Marie-Claire schaamt zich voor haar leven

 

Als Marie-Claire een studiegenoot van vroeger tegenkomt weet ze niet zo goed wat ze moet zeggen. Het leven dat ze had is weg en ze schaamt zich voor haar huidige situatie.

 

 

‘Het is koud als ik op de fiets zit. Ik duik met m’n gezicht nog wat dieper in mijn shawl. Bij het stoplicht wacht ik geduldig tot het licht weer op groen springt. Naast mij stopt een vrouw. Gedachteloos kijk ik naar haar jas. Een warme jas van een duur merk. Als ze mijn kant opkijkt herken ik haar, Dorine, een oud-studiegenootje van me.

 

Ze zegt me spontaan gedag en zet meteen haar fiets op de stoep. Ik kan niet anders dan hetzelfde doen. Ze vertelt honderduit over de afgelopen twintig jaar dat we elkaar niet meer hebben gezien. Ze heeft een eigen reclamebureau, samen met haar man. Ze heeft vier kinderen en ze woont in een huis in een van de mooiste buurten van de stad. Nieuwsgierig vraagt ze hoe het mij vergaan is.

 

Ik aarzel even en zeg dan dat het super gaat. Ook een mooie carrière, een fijne relatie, kinderen en een heerlijk huis. Als haar telefoon gaat gebaart Dorine dat ze op moet nemen. Voor mij het sein om snel op mijn fiets te stappen. Ik lach nog naar haar als ik wegrijd. Maar na een paar seconden verandert mijn lach in een grimas en voel ik de tranen achter mijn ogen prikken. Want van die mooie carrière, die fijne relatie en dat mooie huis is niets meer over. Ik zit op de fiets omdat ik op weg ben naar de voedselbank.

 

Het afgelopen jaar ben ik alles kwijtgeraakt. Nog voor de coronacrisis werd mijn contract niet verlengd en stond ik op straat. Mijn ex heeft in het begin van dit jaar flink geïnvesteerd in een tweede restaurant maar vanwege de maatregelen door de pandemie verdient hij al maanden niks en is al zijn spaargeld erdoorheen gegaan. De stress die dat opleverde was het laatste zetje om ons wankele huwelijk om zeep te helpen.

 

Ons mooie huis is inmiddels verkocht en de overwaarde hebben we gebruikt om de schulden af te betalen. Ik woon nu tijdelijk in het vakantiehuisje van vrienden. Mijn ex kan de kinderbijdrage door faillissement van zijn restaurants niet meer betalen, wat betekent dat ik niet meer rond kan komen.

 

Maar mijn kosten gaan gewoon door. De vaste lasten kan ik nog net betalen maar hoe ik de rest van de maand rond moet komen weet ik soms niet. Voor mijn kinderen vind ik het ook verschrikkelijk want ook hun leven staat volledig op z’n kop.

 

Alles wat vroeger zo gewoon was is weg. Hun eigen kamer thuis, hun school en hun vriendjes. Het is allemaal zo anders geworden. Zo armoedig ook. Ik heb niet eens geld voor een klein cadeautje voor de feestdagen. En dat terwijl ik altijd de nieuwste spelcomputer of telefoon voor ze kon kopen. Nu is alles weg. Mijn huwelijk, mijn huis, mijn baan, eigenlijk mijn hele leven.

 

Als ik in de rij aansluit bij de voedselbank kijk ik om me heen. Er is gelukkig niemand die ik ken. Als de man voor me een praatje aan wil knopen mompel ik wat en kijk ik snel ongeïnteresseerd de andere kant op. Want ik schaam me kapot dat ik hier met een nummertje in mijn hand op mijn beurt moet wachten.

 

Straks krijg ik weer een doos met producten mee die over de datum zijn. Of dingen die we vroeger, in dat andere leven, nooit aten. Toen ging ik met de auto naar de biologische supermarkt en kon ik kopen wat ik wilde. Nu eet ik genadebrood.

 

Iedere ochtend als ik wakker word hoop ik dat het allemaal een nare droom was. De werkelijkheid is helaas zo anders. Maar tussen deze mensen, hier in de rij bij de voedselbank hoor ik toch niet?’