‘Ik dacht aan hem en aan haar. Aan hun samen. Giftig. Zij waren giftig.’

 

 

Gerda raakte in een psychose toen haar man haar verliet. Ze deed in die tijd dingen die ze zich nu niet meer kan indenken.

 

‘Toen ik met die schroevendraaier onder mijn jas door zijn straat liep, bonkte mijn hart letterlijk in mijn keel. Ik probeerde uit het licht van de straatlantaarns te blijven, dicht tegen de huizen aan. Hoewel de meeste gordijnen dicht waren en sommige huizen al donker, was ik bang dat iemand mij zou zien. Ik sprak mezelf toe dat het niet uitmaakte of iemand me zou zien, want er was immers nog niets gebeurd. Trouwens: wie kende mij hier nou in deze straat? Ik zei tegen mezelf dat ik nog altijd rechtsomkeer kon maken, gewoon terug naar mijn eigen huis kon gaan.’

 

‘Zijn auto stond niet voor het huis waar hij nu woonde; het huis van die andere vrouw. De vrouw die mijn leven kapot had gemaakt, me alles had afgenomen wat ik had. Ik keek omhoog naar haar slaapkamerraam, maar alles was donker. Zouden ze wel thuis zijn? Ik liep nog een half blokje verder. En daar stond zijn auto, zijn trots, te glimmen in het licht van de straatlantaarn. Met een hart dat nog heftiger bonkte dan het al deed, verschanste ik me in het portiek van een huis. Ik keek wel tien keer naar rechts en links de straat in en omhoog naar de ramen van de huizen aan de overkant. Verderop kwam iemand aanlopen. Ik wachtte totdat het geklikklak van de hakken wegstierf in de donkere straat en het weer stil was.’

 

‘Ik dacht aan hem en aan haar. Aan hun samen. Nog een laatste keer keek ik om me heen, voordat ik met de schroevendraaier stevig in mijn rechter hand geklemd, de punt naar voren gericht, naar zijn auto liep. Ik begon bij het achterspatbord. Met alle kracht drukte ik de punt in de autolak en maakte ik een kras van achter naar voren. Niemand te zien, niets aan de hand. Ik nam wat afstand om te kijken wat ik had aangericht. Dat viel me alles mee! Nog een baantje dan maar. En nog een en nog een. Op een gegeven moment liet ik de punt cirkels draaien. Ik dacht aan hem en aan haar. Aan hun samen. Giftig. Zij waren giftig.’

 

‘De dag erna had ik een onweerstaanbare drang om terug te gaan, zodat ik kon zien hoe erg de schade was. Pyromanen deden dat ook, teruggaan om te kijken, dus zo gek was dat niet. Toch ging ik niet terug. Nog niet in ieder geval. Een aantal weken later wel. Om precies hetzelfde uit te halen. De zijkant van zijn auto was al overgespoten. Alsof er niets was gebeurd en ik er nooit eerder was geweest. Alsof ik was uitgegumd. Voor deze keer had ik speciaal een nieuwe schroevendraaier gekocht. Met een punt die nog scherper was dan de vorige. En weer maakte ik banen en kringen en rondjes en ging ik daarna naar huis. Alsof er niets was gebeurd, wat feitelijk ook zo was. Want de volgende dag was alles nog gewoon hetzelfde.’

 

‘Natuurlijk ging ik weer terug. Simpelweg omdat ik moest weten hoe die auto erbij stond. Weer overgespoten, weer al mijn sporen gewist! En toen flipte ik. Want de schade die ik hem toebracht moest hoe dan ook blijvend zijn. Er moest nog een derde keer komen en die keer nam ik een fles wasbenzine en een kaarsenaansteker mee. Ik zou een van de banden overgieten en aansteken en dan zou de rest vanzelf gaan. Toen ik de vlam bij de band hield, ging er ergens een voordeur open. Ik sprintte er niet eens vandoor. Liep rustig weg, naar het einde van de straat. Achter me hoorde ik gegil om water. Er gingen meer voordeuren open. Toen ik me omdraaide zag ik iemand naar haar huis rennen. Het huis waar hij nu woont. Ik zou willen wachten totdat ze naar buiten kwamen. Zij samen. Ze hebben alles kapot gemaakt wat ik had. Me alles afgenomen wat ik ooit bezat. Zij samen. Giftig!’

 

Gerda’s naam is vanwege privacy gefingeerd. Haar echte naam is bekend bij de redactie.

 

Moet jou ook iets van het hart en wil je dat (anoniem) met ons delen? Stuur dan een mail naar info@franska.nl onder vermelding van ‘dit moet ik even kwijt’.