het afgesproken tijdstip een beetje heen en weer te drentelen voor het huis van Flo. Dan hoor ik een heel hard “Mamaaaaaaaa” en rennen we zo snel naar elkaar toe dat Femke Bol ons een goedkeurend knikje zou geven. Ze zeggen wel dat elke donkere wolk een zilveren randje heeft en wij hebben die van ons even enorm te pakken.







