Onze poes Bibbel springt via mijn schoot op de tuintafel. Plompverloren valt ze om, bovenop mijn laptop. Terwijl ze de tuin scant op alles wat vliegt, maakt ze me het werken onmogelijk. Ik leun achterover en sluit een moment mijn ogen. Het zomerzonnetje verwarmt mijn gezicht en een zacht briesje doet de blaadjes aan de boom achter me ritselen. Het net gemaaide gras ruikt heerlijk. Alles lijkt perfect. Lijkt. Nog maar twee weken, dan is het zover. Ik zie er zo tegenop. De dagen die gaan komen. Ik kijk op mijn horloge en mijn gedachten dwalen af naar Sterre. Ze heeft op dit moment haar afscheidsgesprek met twee behandelaars.
Tot eind 2024 heeft Sterre een psychologe bij wie ze zich vertrouwd en begrepen voelt. Daar komt abrupt een einde aan als de psychologe overstapt naar een andere GGZ-aanbieder. Sterre mag van het systeem niet mee. Goede vervanging blijkt lastig. Sterres mentale ziekteis te ingewikkeld. Uiteindelijk neemt Sterres regiebehandelaar de taak noodgedwongen over. Sterre accepteert het: beter iets dan niets. Als maanden later de euthanasie in beeld komt, verslechtert de hulp. Ondersteuning op weg naar de dood is Sterre vanuit de GGZ niet gegund. Daar doen ze blijkbaar niet aan.

Van haar vroegere psychologe wil Sterre graag liefdevol afscheid nemen. Dat mag na intern overleg alleen in een sessie samen met haar huidige regiebehandelaar. Sterre wil gewoon ergens op een terras een theetje doen. Maar dat mag dus niet. Die afspraak met twee behandelaars tegelijk is zwaar voor Sterre. Ze denkt dat ze alsnog gaan proberen de euthanasie uit haar hoofd te praten. En ze wil niet meer strijden. Maar Sterre verzamelt alle moed, zoals ze al zo vaak deed, en gaat afscheid nemen.
Ik geef Bibbel een zet zodat ik mijn werk kan afronden. Zover komt het niet. De voordeur slaat open en nog veel harder dicht. Sterre stormt de tuin in en ik zie direct dat het mis is. ‘Was het een zwaar gesprek, lieverd?’ Sterre hapt naar adem. ‘Ze hebben het gewoon afgezegd. Fucking afgezegd.’ In haar ogen zie ik tranen. Van verdriet, van er niet toe doen, van niet mogen bestaan. Maar ook vuur. Strijdlust. Ongelooflijke woede. Sterre loopt helemaal leeg. ‘Twee uur van tevoren belt de balie. Dat mevrouw ziek naar huis is. Alsof ik niet ziek ben. Ik kom toch ook iedere keer opdraven.’ Ik wil haar troosten, maar een knuffel kan ze niet aan. Niet nu. Het liefst zou ik zeggen: hoe ziek moet je zijn om een afspraak af te bellen met iemand die dood gaat. Maar tot mijn eigen verbazing zeg ik: ‘Er is een pakketje voor je gekomen. Ligt in de keuken.’

Sterres gezicht klaart op. Ze stormt net zo hard weer naar binnen. Ik maak snel mijn werk af. Als ik mijn laptop dichtklap, kijk ik op. Sterre is nergens meer te bekennen. Enigszins bezorgd loop ik naar binnen. Sterre ligt op haar rug op de grond. In een donkerblauw pak dat ik nog niet ken. ‘Wat vind je?’ Sterre kijkt heel serieus. ‘Wat ik vind? Waarvan? antwoord ik onnozel. ‘Jezus, pap. Van mijn nieuwe pak. Het trekt iets teveel hier aan de zijkanten hè?’ Sterre plukt met haar vingers aan haar broekspijpen. ‘Vind je?’ zeg ik. ‘Misschien moet je even gaan staan, dan kan ik het beter zien.’ Mijn onnozelheid overschrijdt Sterres grenzen. ‘Staan. Echt hè, zei je dat nou? Nee, pap. Het is voor in de kist. Het moet vooral mooi zijn als ik lig. In-De-Kist.






