Luc had een geheim Noors fietsmaatje Britta
 

Guusje en Luc leidden feitelijk een gescheiden leven. Pas na zijn dood bleek Luc heel graag in Noorwegen te fietsen met een speciale reden.

 

 

Ik kwam Guusje tegen en vroeg hoe het ging. Het automatische ‘goed’ bleef uit. Een jaar geleden was ik op de begrafenis van Luc, haar man, en vriend van mij. Guusje had mooi gesproken. Ze had het unieke van hun huwelijk benadrukt, ze waren dol op elkaar, al dertig jaar, maar leidden eigenlijk twee gescheiden levens.

 

LUC HIELD VAN LEZEN, GUUSJE NIET. LUC HIELD VAN TUINIEREN, GUUSJE NIET.

 

Guusje in haar toespraak: ‘Hoe het verder met de tuin moet, ik weet het niet’. Guusje hield van stedentrips, Luc niet, Luc wilde altijd en overal fietsen, vooral daar waar bergen zijn. De repeterende discussies daarover waren voorbij. Guusje ging met vriendinnen naar Rome en Madrid, Luc zette in juli zijn fiets achterop de auto en reed naar Stavanger. ‘Lekker fris en stil en wat is de natuur daar mooi’. Zo ging het al veertien jaar. Ik sprak Luc vaak, en Guusje eigenlijk nooit.

 

Maar nu wel. We gingen op het terras zitten. Nog voor de witte wijn was gearriveerd, zei ze: ‘Ken jij ene Britta?’ Natuurlijk kende ik Britta, ik had met Luc vaak over haar gepraat. Maar ik zei zo luchtig mogelijk: ‘Britta, nee, hoe moet ik die kennen?’ Guusje nipte aan haar glas. Luc praatte mij de laatste tien jaar steeds bij over zijn fietsvakanties.

 

HIJ GING WEL ÉRG VAAK JUIST NAAR STAVANGER EN TOEN IK EEN VERMOEDEN UITSPRAK, ZEI HIJ: ‘JA, IK FIETS DAAR, MAAR IK HEB DAAR OOK EEN NOORSE LEREN KENNEN. EEN ONDERWIJZERES, BRITTA, ZE HOUDT OOK VAN FIETSEN. MAAR IN GODSNAAM, HOU HET VOOR JE.

 

Ik zie haar éen keer per jaar een maandje en af en toe, in de herfstvakantie, nog een paar dagen ergens anders’.

 

Ik hield het voor me. Ik was nog even bang dat Britta bij de begrafenis zou zijn, maar waarschijnlijk heeft ze het niet geweten. Guusje: ‘Ik ben thuis eindelijk aan het opruimen geslagen, Luc had zóveel boeken. Elk boek dat ik wegdoe, weeg ik in mijn hand om het tenslotte toch maar op de Kringloopstapel te leggen’. Uit een van de boeken was een ansichtkaart gevallen. Slordigheidje van Luc. Op de kaart uit Stavanger stond alleen maar: ‘Het was weer fijn, tot volgend jaar, je Britta’. Guusje: ‘Dat ‘je’, dat ‘weer’.

 

De Stavanger-gesprekken met Luc gierden door mijn hoofd. Guusje, monotoon: ‘Ik dacht dat ik alles van Luc wist. Maar niet dus’. Nee, niet dus. Luc had al tien jaar een zomerrelatie met een Noorse onderwijzeres. Vooral fietsen. Maar om dat nu hier postuum te vertellen, nee.

 

Guusje: ‘Ach weet je, ik had het niet eens erg gevonden, maar ik wil het weten, ik wil gewoon alles van Luc weten’. En met een zucht: ‘Ze zal wel van fietsen hebben gehouden’. Bijna knikte ik. Ze keek mij onderzoekend aan. Guusje: ‘Nog een wijn?’. ‘Nee nee’, zei ik laf.

 

 (Tenslotte begreep Britta waarom Luc niet meer kwam. Vier jaar later kwam ze om, bij een fietsongeluk)