‘Mama, je vindt me wél lief.

 

Ik kijk recht voor me uit. ‘Mama, doe je mond eens open.’ Flo zit naast me in de auto en doet alles om mijn aandacht te vangen. 

 

‘Mag ik je een kusje geven?’ ‘Ja, je vindt me lief. Zeg dat je me lief vindt.’ Ik doe mijn best niet te reageren. Natuurlijk zou ik het liefst mijn auto parkeren bij restaurant De Bokkedoorns waar we wekelijks wandelen, mijn gordel losklikken en haar serieel knuffelen. Maar ik doe het niet. Ik speel nog even hard to get. 

 

Ik moet denken aan onze dierbare vriend B., die jaren geleden in een nogal turbulente relatie verwikkeld was. De ene dag kreeg hij de complete Dikke van Dalen naar zijn hoofd geslingerd, de volgende dag lieten ze elkaar alleen los om naar de wc te gaan. Vandaag voelt mijn relatie met mijn meisje ook zo. Tien minuten terug in het trampolineparadijs vond ik haar niet zo lief. Toen ze schreeuwde dat ik haar naar haar school moest brengen (best lastig op zaterdag, maar ga dat maar eens uitleggen aan een puberend autistje met een beperking), toen ze ondersteboven in de Ola-ijsbak lag en gilde om een ijsje en natuurlijk de meest calorierijke Cornetto wilde en een klein waterijsje te min vond, toen ze haar zusje dat haar wilde troosten een duw gaf zo hard dat ze achterover viel, en toen ze de voordeur blokkeerde omdat ze weg wilde. 

 

Toen dus even niet.

 

Ik had het allemaal iets anders bedacht. Samen met vriendin L. en onze bloedjes naar het trampolinepark. Een cappuccino, een klets en af en toe een kind dat een knuffel komt halen. En een salto laat zien, of iets dat daarbij in de buurt komt. Het liep anders.

 

En nu zitten we in de auto. Dat doen we tegenwoordig als ik het even niet meer weet. Ik rijd zonder bestemming, zij aait mijn tranen weg. Dat ik niet moet huilen. Dat ze me nooit meer verdrietig zal maken. Ze gelooft het echt.

 

We zien de zee en draaien om. Net op tijd om de meisjes op te halen. Ik gluur van een afstandje. Mijn vriendin staat bij het grote luchtmatras, filmpjes makend van mijn meisjes. Als jongensmoeder weet ik dat ze hiervan geniet. En dat mijn meisjes in goede handen zijn bij haar en dat ze het niet erg vindt dat ik zeker een half uur weg was. Veroordelen, dat woord kent ze niet eens. Het enige voor wie ze het erg zal vinden, is voor Flo en voor mij. 

 

Ik zeg haar dat ik maar even naar de wasstraat rijd met de meisjes. Ook zoiets dat we tegenwoordig doen na een explosie. Even rust in de tent. En therapeutisch stofzuigen. Vriendin L. gaat mee. Het hoeft echt niet, maar ze doet het. De meisjes kruipen bij haar achterin, maar graaien nog wel even het zakje Chokotoffs uit mijn dashboardkastje mee. Flo zit bij mij achterin en L.’s zoon zit naast mij. Hij zal wel even uitzoeken hoe mijn motorkap open moet (ik heb werkelijk geen idee) en zal daarna mijn ruitenvloeistof bijvullen. Die heeft hij zelf de vorige keer leeggespoten, maar dat terzijde. 

 

De wasstraat doet zijn werk. Als we eruit rijden is alles weg. Het zand op de achterbank en de rotzooi in mijn hart. Ik knuffel mijn vriendin, high five met haar zoon. 

 

Op de terugweg denk ik aan de woorden van een moeder met een moeilijk kind. Thuis is een oorlogsgebied geworden, zei ze me. Ik kijk naar mijn meisje dat weer naast me zit, ze kijkt een filmpje van mensen die in een achtbaan gaan en de gekste gilletjes produceren en giert van de lach. Een oorlogsgebied is het bij ons absoluut niet. Maar dat ik af en toe wandel op een mijnenveld, ja, dat kan ik niet ontkennen.

 

Door: May-Britt Mobach

Afbeelding van May-Britt Mobach